RB
RB 4024
12 juni 2026
Uitspraak

Dexia volledig aansprakelijk wegens verboden advisering door tussenpersoon; geen aanspraak meer op afgewikkelde overeenkomst ex-echtgenote

 
RB 4023
12 juni 2026
Uitspraak

Geen ongeoorloofde vergelijkende reclame bij pleidooi voor brandveiligheidstoetsing op gevelsysteemniveau

 
RB 4022
12 juni 2026
Uitspraak

Reclameovereenkomst kansspelpromotie: voorinvesteringen zonder terugbetalingsplicht, maar geen aanspraak op resterende termijnen

 
RB 4024

Dexia volledig aansprakelijk wegens verboden advisering door tussenpersoon; geen aanspraak meer op afgewikkelde overeenkomst ex-echtgenote

Rechtspraak (NL/EU) 20 mei 2026, RB 4024; ECLI:NL:RBLIM:2026:5128 ([lessee 1] tegen Dexia), https://www.reclameboek.nl/artikelen/dexia-volledig-aansprakelijk-wegens-verboden-advisering-door-tussenpersoon-geen-aanspraak-meer-op-afgewikkelde-overeenkomst-ex-echtgenote

Rb. Limburg 20 mei 2026, RB 4024; ECLI:NL:RBLIM:2026:5128 ([lessee 1] en Dexia). In deze effectenleasezaak vordert de afnemer schadevergoeding van Dexia naar aanleiding van twee Capital Effect-overeenkomsten uit 1998, waarvan één op naam van zijn inmiddels ex-echtgenote stond en één op zijn eigen naam. De kantonrechter sluit aan bij de vaste Dexia-jurisprudentie en stelt voorop dat sprake is van huurkoop en dat Dexia haar bijzondere zorgplichten heeft geschonden, in elk geval haar waarschuwingsplicht, zodat zij onrechtmatig heeft gehandeld. De andere door de afnemer aangevoerde grondslagen — dwaling, misleidende reclame, misbruik van omstandigheden en vernietigbaarheid op grond van de Wck — leiden niet tot toewijzing. De kantonrechter motiveert dat niet afzonderlijk, maar verwijst naar de vaste rechtspraak over effectenlease en overweegt dat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die een afwijking daarvan rechtvaardigen. De zaak wordt daarom niet beslist op de grond dat Dexia door reclame-uitingen een onjuiste of misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven, maar op de schending van haar zorgplicht en vooral op het contracteren ondanks verboden advisering door een tussenpersoon.

RB 4023

Geen ongeoorloofde vergelijkende reclame bij pleidooi voor brandveiligheidstoetsing op gevelsysteemniveau

Rechtspraak (NL/EU) 12 jun 2026, RB 4023; ECLI:NL:HR:2026:919 (Rockwool tegen Kingspan), https://www.reclameboek.nl/artikelen/geen-ongeoorloofde-vergelijkende-reclame-bij-pleidooi-voor-brandveiligheidstoetsing-op-gevelsysteemniveau

HR 12 juni 2026, IEF 23620; RB 4023; ECLI:NL:HR:2026:919 (Rockwool tegen Kingspan). In dit arrest beoordeelt de Hoge Raad het cassatieberoep van Rockwool tegen het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 24 september 2024 [IEF 22293], voor zover dat betrekking had op opmerkingen van een Kingspan-medewerker tijdens de NEN Studiedagen Brandveiligheid Gevels. Rockwool, producent van steenwolisolatie met Euro-brandklasse A1, stelde dat Kingspan, producent van kunststofisolatie met Euroklasse B of lager, zich met die opmerkingen schuldig had gemaakt aan ongeoorloofde vergelijkende reclame. De Kingspan-medewerker had betoogd dat de brandveiligheid van gevels niet uitsluitend moet worden beoordeeld aan de hand van de brandklasse van afzonderlijke materialen, maar op het niveau van het volledige gevelsysteem. Daarbij wees hij op BS8414-systeemtests waaruit bleek dat een gevelsysteem met materialen met Euroklasse C en B een test kon doorstaan, terwijl een gevelsysteem met materialen met Euroklasse A1 en A2, waaronder Rockwool Duoslab-isolatie, een test had gefaald. Volgens Rockwool werden daarmee producten uit verschillende productgroepen op niet-objectieve wijze vergeleken en testresultaten ten onrechte als gelijkwaardig gepresenteerd. De rechtbank volgde Rockwool op dit punt, maar het hof oordeelde dat de opmerkingen wel vergelijkende reclame in de zin van art. 6:194a BW vormden, omdat zij mede de afzet van Kingspan-producten bevorderden, maar niet ongeoorloofd waren.

