RB

Producten  

RB 4060

Geen hostingvrijstelling bij inhoudelijke beoordeling van YouTube-partnerkanaal met gokreclame

Rechtspraak (NL/EU) 16 jul 2026,, RB 4060; ECLI:EU:C:2026:592 (AGCOM tegen Google Ireland Ltd), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-hostingvrijstelling-bij-inhoudelijke-beoordeling-van-youtube-partnerkanaal-met-gokreclame

HvJ EU 16 juli 2026, RB 4060; IT 5365; ECLI:EU:C:2026:592 (AGCOM tegen Google Ireland). De Italiaanse toezichthouder AGCOM legt Google een bestuurlijke boete van € 750.000 op wegens video’s op vijf YouTube-kanalen waarin gokwebsites werden gepromoot. Ook beveelt AGCOM Google om 630 video’s en soortgelijke content te verwijderen. De betrokken contentmaker nam deel aan het YouTube Partner Programme, waarbij Google en de maker reclame-inkomsten delen. Het Hof maakt bij de beoordeling van de Richtlijn elektronische handel onderscheid tussen het online maken van reclame voor gokactiviteiten en het hosten van video’s waarin dergelijke reclame voorkomt. De activiteit die bestaat in het online maken van gokreclame is intrinsiek met gokactiviteiten verbonden en valt buiten het toepassingsgebied van de richtlijn. Het online hosten van video’s met gokreclame valt daarentegen wel binnen dat toepassingsgebied, omdat hosting als zodanig niet intrinsiek met gokken is verbonden en in beginsel niet verschilt naargelang de aard van de opgeslagen content.

RB 4059

Pop-up onvoldoende voor B2B-uitzondering op reclameverbod voor e-sigaretten en e-liquids

Rechtspraak (NL/EU) 21 jul 2026,, RB 4059; ECLI:NL:CBB:2026:220 (de minister en UEG), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/pop-up-onvoldoende-voor-b2b-uitzondering-op-reclameverbod-voor-e-sigaretten-en-e-liquids

CBb 26 mei 2026, RB 4059; ECLI:NL:CBB:2026:220 (de minister tegen UEG). UEG Holland, een groothandel in elektronische rookproducten, toont op de homepage van haar website afbeeldingen met merknamen van e-liquids en elektronische sigaretten. Bezoekers krijgen eerst een pop-up te zien waarin zij moeten bevestigen dat zij werkzaam zijn in de handel in tabaksproducten of aanverwante producten en ten minste achttien jaar oud zijn. Na het aanklikken van deze verklaring kan iedereen de homepage en de afbeeldingen bekijken; pas wanneer een bezoeker een account wil aanmaken om producten te bestellen, wordt gecontroleerd of deze daadwerkelijk handelaar is. De minister merkt de afbeeldingen aan als reclame en legt UEG wegens overtreding van artikel 5 lid 1 Tabaks- en rookwarenwet een boete van € 13.500 op. De rechtbank oordeelt dat de uitingen wel reclame zijn, maar onder de B2B-uitzondering van artikel 5 lid 6, onder a, onder 1°, Trw vallen. In hoger beroep erkent UEG dat de afbeeldingen commerciële mededelingen zijn die onder het reclameverbod vallen, waardoor de grondslag aan haar incidentele hoger beroep ontvalt.

RB 4055

IQOS-proefmaand kwalificeert niet als reclame onder de Tabaks- en rookwarenwet

Rechtspraak (NL/EU) 9 jun 2026,, RB 4055; ECLI:NL:CBB:2026:254 ([naam 1] tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/iqos-proefmaand-kwalificeert-niet-als-reclame-onder-de-tabaks-en-rookwarenwet

CBb 9 juni 2026, RB 4055; ECLI:NL:CBB:2026:254 ([naam 1] tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). Op de website van de tabaksfabrikant wordt een IQOS-apparaat gedurende dertig dagen voor € 9 op proef aangeboden. Na deze proefmaand kan de consument het apparaat retourneren of voor € 49 aanschaffen. De voor het gebruik benodigde tabaksticks zijn niet inbegrepen en moeten afzonderlijk worden gekocht. De minister stelt dat de proefmaand indirect de verkoop van de tabaksticks bevordert, omdat het apparaat uitsluitend daarmee kan worden gebruikt, en legt in twee afzonderlijke zaken een boete van € 450.000 op wegens overtreding van het reclameverbod van artikel 5 lid 1 Tabaks- en rookwarenwet. De rechtbank acht het reclameverbod eveneens overtreden, maar grijpt wel in de hoogte van de boetes in.

