KLM-aanbod voor upgrade met Miles door technische fout niet boekbaar
RCC 10 augustus 2026, RB 4139; 2026/00219 (Klager tegen KLM). In deze zaak staat de vraag centraal of KLM in strijd met de Nederlandse Reclame Code handelt wanneer een op zichzelf juist aanbod door een technische fout niet kan worden geboekt. Op de website van KLM werd een upgrade naar businessclass aangeboden voor 110.000 Flying Blue Miles. Klager probeerde hiervan gebruik te maken, maar kon de upgrade vanwege een technisch probleem niet boeken. Uiteindelijk lukte dit op de luchthaven wel, maar tegen een hoger tarief van 157.400 Miles. KLM stelde dat geen sprake was van misleidende reclame, omdat de inhoud van het aanbod juist was en uitsluitend bij de technische verwerking een probleem was ontstaan. Volgens KLM maakte een grote groep passagiers wel succesvol gebruik van vergelijkbare aanbiedingen en ging het niet om een structureel onjuist aanbod.
Plein.nl maakt laagsteprijsgarantie ‘Nergens goedkoper’ onvoldoende waar
RCC 1 september 2026, RB 4136; 2026/00213 (klager tegen Plein.nl). Plein.nl biedt Oral-B Pro Cross Action-opzetborstels aan voor € 27,99 en adverteert daarbij met de claim “Nergens goedkoper! Zelfde product ergens anders vandaag goedkoper? Wij betalen het verschil terug!”. Klager stelt dat dezelfde opzetborstels bij ten minste twee andere aanbieders goedkoper verkrijgbaar zijn. Plein.nl beroept zich op de voorwaarden van haar laagsteprijsgarantie, waaronder de eisen dat het exact hetzelfde product betreft, het direct leverbaar is en de vergelijking rekening houdt met btw en eventuele verzendkosten. De voorzitter stelt vast dat klager twee goedkopere aanbiedingen heeft aangetoond, van € 26,32 inclusief verzendkosten respectievelijk € 27,55 zonder verzendkosten. Plein.nl heeft dit niet betwist en evenmin is gesteld of gebleken dat deze aanbiedingen onder een uitzondering van de actievoorwaarden vallen. De vraag of de uitzonderingen in de voorwaarden redelijk zijn, laat de voorzitter buiten beschouwing, omdat daarover pas bij repliek is geklaagd en geen toestemming is gegeven voor uitbreiding van de klacht overeenkomstig artikel 6 lid 9 van het Reglement RCC en CvB.
Escortreclame langs openbare weg niet in strijd met goede smaak en fatsoen
RCC 4 september 2026, RB 4134; 2026/00425 (klager tegen Explicit4U.nl). In deze zaak staat een reclame-uiting van escortbureau Explicit4U.nl op een billboard langs de openbare weg centraal. Op de uiting staan onder meer de woorden “Escort” en “Leuke dames welkom!” en is een vrouw in een negligé te zien die op een bed ligt. Volgens klager is sprake van een seksueel getinte uiting die zonder filtering of waarschuwing zichtbaar is voor alle passanten, waaronder minderjarigen, terwijl voorbijgangers zich in de openbare ruimte niet aan de confrontatie ermee kunnen onttrekken. Klager acht de uiting daarom in strijd met de goede smaak en het fatsoen als bedoeld in artikel 2 NRC. De Commissie stelt voorop dat zij bij de beoordeling van deze subjectieve norm terughoudendheid betracht. Daarbij beoordeelt zij of de uiting naar de huidige maatschappelijke opvattingen de grens van het toelaatbare overschrijdt en houdt zij rekening met de wijze waarop de uiting is geopenbaard en het effect daarvan op het publiek. Bij reclame waaraan het publiek zich niet kan onttrekken, kan die grens eerder worden bereikt.
Vanafprijs Santos Boats misleidend door hogere prijs bij minimale huurduur en ontbrekende borg
RCC 2 september 2026, RB 4135; 2026/00506 (klager tegen Santos Boats). Santos Boats vermeldt op een flyer voor de verhuur van elektrische boten: “minimale huur twee uur, prijzen vanaf € 37,50 per uur”. Volgens klager is deze prijsvermelding misleidend, omdat tijdens het reserveringsproces blijkt dat een boot voor twee uur € 120 kost en daarnaast een borgsom van € 150 moet worden betaald. Santos Boats voert aan dat het tarief van € 37,50 per uur daadwerkelijk geldt wanneer een boot voor acht uur wordt gehuurd en dat de uurprijs afneemt naarmate de huurduur langer is. De borg van € 150 staat volgens Santos Boats los van de huurprijs en wordt na afloop terugbetaald wanneer de boot volgens de voorwaarden wordt ingeleverd.