RB 4022

Reclameovereenkomst kansspelpromotie: voorinvesteringen zonder terugbetalingsplicht, maar geen aanspraak op resterende termijnen

Rechtspraak (NL/EU) 27 mei 2026, RB 4022; ECLI:NL:RBAMS:2026:5703 (Sagevas tegen FC Afkicken), https://www.reclameboek.nl/artikelen/reclameovereenkomst-kansspelpromotie-voorinvesteringen-zonder-terugbetalingsplicht-maar-geen-aanspraak-op-resterende-termijnen

Rb. Amsterdam 27 mei 2026, IEF 23618; RB 4022; IT 5307; ECLI:NL:RBAMS:2026:5703 (Sagevas tegen FC Afkicken). De Rechtbank Amsterdam oordeelt in deze zaak over de afwikkeling van een exclusieve samenwerkingsovereenkomst tussen Sagevas, exploitant van kansspelaanbieder betFIRST, en sportmediaproducent FC Afkicken. Op grond van die overeenkomst zou FC Afkicken betFIRST exclusief promoten in haar sportmedia, maar de samenwerking is feitelijk niet uitgevoerd nadat gewijzigde wet- en regelgeving voor kansspelreclame de beoogde promotie bemoeilijkte. Sagevas had inmiddels € 420.000 aan FC Afkicken betaald en vorderde terugbetaling, primair omdat de overeenkomst volgens haar rechtsgeldig was ontbonden en de betalingen slechts voorschotten waren op nog te verrichten diensten. Daarnaast stelde Sagevas dat FC Afkicken de exclusiviteitsverplichting had geschonden en daarom een contractuele vergoeding van € 25.000 verschuldigd was. FC Afkicken voerde daartegen aan dat de betalingen geen voorschotten waren, maar voorinvesteringen in de groei van haar kanalen en onderneming, en vorderde in reconventie nog € 150.000 op basis van een niet-ondertekend addendum waarin de totale pre-payment zou zijn verhoogd naar € 570.000. De rechtbank acht zich bevoegd op grond van de forumkeuze voor de Rechtbank Amsterdam en past Nederlands recht toe op basis van de rechtskeuze in de overeenkomst; ook de subsidiaire grondslag van ongerechtvaardigde verrijking wordt wegens nauwe samenhang met de overeenkomst naar Nederlands recht beoordeeld.

RB 4021

Nietigheid van opdracht tot juridische dienstverlening wegens oneerlijk en niet-transparant kostenbeding

Rechtspraak (NL/EU) 11 mrt 2026, RB 4021; ECLI:NL:RBNHO:2026:2941 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://www.reclameboek.nl/artikelen/nietigheid-van-opdracht-tot-juridische-dienstverlening-wegens-oneerlijk-en-niet-transparant-kostenbeding