RB 4054

ACM-boete Volkswagen herroepen wegens schending ne-bis-in-idembeginsel

Rechtspraak (NL/EU) 2 jun 2026,, RB 4054; ECLI:NL:CBB:2026:227 (Volkswagen tegen ACM), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/acm-boete-volkswagen-herroepen-wegens-schending-ne-bis-in-idembeginsel

CBb 2 juni 2026, RB 4045; ECLI:NL:CBB:2026:227 (Volkswagen tegen ACM). De ACM legt Volkswagen op grond van de Wet handhaving consumentenbescherming een bestuurlijke boete van € 450.000 op wegens drie gestelde oneerlijke handelspraktijken rond dieselauto’s met de verboden EA 189-manipulatiesoftware. Volgens de ACM handelt Volkswagen in strijd met de vereisten van professionele toewijding door de verboden software te installeren, te gebruiken en te verzwijgen. Daarnaast zou zij consumenten hebben misleid met milieuclaims, zoals “schoner rijden” en “meest milieuvriendelijke en ecologisch verantwoorde dieselversie”, en ten onrechte de indruk hebben gewekt dat de auto’s aan de voorwaarden voor de Europese typegoedkeuring voldeden. De rechtbank Rotterdam laat de boete in stand. Volkswagen stelt in hoger beroep dat zij voor hetzelfde feitencomplex al onherroepelijk is bestraft door het Duitse openbaar ministerie, dat haar een boete van € 1 miljard oplegde: € 5 miljoen als sanctie en € 995 miljoen ter ontneming van het verkregen economische voordeel.

RB 4053

Animatie voor verhitte tabak valt niet onder uitzondering op reclameverbod

Rechtspraak (NL/EU) 9 jun 2026,, RB 4053; ECLI:NL:CBB:2026:253 ([naam 1] tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/animatie-voor-verhitte-tabak-valt-niet-onder-uitzondering-op-reclameverbod

CBb 9 juni 2026, RB 4053; ECLI:NL:CBB:2026:253 ([naam 1] tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). In een tabaksspeciaalzaak wordt op een lcd-scherm een animatie getoond voor een apparaat waarmee tabak wordt verhit en de daarbij behorende tabaksticks. De animatie bevat onder meer de mededeling “95% minder schadelijke stoffen vergeleken met sigaretten”, toont een vergelijking tussen het verhitte tabaksproduct en een brandende sigaret en vermeldt schadelijke stoffen alleen bij de sigaret. De verplichte gezondheidswaarschuwing “Tabaksproducten zijn dodelijk” ontbreekt in de animatie. Niet in geschil is dat de animatie reclame vormt in de zin van artikel 1 lid 1 Tabaks- en rookwarenwet en daarom in beginsel onder het reclameverbod van artikel 5 lid 1 Trw valt. De destijds geldende uitzondering voor reclame in een tabaksspeciaalzaak geldt alleen wanneer aan de voorschriften van de Tabaks- en rookwarenregeling is voldaan, waaronder het verbod om op enige wijze een positief verband met de gezondheid te leggen en de verplichting om reclame voor rookloze tabaksproducten van de voorgeschreven gezondheidswaarschuwing te voorzien.

RB 4044

A-G HvJ EU: algemene meldplicht voor import van voedingssupplementen strijdig met Unierecht

EU 7 jul 2026,, RB 4044; ECLI:EU:C:2025:1004 (PRAGON s.r.o. tegen Státní zemědělská a potravinářská inspekce, Inspektorát v Praze), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/a-g-hvj-eu-algemene-meldplicht-voor-import-van-voedingssupplementen-strijdig-met-unierecht

