Artikel geschreven door Ebba Hoogenraad, Hoogenraad & Haak.
De groene EmpCo-klok tikt … wat bedrijven nu moeten weten
Ebba Hoogenraad, 29 juni 2026.
De toepassingsdatum van de EmpCo-richtlijn, 27 september 2026, nadert snel. Niet alleen de zomerzon zorgt voor warmte; maar ook bedrijven met duurzaamheidsclaims op hun verpakkingen krijgen het hier warm van.
Vanaf die datum zijn o.a. generieke milieuclaims verboden. Woorden als duurzaam, groen, verantwoord of milieubewust mogen uitsluitend worden gebruikt met keihard bewijs ('erkende voortreffelijke milieuprestaties'), of als de claim direct in de uiting zelf wordt gespecificeerd.
HvJ EU: dynamische streamingdienst valt onder begrip digitale dienst
HvJ EU 9 juli 2026, IT 5392; RB 4066; ECLI:EU:C:2026:556 (Sky Österreich Fernsehen GmbH tegen Verein für Konsumenteninformation). In deze zaak biedt Sky Österreich een streamingdienst aan waarmee consumenten via een link of applicatie toegang krijgen tot programma’s die op een server zijn opgeslagen. De programma’s kunnen live of on demand worden bekeken en, afhankelijk van de beschikbare licenties, worden gedownload en offline worden bekeken. Een download kan slechts eenmaal worden bekeken en moet binnen 48 uur vanaf het begin van het afspelen volledig zijn bekeken. Bij het online afsluiten van een abonnement moet de consument instemmen met een beding waarin hij ermee akkoord gaat dat Sky Österreich vóór het verstrijken van de herroepingstermijn van veertien dagen met de uitvoering van de overeenkomst begint en erkent dat hij daardoor zijn herroepingsrecht verliest. De Oostenrijkse consumentenorganisatie Verein für Konsumenteninformation (VKI) stelt dat deze informatie ontoereikend is, omdat het streamingabonnement een digitale dienst vormt en het herroepingsrecht pas vervalt wanneer die dienst volledig is geleverd. Sky Österreich stelt daarentegen dat zij digitale inhoud levert, zodat het herroepingsrecht volgens haar is uitgesloten zodra de uitvoering van de overeenkomst een aanvang neemt. Nadat VKI in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, vraagt het Oberste Gerichtshof het Hof van Justitie in wezen of een dergelijke streamingdienst moet worden aangemerkt als de levering van digitale inhoud in de zin van artikel 2, punt 11, en artikel 16, eerste alinea, onder m, Richtlijn 2011/83.
Cursist dropshippingtraject is consument en behoudt herroepingsrecht door gebrekkige informatie
Rb. Gelderland 17 juni 2026, RB 4064; ECLI:NL:RBGEL:2026:5072 (MGG tegen [de gedaagde in conventie]). Een vrouw kwam via een reclamefilmpje op Facebook in contact met Mijn Geld Groeit LLP (MGG). Tijdens een videogesprek op 22 januari 2025 sloot zij een overeenkomst voor het zogenoemde Diamond Traject, een online cursus met begeleiding bij het opzetten van een dropshippingwebshop. De cursusprijs bedroeg € 12.495, te betalen in vijf termijnen van € 2.499. Zij betaalde direct de eerste termijn, maar liet diezelfde avond weten dat zij ook een veel goedkoper traject had gezien en zich zorgen maakte over de hoge betalingsverplichting. Enkele dagen later schreef zij dat zij niet meer in het aangeboden traject geloofde en vroeg zij opnieuw om een goedkoper traject. Nadat zij de tweede termijn niet betaalde, blokkeerde MGG haar toegang tot de online omgeving en vorderde zij betaling van de vier resterende termijnen, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten en overige kosten. De kantonrechter oordeelt dat de vrouw de overeenkomst als consument heeft gesloten. Dat haar eenmanszaak in het aanmeldformulier en op de factuur stond en dat zij een zakelijke bankpas gebruikte, maakt dat niet anders. Haar bestaande onderneming hield zich bezig met zorgverlening en de dropshippingcursus hield geen verband met die bedrijfsactiviteit. Dat zij mogelijk in de toekomst als dropshipper wilde beginnen, betekent niet dat zij bij het sluiten van de overeenkomst al in het kader van die beroepsactiviteit handelde. De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht omdat de vrouw in Nederland woont en op grond van de rechtskeuze van partijen is het Nederlandse recht van toepassing.