Rb. Noord-Holland 11 maart 2026, RB 4021; ECLI:NL:RBNHO:2026:2941 ([eiser] tegen [gedaagde]). De Rechtbank Noord-Holland wijst de declaratievordering van een professioneel juridisch dienstverlener tegen een consument volledig af. De dienstverlener had de consument bijgestaan in een arbeidsgeschil en bracht uiteindelijk in totaal € 24.396,78 in rekening, waarvan volgens hem € 20.485,81 onbetaald was gebleven. De kantonrechter toetst de overeenkomst ambtshalve aan Richtlijn 93/13/EEG en artikel 6:233 onder a BW, zoals vereist op grond van het Dexia-arrest. Het kostenbeding, een uurtarief van € 125 en facturering op basis van bestede tijd, wordt wel als kernbeding aangemerkt, maar is niet transparant. Het beding gaf de consument namelijk geen reële mogelijkheid om vooraf de totale kosten bij benadering te ramen: er was geen kostenindicatie, geen raming van het voorzienbare of minimale aantal uren, geen urenplafond en in de praktijk ook geen maandelijkse facturatie waardoor de kostenontwikkeling tijdig zichtbaar werd. Dat is in strijd met de transparantie-eisen die het HvJ EU heeft geformuleerd voor uurtariefbedingen bij juridische dienstverlening aan consumenten.

RB 4019

RCC: Dier & Recht mag kritisch campagne voeren over melkvee-industrie

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 21 mei 2026, RB 4019; 2026/00188 ((Klacht tegen Dier & Recht)), https://www.reclameboek.nl/artikelen/rcc-dier-recht-mag-kritisch-campagne-voeren-over-melkvee-industrie

RCC 21 mei 2026, RB 4019; 2026/00188 (Klacht tegen Dier & Recht). De Reclame Code Commissie heeft een klacht afgewezen tegen diverse uitingen van Dier & Recht over de melkvee- en kalverhouderij. Volgens de Commissie vallen de uitingen binnen de ruime vrijheid van meningsuiting die geldt voor ideële organisaties die deelnemen aan het maatschappelijke debat. Het gaat om uitingen op de website van Dier & Recht en een afbeelding van een melkpak met de tekst “Zuivel veroorzaakt ernstig dierenleed”. Volgens klager werd daarin een onjuist en eenzijdig beeld geschetst van de zuivelsector. Zo zou onvoldoende context zijn gegeven over het verstrekken van biest aan kalveren, de wettelijke regels voor huisvesting en transport van kalveren en de wettelijke normen voor voeding en dierenwelzijn. Ook werd aangevoerd dat individuele situaties ten onrechte werden gepresenteerd als standaardpraktijken binnen de gehele sector. Dier & Recht voerde aan dat de campagne bedoeld is om aandacht te vragen voor volgens haar bestaande problemen binnen de melkvee-industrie. Daarbij benadrukte zij dat de uitingen zijn gebaseerd op feitelijke informatie en dat zij op grond van de vrijheid van meningsuiting een kritische bijdrage mag leveren aan het publieke debat over dierenwelzijn. De Commissie stelt voorop dat het hier niet gaat om commerciële reclame van een handelaar, maar om de aanprijzing van denkbeelden door een ideële organisatie. De door klager ingeroepen bepalingen over oneerlijke en misleidende reclame (artikelen 7, 8.2 en 8.3 NRC) acht de Commissie daarom niet van toepassing; in plaats daarvan geldt artikel 5 NRC. Volgens de Commissie staat het Dier & Recht vrij om haar opvattingen over de melkvee-industrie kenbaar te maken, ook wanneer daarover verschillend kan worden gedacht. Een eenzijdige, confronterende of indringende presentatie is daarbij toegestaan. De toetsing beperkt zich daarom tot de vraag of de grenzen van de vrijheid van meningsuiting zijn overschreden.

RB 4018

RCC wijst klacht af over Jumbo-commercial met ‘Jaderland’-grensbord

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 13 mei 2026, RB 4018; 2026/00225 ((klacht tegen Jumbo)), https://www.reclameboek.nl/artikelen/rcc-wijst-klacht-af-over-jumbo-commercial-met-jaderland-grensbord