HvJ EU 18 december 2025, RB 4044; LS&R 2409; ECLI:EU:C:2025:1004 (PRAGON s.r.o. tegen Státní zemědělská a potravinářská inspekce, Inspektorát v Praze). In deze zaak tussen PRAGON s.r.o. en de Tsjechische landbouw- en voedselinspectie staat de vraag centraal of een nationale regeling die importeurs van voedingssupplementen verplicht de bevoegde autoriteiten ten minste 24 uur vóór aankomst van de producten vanuit een andere lidstaat daarvan op de hoogte te stellen, verenigbaar is met Unierecht. De advocaat-generaal bespreekt met name de verhouding tussen het vrije verkeer van goederen en de volledig geharmoniseerde regels voor officiële controles op levensmiddelen in Verordening (EU) 2017/625. Volgens de conclusie verzet die verordening zich tegen een algemene en voortdurende meldplicht voor een gehele categorie levensmiddelen, zoals voedingssupplementen. PRAGON importeert voedingssupplementen uit andere lidstaten en verkoopt deze online en via fysieke winkels. Op grond van Tsjechische regelgeving moet iedere ontvangst van bepaalde levensmiddelen uit een andere lidstaat of uit een derde land uiterlijk 24 uur vóór aankomst worden gemeld aan de nationale voedselautoriteit. Daarbij moeten onder meer gegevens worden verstrekt over het soort product, de hoeveelheid, de herkomst, de ontvanger en het verwachte tijdstip van aankomst. PRAGON stelde dat deze verplichting ertoe leidt dat producten niet direct kunnen worden geleverd en daardoor een niet-tarifaire handelsbelemmering vormt. Bovendien geldt een dergelijke meldplicht niet voor vergelijkbare producten die zich reeds op Tsjechisch grondgebied bevinden, waardoor ingevoerde producten volgens PRAGON ongunstiger worden behandeld. De verwijzende Tsjechische rechter vraagt zich af of deze systematische meldplicht verenigbaar is met artikel 9 lid 7 van Verordening (EU) 2017/625. Daarbij wijst hij erop dat de regeling niet alleen extra administratieve lasten en kosten veroorzaakt, maar ook producenten en distributeurs kan ontmoedigen om voedingssupplementen op de Tsjechische markt aan te bieden. Daarnaast twijfelt de verwijzende rechter of een algemene meldplicht voor alle voedingssupplementen wel evenredig is, nu de risico's binnen deze productcategorie sterk uiteenlopen. De advocaat-generaal stelt allereerst vast dat de zaak moet worden beoordeeld aan de hand van Verordening (EU) 2017/625 en niet rechtstreeks aan de artikelen 34 en 36 VWEU. Volgens vaste rechtspraak worden nationale maatregelen immers uitsluitend getoetst aan de toepasselijke harmonisatieregels wanneer een terrein volledig door Unierecht is geharmoniseerd. De verordening vormt volgens de advocaat-generaal een volledig geharmoniseerd kader voor de organisatie van officiële controles op levensmiddelen. De nationale meldplicht moet daarom worden beoordeeld aan artikel 9 lid 7 van die verordening. Vervolgens bespreekt de advocaat-generaal de betekenis van artikel 9 lid 7. Uit de tekst, de systematiek en de doelstellingen van de verordening leidt hij af dat voorafgaande melding van goederen uit een andere lidstaat slechts bij uitzondering mag worden verlangd.

RB 4042

RCC: Facebook-advertenties met prikpen zijn verboden publieksreclame

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 6 jul 2026,, RB 4042; 2026/00002 (klacht tegen Wellis Health), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rcc-facebook-advertenties-met-prikpen-zijn-verboden-publieksreclame

RCC 10 maart 2026, RB 4042; 2026/00002 (klacht tegen Wellis Health). In deze zaak tussen klager en Wellis Health staat de vraag centraal of Wellis Health met Facebook-advertenties voor een behandeling tegen overgewicht verboden publieksreclame maakt voor receptgeneesmiddelen. De Reclame Code Commissie oordeelt dat vier van de vijf reclame-uitingen in strijd zijn met artikel 85 van de Geneesmiddelenwet, de Code Publieksreclame voor Geneesmiddelen (CPG) en de Nederlandse Reclame Code. De overige klachten wijst de Commissie af. De bestreden advertenties bevatten onder meer de teksten "Gewichtsverlies op maat", "Wetenschappelijk onderbouwd gewichtsverlies" en "Gratis ondersteuning door artsen en voedingsdeskundigen". In vier advertenties is daarnaast een prikpen prominent afgebeeld. Volgens klager gaat het om publieksreclame voor receptgeneesmiddelen en wekken de advertenties ten onrechte de indruk dat sprake is van medisch toezicht. Wellis Health voert aan dat zij geen geneesmiddelen promoot, maar een breder medisch behandeltraject waarin medicatie slechts één onderdeel vormt. De Commissie oordeelt dat de vier advertenties met een prikpen wel degelijk reclame maken voor een receptgeneesmiddel. Hoewel de advertenties ook verwijzen naar begeleiding door artsen en voedingsdeskundigen, staat de prikpen telkens centraal in beeld en trekt deze de aandacht van de consument. In drie advertenties is bovendien te zien hoe de prikpen wordt gebruikt om medicatie toe te dienen.