Burger King-reclame voor Eurovlammer niet misleidend over formaat hamburger
RCC 4 september 2026, RB 4133; 2026/00269 (klager tegen Burger King). In deze zaak staat reclame van Burger King voor de zogenoemde Eurovlammers centraal. Op de website worden onder meer drie hamburgers, kipnuggets en een bakje saus afgebeeld. De klacht ziet op de hamburger zonder kaas, die als Eurovlammer voor € 1 wordt aangeboden. Volgens klager geeft de afbeelding een misleidend beeld van het daadwerkelijk geserveerde product. Het vlees van zijn hamburger is volgens hem veel kleiner dan het broodje, terwijl de reclame de indruk wekt dat het vlees ongeveer even groot is als het broodje. Burger King voert aan dat de hamburger in optimale staat is gefotografeerd en dat de ingrediënten zo zijn gepositioneerd dat zij goed zichtbaar zijn. Dit betreft volgens Burger King een in reclame gebruikelijke vorm van overdrijving en de uiting wekt geen verwachtingen over de absolute grootte van het vlees.
Rabo Free-commercial met € 75-beloning niet maatschappelijk onverantwoord
RCC 17 september 2026, RB 4132; 2026/00501 (klager tegen Rabobank). In een televisiecommercial prijst Rabobank Rabo Free aan, een gratis betaalrekening voor 18- tot 28-jarigen waarbij men bij het openen van de rekening eenmalig € 75 ontvangt. In de commercial is onder meer een jonge vrouw te zien die de kleding van een etalagepop draagt. Volgens klager maakt de campagne gebruik van een aantrekkelijke leefwereld met onder meer kleding, uitgaan en andere activiteiten en wordt het financiële product daar samen met de financiële beloning aan gekoppeld. Klager acht deze combinatie maatschappelijk zorgelijk en onvoldoende terughoudend. De voorzitter vat de klacht op als een beroep op artikel 3 NRC, op grond waarvan reclame niet strijdig mag zijn met het algemeen belang, de openbare orde of de goede zeden. Bij de beoordeling van deze criteria stelt de voorzitter zich vanwege het subjectieve karakter daarvan terughoudend op en houdt hij tevens rekening met de vrijheid van meningsuiting van de adverteerder.
Algemene voorwaarden onlinecasino’s toepasselijk; cessieverbod kan goederenrechtelijke werking hebben
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 18 augustus 2026, RB 4131; ECLI:NL:OGHACMB:2026:260 (GSP tegen SBGOK). Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie oordeelt in dit vierde tussenvonnis over betalingsvorderingen van spelers en Stichting Belangenbehartiging Gedupeerden Online Kansspelen (SBGOK) tegen Gaming Services Provider N.V. (GSP), vergunninghouder voor verschillende onlinecasino’s. Op de rechtsverhouding is Curaçaos recht van toepassing. Het Hof acht de wijze waarop de algemene voorwaarden bij het openen van een spelersaccount van toepassing werden verklaard in beginsel rechtsgeldig: een speler moest een tickbox aanvinken om een account te kunnen openen en kon via een link van de voorwaarden kennisnemen. Uit artikel 6 lid 1 Landsverordening overeenkomsten langs elektronische weg volgt daarnaast dat de voorwaarden moeten kunnen worden opgeslagen en later weergegeven. Volgens het Hof is voldoende gebleken dat dit mogelijk was. Een afzonderlijke save- of printknop, PDF-downloadlink, tijdstempel, depot ter griffie of toezending per e-mail is niet vereist. Evenmin hoeft het casino te controleren of de speler de voorwaarden daadwerkelijk heeft geopend of gelezen. Het in de algemene voorwaarden voorkomende cessieverbod en het verbod op ‘duplicate accounts’ acht het Hof, gelet op onder meer de risico’s van fraude, witwassen en terrorismefinanciering en de persoonsgebonden aard van spelersaccounts, niet onredelijk bezwarend.
