HvJEU: ‘alcoholvrije gin’ verboden als benaming voor alcoholvrije drank
Hof van Justitie 13 november 2025, IEF 23401; RB 3947; ECLI:EU:C:2025:887 (Verband Sozialer Wettbewerb eV tegen PB Vi Goods GmbH). Het Hof van Justitie oordeelt dat het op grond van artikel 10 lid 7 van Verordening (EU) 2019/787 verboden is om een alcoholvrije drank aan te duiden als “alcoholvrije gin”. De benaming “gin” is een wettelijke benaming die alleen mag worden gebruikt voor dranken die voldoen aan specifieke productievereisten, waaronder een minimumalcoholpercentage van 37,5% en bereiding met ethylalcohol en jeneverbessen. Het toevoegen van termen als “alcoholvrij” doet aan dit verbod niet af.
Seminar over de Cyberbeveiligingswet op 16 april 2026
Veel van ons leven en werk speelt zich inmiddels af in de digitale wereld. Tegelijkertijd nemen cyberdreigingen toe, denk aan grote datalekken. Daarmee groeit het belang van goede digitale beveiliging voor bedrijven en publieke instellingen. Om het niveau van cyberbeveiliging binnen de Europese Unie te versterken is de NIS2-richtlijn opgesteld, de opvolger van de eerdere NIS1-richtlijn.
In Nederland wordt deze richtlijn geïmplementeerd via de Cyberbeveiligingswet (Cbw), die naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 in werking treedt. De Cbw vervangt de huidige Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) en introduceert strengere verplichtingen voor organisaties in sectoren met een belangrijk maatschappelijk of economisch gewicht. De wet bevat onder meer regels over risicobeheer, meldplichten bij incidenten, bestuurlijke verantwoordelijkheid en toezicht. Daarnaast speelt de samenwerking met zogeheten Computer Security Incident Response Teams (CSIRT’s) een belangrijke rol bij het detecteren en afhandelen van cyberincidenten.
Tegelijkertijd wordt ook de Critical Entities Resilience Directive (CER-richtlijn) in Nederland geïmplementeerd, via de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Beide wetten zullen naar verwachting gelijktijdig in werking treden en markeren een belangrijke stap in het versterken van de digitale weerbaarheid van vitale sectoren.
Laatste plekken voor het seminar: Consumentenrecht in de Digitale Sector | 2 april 2026
De Europese Commissie werkt aan de Digital Fairness Act (DFA), een nieuwe wet die consumenten beter moet beschermen in de digitale wereld. De nieuwe wet wordt naar verwachting in 2026 door de Comissie gepresenteerd. Tegenwoordig bestellen we (bijna) alles via internet. Iedereen die dat wel eens heeft gedaan, kent de kortingsacties die gegeven worden. Van een countdown-timer tot een rad van fortuin: platforms zetten alles in om consumenten te laten klikken en kopen. De digitale wereld is voor consumenten hierdoor niet altijd overzichtelijk. Ook voor juristen is niet alles helder, vooral op de grijze gebieden. Via deceptive interface design ontstaat er een oneerlijke handelspraktijk. Wat betekent dit voor consumenten, retailers, e-tailers, platforms en influencers als dit wordt vastgesteld?
Meer weten over de DFA en oneerlijke handelspraktijken? Kom naar ons seminar Consumentenrecht in de digitale sector op donderdag 2 april 2026. We bespreken deze onderwerpen, en meer, samen met Jeroen Schouten en Michelle Seel (Pinsent Masons) op het kantoor van Pinsent Masons in Amsterdam. Er zijn nog enkele plekken beschikbaar.
Bent u erbij? Aanmelden kan alleen deze week nog.
Prijsdifferentiatie via Google Shopping geen misleidende handelspraktijk
Parket bij de Hoge Raad 12 september 2025, RB 3986; IT 5157; ECLI:NL:PHR:2025:985 (Digital Revolution tegen Media Concept). De P-G gaat in deze conclusie in op de vraag of prijsverschillen tussen aanbiedingen via Google Shopping en een eigen webshop kunnen worden aangemerkt als misleidende reclame of een oneerlijke handelspraktijk in de zin van het Unierecht. Aanleiding vormt een geschil tussen concurrenten, waarin Media Concept printercartridges via Google Shopping tegen een lagere prijs en met een afnamebeperking aanbood, terwijl op de eigen website een hogere prijs gold zonder die beperking.