RB 4036

HvJ EU zet streep door Hongaarse prijs- en voorraadverplichtingen voor grote supermarkten

Rechtspraak (NL/EU) 29 jun 2026,, RB 4036; ECLI:EU:C:2026:495 (Penny Market Kft. tegen Komárom-Esztergom Vármegyei Kormányhivatal), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-zet-streep-door-hongaarse-prijs-en-voorraadverplichtingen-voor-grote-supermarkten

HvJ EU 18 juni 2026, RB 4036; ECLI:EU:C:2026:495 (Penny Market Kft. tegen Komárom-Esztergom Vármegyei Kormányhivatal). In deze zaak tussen Penny Market Kft. [verzoekster] en de Komárom-Esztergom Vármegyei Kormányhivatal [verweerder] staat de vraag centraal of een Hongaarse noodmaatregel die grote supermarkten verplicht om bepaalde levensmiddelen met korting aan te bieden en daarvan minimale voorraden aan te houden, verenigbaar is met het Unierecht. Het Hof van Justitie oordeelt dat zowel de Gemeenschappelijke Marktordening voor landbouwproducten als de Dienstenrichtlijn zich tegen een dergelijke regeling verzetten. Aanleiding voor het geschil vormt een Hongaarse regeling die in 2023 werd ingevoerd naar aanleiding van de hoge voedselinflatie als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Op grond van deze regeling moesten levensmiddelen-detailhandelaren met een jaaromzet van meer dan ongeveer € 2,5 miljoen gedurende een bepaalde periode voor iedere aangewezen productcategorie ten minste één product aanbieden tegen een prijs die minimaal 15% lager lag dan de laagste prijs van de voorafgaande dertig dagen. Daarnaast moesten zij gedurende de actieperiode steeds beschikken over een minimale hoeveelheid van deze producten, gebaseerd op de gemiddelde dagelijkse verkoop in 2022. Bij overtreding konden bestuurlijke boetes worden opgelegd. Tijdens een controle stelde de Hongaarse autoriteit vast dat in een winkel van Penny Market geen appels en geen mineraalwater of frisdranken in de winkelruimte beschikbaar waren. Hoewel deze producten wel op voorraad waren, waren zij op het moment van de controle niet te koop aangeboden. De autoriteit legde daarop een boete van vier miljoen Hongaarse forint op wegens overtreding van de voorraadverplichting. Penny Market vocht deze sanctie aan en stelde onder meer dat de verkoop over de gehele dag had moeten worden beoordeeld en dat voor frisdranken voldoende vervangende producten beschikbaar waren. De verwijzende rechter vroeg het Hof van Justitie vervolgens of de Hongaarse regeling verenigbaar is met het Unierecht. Het Hof bespreekt eerst de verhouding tot de Gemeenschappelijke Marktordening voor landbouwproducten. Daarbij sluit het expliciet aan bij de eerdere rechtspraak in de zaak SPAR Magyarország over vergelijkbare Hongaarse prijsmaatregelen.

RB 4035

Rb Amsterdam: journalistieke publicaties over Ozempic en Wegovy zijn verboden publieksreclame

Rechtspraak (NL/EU) 29 jun 2026,, RB 4035; ECLI:NL:RBAMS:2026:5160 ((DPG Media tegen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-journalistieke-publicaties-over-ozempic-en-wegovy-zijn-verboden-publieksreclame