RCC 13 mei 2026, RB nummer; 2026/00225 (Klacht tegen Jumbo). In deze zaak over een televisiecommercial van Jumbo heeft de RCC een klacht afgewezen over een scène waarin een bekende Nederlander een sticker met het woord "Ja" op een grensbord van Nederland plakt, waardoor daarop "Jaderland" komt te staan. De Commissie oordeelt dat de commercial niet in strijd is met de Nederlandse Reclame Code In de commercial zegt een bekende Nederlander: "In Nederland zijn we heel goed in wat er allemaal niet kan. Misschien heten we daarom ook wel Nederland. Tijd voor wat meer ja." Tijdens deze tekst loopt hij naar een grensbord van Nederland en plakt hij een sticker met "Ja" over het eerste deel van het woord Nederland. Vervolgens is op het bord de tekst "Jaderland" te zien. Klager stelde dat in de reclame een grensbord wordt beplakt en dat dit volgens de wet strafbaar is. Het tonen van dergelijk gedrag in een reclame-uiting zou volgens klager ongepast zijn, omdat daarmee de indruk wordt gewekt dat dit normaal of acceptabel is. Jumbo voerde aan dat in de commercial geen officieel grensbord is gebruikt, maar een speciaal voor de opnames vervaardigd rekwisiet. Daarnaast waren volgens Jumbo verschillende voorzorgsmaatregelen getroffen om gevaarlijke of hinderlijke situaties voor weggebruikers en crewleden te voorkomen.

RB 4017

KPN krijgt aanbeveling na gebruik van aftelklok bij internetaanbieding

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 13 mei 2026, RB 4017; 2026/00166 ((klacht tegen KPN)), https://www.reclameboek.nl/artikelen/kpn-krijgt-aanbeveling-na-gebruik-van-aftelklok-bij-internetaanbieding

RCC 13 mei 2026, RB 4017; 2026/00166 (KPN). In deze zaak over een online aanbieding van KPN heeft de voorzitter van de Reclame Code Commissie geoordeeld dat een aftelklok op de website van KPN een misleidende indruk van urgentie wekte. De uiting is daarom in strijd met artikel 7 van de Nederlandse Reclame Code (NRC). De klacht richtte zich tegen een aanbieding voor een internetpakket op de website van KPN in het kader van de actie “Snelpakker!”. Bij de aanbieding stond de tekst “Je hebt nog:” in combinatie met een aftelklok. Volgens klager werd hiermee de indruk gewekt dat de actie zou aflopen zodra de timer op nul kwam. Nadat de klok was afgelopen, bleek de actie echter te zijn verlengd en begon de timer opnieuw af te tellen. Hierdoor zou ten onrechte tijdsdruk worden gecreëerd, waardoor consumenten sneller een aankoopbeslissing nemen dan zij anders zouden doen. KPN voerde aan dat de uiting voldeed aan de toepasselijke wet- en regelgeving en aan de Nederlandse Reclame Code. Daarnaast stelde KPN dat zij, zonder daartoe verplicht te zijn, had besloten de uiting aan te passen. Volgens KPN mocht die aanpassing niet worden opgevat als een erkenning dat de oorspronkelijke uiting in strijd was met de regels. De voorzitter stelt vast dat niet ter discussie staat dat de aftelklok na afloop opnieuw is gaan lopen.

RB 4013

Producent aansprakelijk voor claims van Brand Partner op Instagram

toezichthouder 22 apr 2026, RB 4013; 2025/00594/I ((Amare tegen Brand Partner)), https://www.reclameboek.nl/artikelen/producent-aansprakelijk-voor-claims-van-brand-partner-op-instagram