Influencer en Lifeplus schenden regels voor herkenbare influencerreclame
RCC 30 juni 2026, RB 4063; 2026/00271 (Klager tegen [influencer] en Lifeplus). Een influencer plaatst op Instagram een video waarin haar kinderen haar benen insmeren met een lotion van Lifeplus. In de begeleidende tekst prijst zij het product aan, noemt zij een actie van “6+1 gratis” met gratis verzending en vraagt zij volgers om haar voor informatie een privébericht te sturen. In de video en de tekst wordt niet vermeld dat sprake is van reclame of dat de influencer een commerciële relatie met Lifeplus heeft. De influencer voert aan dat de video vooral een persoonlijk en huiselijk moment toont en dat zij voor de plaatsing geen betaling, sponsoring of opdracht van Lifeplus heeft ontvangen. Ter zitting verklaart zij echter dat zij als zelfstandig wederverkoper reclame maakt voor Lifeplus en per verkocht product een commissie ontvangt. Volgens de Commissie heeft de uiting daardoor een aanprijzend karakter en bestaat tussen de influencer en Lifeplus een relevante relatie als bedoeld in artikel 2 RSM, die de geloofwaardigheid van de uiting kan beïnvloeden.
Basic-Fit-reclame misleidend door ontbreken inschrijfkosten
RCC 6 juni 2026, RB 4062; 2026/00261 (Klager tegen Basic-Fit). Basic-Fit adverteert op haar website met de mededeling “Sport nu 2 weken gratis”, gevolgd door de toelichting dat de aanbieding geldt bij een nieuw jaarabonnement met een duur van “2 + 52 weken”. Een consument klaagt dat de gratis weken in werkelijkheid aan het einde van het abonnement worden toegevoegd en dat hij bij inschrijving inschrijfgeld en later abonnementskosten moest betalen. De voorzitter oordeelt dat de mededeling over de twee gratis weken op zichzelf niet misleidend is. Uit de direct zichtbare toelichting begrijpt de gemiddelde consument dat hij in totaal 54 weken kan sporten en slechts voor 52 weken abonnementskosten betaalt. De uiting vermeldt niet dat specifiek de eerste twee weken gratis zijn. Bovendien blijkt uit de stellingen van partijen dat pas na twee weken abonnementskosten in rekening worden gebracht. Dat de gratis weken bij de klager aan het einde van de looptijd zijn toegevoegd, maakt het aanbod daarom niet onjuist.
Geen hostingvrijstelling bij inhoudelijke beoordeling van YouTube-partnerkanaal met gokreclame
HvJ EU 16 juli 2026, RB 4060; IT 5365; ECLI:EU:C:2026:592 (AGCOM tegen Google Ireland). De Italiaanse toezichthouder AGCOM legt Google een bestuurlijke boete van € 750.000 op wegens video’s op vijf YouTube-kanalen waarin gokwebsites werden gepromoot. Ook beveelt AGCOM Google om 630 video’s en soortgelijke content te verwijderen. De betrokken contentmaker nam deel aan het YouTube Partner Programme, waarbij Google en de maker reclame-inkomsten delen. Het Hof maakt bij de beoordeling van de Richtlijn elektronische handel onderscheid tussen het online maken van reclame voor gokactiviteiten en het hosten van video’s waarin dergelijke reclame voorkomt. De activiteit die bestaat in het online maken van gokreclame is intrinsiek met gokactiviteiten verbonden en valt buiten het toepassingsgebied van de richtlijn. Het online hosten van video’s met gokreclame valt daarentegen wel binnen dat toepassingsgebied, omdat hosting als zodanig niet intrinsiek met gokken is verbonden en in beginsel niet verschilt naargelang de aard van de opgeslagen content.
Pop-up onvoldoende voor B2B-uitzondering op reclameverbod voor e-sigaretten en e-liquids
CBb 26 mei 2026, RB 4059; ECLI:NL:CBB:2026:220 (de minister tegen UEG). UEG Holland, een groothandel in elektronische rookproducten, toont op de homepage van haar website afbeeldingen met merknamen van e-liquids en elektronische sigaretten. Bezoekers krijgen eerst een pop-up te zien waarin zij moeten bevestigen dat zij werkzaam zijn in de handel in tabaksproducten of aanverwante producten en ten minste achttien jaar oud zijn. Na het aanklikken van deze verklaring kan iedereen de homepage en de afbeeldingen bekijken; pas wanneer een bezoeker een account wil aanmaken om producten te bestellen, wordt gecontroleerd of deze daadwerkelijk handelaar is. De minister merkt de afbeeldingen aan als reclame en legt UEG wegens overtreding van artikel 5 lid 1 Tabaks- en rookwarenwet een boete van € 13.500 op. De rechtbank oordeelt dat de uitingen wel reclame zijn, maar onder de B2B-uitzondering van artikel 5 lid 6, onder a, onder 1°, Trw vallen. In hoger beroep erkent UEG dat de afbeeldingen commerciële mededelingen zijn die onder het reclameverbod vallen, waardoor de grondslag aan haar incidentele hoger beroep ontvalt.