HvJEU: "Koop op rekening” is een verkoopbevorderende aanbieding, transparantie vereist
HvJ EU 25 mei 2025, RB 3984; IT 5148; ECLI:EU:C:2025:352 (Verbraucherzentrale Hamburg tegen bonprix). In deze prejudiciële procedure staat de vraag centraal of een onlinereclame waarin een bijzondere betalingswijze (koop op rekening) wordt aangeboden, kwalificeert als een verkoopbevorderende aanbieding in de zin van artikel 6, onder c), van Richtlijn 2000/31/EG (e-commercerichtlijn). De Duitse consumentenorganisatie betoogt dat de reclame misleidend is, omdat niet direct wordt vermeld dat gebruik van deze betaalmethode afhankelijk is van een kredietwaardigheidscontrole.
Rechtbank Amsterdam: volledige eliminatie van beide misbruikselementen bepalend voor schadeberekening in Google Shopping-zaak
Rb. Amsterdam 5 november 2025, RB 3983; IT 5146; ECLI:NL:RBAMS:2025:8356 (Wolfson tegen Google). Dit tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam gaat over een follow-on schadeprocedure naar aanleiding van het besluit van de Europese Commissie over misbruik van machtspositie door Google [IT 4618]. De Commissie had vastgesteld dat Google haar eigen productvergelijkingsdienst (Google Shopping) systematisch bevoordeelde ten opzichte van concurrerende diensten. Dit besluit is inmiddels definitief bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarmee de inbreuk en de onrechtmatigheid vaststaan. In deze procedure vordert Wolfson Capital Limited schadevergoeding, gebaseerd op aan haar gecedeerde vorderingen van de productvergelijkers Compare en Kieskeurig. De procedure bevindt zich in de fase van schadebegroting. Centraal staat de vraag welk hypothetisch scenario zonder inbreuk (de counterfactual) moet worden gehanteerd om de schade te bepalen. De kern van het geschil is of bij dit scenario beide elementen van het door de Commissie vastgestelde misbruik moeten worden weggedacht, of slechts één. Het misbruik bestond uit een combinatie van twee praktijken: (i) de prominente en gunstige weergave van Google Shopping in de zoekresultaten en (ii) de minder gunstige rangschikking van concurrerende productvergelijkers door middel van algoritmes. Wolfson stelt dat beide elementen moeten worden geëlimineerd om een reëel beeld te krijgen van de situatie zonder inbreuk. Google betoogt daarentegen dat het volstaat om slechts één element weg te denken, en dat verschillende alternatieve scenario’s denkbaar zijn waarin haar gedrag deels gehandhaafd blijft.
Reclame Code Commissie laat Gaza‑fondsenwervingsbrief FPU in stand
RCC 24 februari 2026, RB 3982; 2025/00654 (Klager tegen Adverteerder). De bestreden reclame-uiting is een brief van Free Press Unlimited (FPU) in een vensterenvelop, gericht “Aan de bewoner(s) van”, met op de envelop de tekst: “Schokkend: meer dan 250 journalisten gedood door Israël”. In de brief wordt uiteengezet dat lokale journalisten in Gaza hun leven riskeren, dat in de afgelopen twee jaar meer dan 250 Palestijnse journalisten zijn gedood, dat Gaza “de meest dodelijke plaats ooit” voor journalisten is en dat journalisten volgens FPU zes keer meer risico lopen om gedood te worden dan burgers, waarna om een gift wordt gevraagd ter ondersteuning van deze journalisten. Klager CIDI stelt dat drie beweringen feitelijk onjuist of onvoldoende onderbouwd zijn: (1) de claim dat “meer dan 250 Palestijnse journalisten” zijn gedood “het hoogste aantal in een conflict”, omdat in onder meer Syrië en de Tweede Wereldoorlog volgens CIDI meer journalisten zijn omgekomen; (2) de impliciete suggestie dat journalist Saleh al‑Jafawari een van de door Israël gedode journalisten is, terwijl hij volgens CIDI door andere inwoners van Gaza zou zijn omgebracht; en (3) de stelling dat Gaza “de meest dodelijke plaats ooit” voor journalisten is en dat zij zes keer meer risico lopen dan burgers, zonder bronvermelding. Volgens CIDI is sprake van misleidende reclame in strijd met artikelen 8 en 10 NRC, temeer omdat de uitlatingen worden gedaan in een sterk gepolariseerde context en direct zijn gekoppeld aan een oproep tot donaties.