Rb. Amsterdam 10 april 2026, RB 4035; LS&R 2404; ECLI:NL:RBAMS:2026:5160 (DPG Media tegen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport).  In deze zaak tussen DPG Media B.V. [eiseres] en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport [verweerder] staat de vraag centraal of [verweerder] aan [eiseres] terecht twee bestuurlijke boetes heeft opgelegd wegens publieksreclame voor de receptgeneesmiddelen Ozempic en Wegovy. Volgens [verweerder] bevatten een publicatie in Flair en een online artikel van De Stentor verboden publieksreclame voor receptgeneesmiddelen en was de verstrekte informatie bovendien niet in overeenstemming met de officiële productkenmerken van de geneesmiddelen. [eiseres] betoogt dat sprake is van journalistieke berichtgeving die bedoeld is om het publiek te informeren over een maatschappelijk relevant onderwerp en niet van reclame. Aanleiding voor de procedure vormden twee onderzoeken van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd naar een artikel in de zomereditie van Flair over Ozempic en een online publicatie van De Stentor over Ozempic en Wegovy. De inspectie stelde vast dat beide publicaties in strijd waren met artikel 85 Geneesmiddelenwet, dat publieksreclame voor receptgeneesmiddelen verbiedt, en met artikel 84 lid 2 Geneesmiddelenwet, omdat de verstrekte informatie niet overeenkwam met de samenvatting van de productkenmerken. [verweerder] legde daarop twee bestuurlijke boetes op van in totaal € 48.450, op grond van artikel 101 Geneesmiddelenwet en de Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2019, waarin normbedragen van € 150.000 per overtreding zijn vastgesteld. Hoewel de beleidsregels uitgaan van aanzienlijk hogere normbedragen, werden de boetes met 80% gematigd vanwege de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting. De rechtbank stelt voorop dat het begrip reclame voor geneesmiddelen ruim moet worden uitgelegd. Doorslaggevend is niet of een publicatie objectieve informatie bevat of vanuit journalistieke motieven is geschreven, maar of de boodschap kennelijk tot doel heeft het voorschrijven of gebruik van een geneesmiddel te bevorderen. De rechtbank verwijst daarbij naar de wettelijke definities van reclame en publieksreclame in de Geneesmiddelenwet en naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Hof van Justitie van de Europese Unie (Merckle) over het ruime reclamebegrip in het licht van Richtlijn 2001/83/EG. Ten aanzien van de Flair-publicatie oordeelt de rechtbank dat de gekozen invalshoek – drie vrouwen die vertellen hoeveel gewicht zij dankzij Ozempic verloren – en de prominente koppen als "Wondermiddel" en "Voor mij is het een WONDERMIDDEL" een duidelijk wervend karakter hebben. Hoewel ook wordt vermeld dat Ozempic oorspronkelijk is ontwikkeld voor diabetes en dat bijwerkingen kunnen optreden, overheerst volgens de rechtbank een vrijwel uitsluitend positieve presentatie van het middel. Dat [eiseres] stelt een maatschappelijk debat te hebben willen voeren, doet volgens de rechtbank niet af aan het effect dat de publicatie op lezers kan hebben. Ook het ontbreken van een commercieel belang bij de verkoop van Ozempic maakt niet dat geen sprake is van reclame.

RB 4028

CBb: uitingen over rookvrije alternatieven vallen onder reclameverbod Tabaks- en rookwarenwet

toezichthouder 9 jun 2026,, RB 4028; ECLI:NL:CBB:2026:255 ((Tabaksfabrikant tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staat)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/cbb-uitingen-over-rookvrije-alternatieven-vallen-onder-reclameverbod-tabaks-en-rookwarenwet

CBb 9 juni 2026, RB 4028; ECLI:NL:CBB:2026:255 (Tabaksfabrikant tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staat). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat een advertentie, een webpagina, twitterberichten en een online bijeenkomst van een tabaksfabrikant over zogenoemde rookvrije alternatieven reclame vormen in de zin van de Tabaks- en rookwarenwet (Trw). De minister mocht hiervoor bestuurlijke boetes opleggen. In deze zaak staat de vraag centraal of de uitingen, die volgens de fabrikant bedoeld waren om informatie te verstrekken en deel te nemen aan het maatschappelijke debat over rookvrije alternatieven, moeten worden aangemerkt als reclame voor tabaksproducten of aanverwante producten. De minister stelde zich op het standpunt dat de uitingen de bekendheid met en de afzet van rookvrije alternatieven bevorderen en daarmee in strijd zijn met het reclameverbod van artikel 5 Trw. De rechtbank volgde dit standpunt grotendeels en liet de opgelegde boetes in stand. Het College sluit zich daarbij aan. Het stelt voorop dat de Trw een ruim reclamebegrip kent. Daaronder valt iedere mededeling of handeling in de economische sfeer die tot doel heeft of rechtstreeks dan wel zijdelings tot gevolg heeft dat de verkoop van tabaksproducten of aanverwante producten wordt bevorderd. Volgens het College maken de verschillende uitingen onderdeel uit van een bredere commerciële strategie van de fabrikant om rookvrije alternatieven onder de aandacht te brengen en het gebruik daarvan te stimuleren. Dat daarbij ook aandacht wordt besteed aan gezondheidswinst of schadebeperking, maakt de uitingen niet neutraal of uitsluitend informatief.