Intrum moet verstrekking ESIC-formulier nader onderbouwen
Hof Amsterdam 26 mei 2026, RB 4058; ECLI:NL:GHAMS:2026:1461 (Intrum tegen [geïntimeerde]). Een kredietgever sluit online met een consument een kredietovereenkomst voor € 50.000, met een looptijd van 120 maanden en een debetrente van 8,7% per jaar. Nadat de consument zijn betalingsverplichtingen niet nakomt, wordt de vordering aan Intrum gecedeerd. Intrum vordert vervolgens € 43.820,95, vermeerderd met rente en kosten. De kantonrechter wijst die vordering af omdat niet is aangetoond dat aan de precontractuele verplichtingen is voldaan en dat de kredietwaardigheid van de consument vóór het sluiten van de overeenkomst is beoordeeld. In hoger beroep legt Intrum onder meer bankafschriften, salarisgegevens, Kadasterinformatie, een inkomensberekening en een gepersonaliseerde kredietwaardigheidstoets over. Het hof acht daarmee voldoende aangetoond dat de oorspronkelijke kredietgever voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een kredietwaardigheidstoets als bedoeld in artikel 4:34 lid 1 Wft heeft uitgevoerd. Uit de algemene voorwaarden blijkt volgens het hof bovendien voldoende dat de consument is geïnformeerd over zijn recht om de op afstand gesloten kredietovereenkomst binnen veertien dagen te ontbinden.
Betalingsverplichtingen Greenwheels verminderd wegens schending informatieplichten
Rb. Noord-Holland 3 juni 2026, RB 4057; ECLI:NL:RBNHO:2026:7057 (greenwheels tegen [gedaagde]). In dit verstekgeding vordert Greenwheels betaling van bedragen die voortvloeien uit een abonnementsovereenkomst en een of meer reserveringsovereenkomsten. De kantonrechter toetst ambtshalve of Greenwheels heeft voldaan aan de informatieplichten voor overeenkomsten op afstand. De reservering komt tot stand door op de knop “Reserveer deze auto” te klikken. Omdat de consument bij niet- of niet-tijdige annulering aan de reservering is gebonden en daarvoor moet betalen, is deze knop een bestelknop als bedoeld in artikel 6:230v lid 3 BW. De tekst op de knop maakt echter niet ondubbelzinnig duidelijk dat het aanklikken daarvan een betalingsverplichting meebrengt. Bij die beoordeling is alleen de tekst op de knop of vergelijkbare functie relevant; de overige inrichting van het bestelproces kan dit gebrek niet herstellen. Voor de reserveringsovereenkomst is wel aan de overige precontractuele informatieplichten voldaan. Greenwheels toont echter niet aan dat zij de consument na het sluiten van de overeenkomst een concrete bestelbevestiging op een duurzame gegevensdrager heeft verstrekt, zodat ook artikel 6:230v lid 7, onder a, BW is geschonden.
Dynamisch streamingaanbod kwalificeert als digitale dienst
HvJ EU 9 juli 2026, RB 4061; IT 5366; ECLI:EU:C:2026:556 (Sky Österreich tegen Verein für Konsumenteninformation). Sky Österreich biedt streamingabonnementen aan waarmee consumenten via een hyperlink of applicatie televisieprogramma’s live, op aanvraag en in bepaalde gevallen na download offline kunnen bekijken. Bij het online afsluiten van een abonnement moeten consumenten ermee instemmen dat Sky al tijdens de herroepingstermijn met de uitvoering begint en erkennen dat zij daardoor hun herroepingsrecht verliezen. De Oostenrijkse consumentenorganisatie VKI bestrijdt dit beding. Volgens VKI is het streamingabonnement geen levering van digitale inhoud, maar een digitale dienst. De uitzondering op het herroepingsrecht voor niet op een materiële drager geleverde digitale inhoud uit artikel 16, eerste alinea, onder m), van Richtlijn 2011/83 zou daarom niet van toepassing zijn.