Geen misleiding bij ‘APK van uw gehoor’‑brief Schoonenberg
RCC 16 februari 2026, RB 3981; 2026/00065 (Klager tegen Schoonenberg). De bestreden reclame-uiting betreft een ongeadresseerde envelop van Schoonenberg, met linksboven de naam en het logo van adverteerder en daaronder de postbusgegevens. Op de envelop staat de tekst: “Alstublieft, uw uitnodiging voor de APK van uw gehoor”, waarbij binnenin een uitnodiging zit om een gratis hoortest in te plannen. Klager stelt dat de tekst “Uw APK voor gehoor”, in combinatie met de opmaak en toonzetting, de indruk wekt dat het gaat om een noodzakelijke of zelfs verplichte controle, vergelijkbaar met communicatie van een overheids- of zorginstantie. Volgens de klacht is pas bij zorgvuldige lezing duidelijk dat het om een commerciële gehoortest gaat, wordt door het gebruik van de term “APK” bewust urgentie en een schijn van verplichting gecreëerd en lijkt de uitnodiging sterk op officiële correspondentie, waardoor met name ouderen zouden kunnen worden misleid. Adverteerder voert aan dat het duidelijk om een commerciële, ongeadresseerde reclame-uiting gaat, dat in de begeleidende brief nergens van een verplichting wordt gesproken en slechts wordt “aangeraden” het gehoor regelmatig te controleren, en dat “APK” hier slechts als begrijpelijke metafoor voor periodieke controle wordt gebruikt, zonder te suggereren dat een wettelijke verplichting bestaat.
Onrealistisch lage prijs D‑Reizen misleidend bevonden
RCC 3 maart 2026, RB 3978; 2025/00518 (klager tegen D-Reizen). D-Reizen bood op haar website een pakketreis naar Portugal aan voor “p.p. vanaf € 268,-” voor een vakantie van 11 dagen met halfpension voor vier personen in een vijfsterrenhotel met een 9,0-score. De zoekresultaten waren gesorteerd op “Prijs (laag)” en deze reis verscheen als goedkoopste optie bovenaan. Bij doorklikken bleek de reis echter € 1.545,- per persoon te kosten. D-Reizen voerde aan dat de lage ‘vanaf-prijs’ het gevolg was van een technische fout en dat de gemiddelde consument had moeten begrijpen dat het om een kennelijke vergissing ging, onder meer omdat vergelijkbare, minder luxe accommodaties direct daaronder voor circa € 383–384 per persoon werden aangeboden, de vertrekdatum in de herfstvakantie viel en elders geen vergelijkbare lage prijzen voor deze accommodatie te vinden waren. De Reclame Code Commissie kwalificeerde de vermelding op de zoekpagina als reclame én als uitnodiging tot aankoop in de zin van artikel 1 en 8.4 NRC, oordeelde dat de reisaanbieder onder III lid 1 en IV lid 1 RR correcte en duidelijke (vanaf)prijzen moet hanteren, en achtte die norm geschonden omdat de reis niet voor de geadverteerde prijs van € 268,- p.p. te boeken was, ongeacht of de consument de fout had kunnen herkennen.
Humoristische Odido‑reclame over digitale installatie niet kwetsend voor ouderen
RCC 16 februari 2026, RB 3979; 2026/00040 (Klager tegen Odido). Deze zaak gaat over een tv-commercial van Odido waarin een meisje haar vader filmt terwijl hij probeert “Odido TV” te installeren. Terwijl de dochter het geheel als een vlog presenteert, ontdekt de vader dat er geen kabels of kastje nodig zijn en besluit hij zijn eigen “kabeldoos” erbij te halen. De kabels vallen over hem heen en hij probeert ze te ontwarren, terwijl zijn zoon eenvoudig via de TV-app de installatie uitvoert en de tv snel aan de praat krijgt. De boodschap van de commercial is dat Odido TV gemakkelijk te installeren is, zonder kabels of ingewikkelde apparatuur.