ACM mocht eiproductfabrikanten beboeten voor inkoopkartel; boete één onderneming verder gematigd
CBb 15 september 2026, RB 4130; ECLI:NL:CBB:2026:429 (de ondernemingen tegen ACM). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevestigt dat de ACM terecht boetes heeft opgelegd aan drie eiproductfabrikanten wegens overtreding van artikel 101 lid 1 VWEU en artikel 6 lid 1 Mw. De ondernemingen hadden onderling inkoopprijzen voor kooi- en scharreleieren afgestemd, afspraken gemaakt over welke onderneming bij welke leghenhouder zou inkopen of blijven inkopen en concurrentiegevoelige informatie uitgewisseld. Het College oordeelt dat deze gedragingen, gelet op hun bewoordingen, doelstellingen en juridische en economische context, terecht zijn aangemerkt als onderling afgestemde feitelijke gedragingen met een mededingingsbeperkende strekking. De ACM heeft voldoende onderbouwd dat de ondernemingen een sterke tot zeer sterke positie hadden tegenover leghenhouders, die voor een belangrijk deel van hun afzet van deze afnemers afhankelijk waren en beperkte uitwijkmogelijkheden hadden. Een exacte berekening van de marktaandelen was daarvoor niet vereist en de daadwerkelijke gevolgen van de gedragingen hoefden niet afzonderlijk te worden onderzocht. Ook het beroep op de bagatelvrijstelling en het verweer dat gedraging I niet als één enkele voortdurende overtreding kon worden aangemerkt, slagen niet. De formele bezwaren treffen evenmin doel: van schending van de onschuldpresumptie of functiescheiding binnen de ACM was geen sprake. De hoorplicht was aanvankelijk wel geschonden, maar die schending is volgens het College hersteld doordat de ondernemingen zich in beroep en hoger beroep alsnog voldoende over de gewijzigde marktbenadering konden uitlaten.
Prejudiciële vragen gesteld over producten die gericht zijn op minderjarigen
Prejudiciële vragen gesteld aan HvJEU 30 september 2025, RB 4129; C-638/25 (Lira tegen Budapest Főváros Kormányhivatala) via MinBuza. Het Hongaarse parlement heeft op 15 juni 2021 een wet goedgekeurd, die strengere maatregelen tegen pedofiele delinquenten bevat en bepaalde wetten wijzigt ter bescherming van minderjarigen. De wet wijzigt daarmee ook de wet inzake reclame door het invoeren van een verbod om minderjarigen bloot te stellen aan reclame die op een vrije manier seksualiteit toont of die afwijkingen van geslachtsidentiteit, waaronder homoseksualiteit, promoot of uitbeeldt. Daarnaast stelt een regeringsdecreet dat producten die op minderjarigen zijn gericht en die homoseksualiteit uitbeelden of promoten, alleen in een gesloten verpakking en gescheiden van andere producten mogen worden verkocht. Ook zijn er beperkingen op de plaats van verkoop ten opzichte van onderwijsinstellingen, instellingen voor minderjarigen en kerken. In mei 2023 bood Líra Kiskereskedelmi Kft. (hierna: Líra) in haar winkel in Boedapest enkele publicaties aan waarin homoseksualiteit wordt afgebeeld en die zich richten op jongeren van 14 jaar en ouder. Deze publicaties werden niet in een gesloten verpakking verkocht en niet apart van andere producten. Hierop voerde de overheid een inspectie uit en legde Líra een boete op wegens overtreding van de overheidsdecreet en een bevel om de verkoop van de publicaties in een gesloten verpakking en gescheiden van andere producten te verrichten. Líra betwistte dit besluit en startte een bestuursrechtelijke procedure bij de verwijzende rechter. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de nationale wetgeving inzake het verbod op het blootstellen van minderjarigen aan homoseksualiteit verenigbaar is met het Unierecht.
Dealer geen contractspartij; geen aansprakelijkheid voor gestelde misleidende handelspraktijk rond zwembad
Rb. Overijssel 26 augustus 2026, RB 4128; ECLI:NL:RBOVE:2026:5387 ([eiser] tegen [gedaagde]). Een consument had voor de aankoop en plaatsing van een zwembad twee afzonderlijke overeenkomsten gesloten met een zwembadbouwer: een koopovereenkomst en een overeenkomst van aanneming. Hij stelde dat hij ervan mocht uitgaan dat deze zwembadbouwer namens de Nederlandse dealer/importeur van het zwembadmerk handelde, onder meer omdat hij na zijn keuze voor “totaalbouw” door de dealer naar deze partij was verwezen en op de offertes het logo van het zwembadmerk stond. De rechtbank volgt hem daarin niet. Volgens het Kribbebijter-criterium hangt de vraag of iemand in eigen naam of namens een ander handelt af van wat partijen jegens elkaar hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden. Uit de door de consument aangevoerde omstandigheden volgt niet dat hij mocht aannemen dat de zwembadbouwer als vertegenwoordiger van de dealer optrad. De offertes waren afkomstig van de zwembadbouwer, de koop- en aanneemsommen werden aan hem betaald en de consument richtte zijn klachten aanvankelijk ook tot hem. Daardoor komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of sprake was van schijn van volmachtverlening in de zin van artikel 3:61 lid 2 BW. Omdat de dealer geen partij was bij de overeenkomsten, wordt ook de gevorderde verklaring voor recht dat zij de precontractuele informatieplicht van artikel 6:230m BW heeft geschonden afgewezen.