CVB 22 april 2026, RB4013; LS&R 2385; 2025/00594/I (Amare tegen Brand Partner). In deze zaak tussen Amare en een verkoper (Brand Partner) staat de vraag centraal of Amare als producent medeverantwoordelijk is voor een Instagram-uiting waarin voedingssupplementen worden aangeprezen met ontoelaatbare gezondheidsclaims. De zaak draait om een Instagram Story waarin verschillende Amare-producten worden gepromoot met claims over onder meer het verbeteren van het immuunsysteem en het stimuleren van de hersenfunctie. Niet in geschil is dat deze claims in strijd zijn met de Claimsverordening en daarmee met artikel 2 NRC en artikel 5.1 CAG. In beroep ligt uitsluitend de vraag voor of deze overtreding ook aan Amare kan worden toegerekend. Amare betoogt dat de verkoper een zelfstandige wederverkoper is die volledig autonoom haar marketing bepaalt. Volgens Amare ontbreekt een relevante relatie in de zin van de Reclamecode Social Media & Influencer Marketing (RSM), omdat geen sprake is van een opdracht tot het maken van reclame of een vergoeding voor het plaatsen van socialmedia-uitingen.Het College volgt dit betoog niet. Doorslaggevend is dat tussen Amare en de verkoper een doorlopende contractuele relatie bestaat, waarbij de verkoper commissies ontvangt op basis van verkoopprestaties. Deze financiële prikkel stimuleert de verkoop en maakt het inherent aannemelijk dat de verkoper reclame maakt voor de producten van Amare. Het maken van reclame wordt door het College gezien als een direct uitvloeisel van de samenwerking: om meer commissie te verdienen, zal de Brand Partner de producten actief aanprijzen. Daarbij weegt mee dat Amare zelf een eigen commercieel belang heeft bij de door Brand Partners gemaakte reclame-uitingen. Dat de verkoper zelf de inhoud van haar uitingen bepaalt, niet per afzonderlijke uiting wordt betaald en als zelfstandige ondernemer opereert, doet hier volgens het College niet aan af. Er is daarom sprake van een relevante relatie in de zin van de RSM, waardoor Amare als adverteerder wordt aangemerkt.

RB 4020

Hoge Raad laat Dynamic Security van HP in stand: geen misbruik van machtspositie

Rechtspraak (NL/EU) 5 jun 2026, RB 4020; ECLI:NL:HR:2026:847 ((Digital Revolution tegen HP)), https://www.reclameboek.nl/artikelen/hoge-raad-laat-dynamic-security-van-hp-in-stand-geen-misbruik-van-machtspositie

HR 5 juni 2026, IEF 23605; ECLI:NL:HR:2026:847 (Digital Revolution tegen HP). De Hoge Raad heeft in het langlopende geschil tussen Digital Revolution (123inkt) en HP over HP's zogenoemde Dynamic Security-technologie het principale cassatieberoep van Digital Revolution verworpen. Het (deels) voorwaardelijke incidentele cassatieberoep van HP slaagde gedeeltelijk. Het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 november 2024 is vernietigd en de zaak is verwezen naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling. De zaak draaide onder meer om de vraag of HP met Dynamic Security misbruik maakt van een machtspositie op de markt voor printercartridges. Ook stond ter discussie of partijen zich schuldig maakten aan misleidende handelspraktijken en ongeoorloofde vergelijkende reclame. Volgens Digital Revolution belemmert HP via Dynamic Security de concurrentie op de secundaire markt (aftermarket) voor cartridges. Firmware-updates wijzigen regelmatig de beveiligingscode, waardoor bepaalde cartridges van derden, waaronder de huismerkcartridges van Digital Revolution, door de printer worden geweigerd. Volgens Digital Revolution levert dat misbruik van een machtspositie op in strijd met artikel 102 VWEU en artikel 24 Mededingingswet. HP stelde daartegenover dat Dynamic Security namaakcartridges tegengaat, printers beschermt tegen schade en de kwaliteit en veiligheid van het printsysteem bewaakt. De Hoge Raad benadrukt, onder verwijzing naar artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1/2003, dat een partij die een schending van artikel 102 VWEU en artikel 24 Mededingingswet stelt, de relevante economische feiten en omstandigheden moet aanvoeren en bij betwisting moet onderbouwen. Alleen dan ontstaat een voldoende onderbouwd economisch debat tussen partijen. Daarbij moet de relevante markt worden afgebakend aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden. In deze zaak lag het op de weg van Digital Revolution om die feiten en omstandigheden over de gestelde (after)markt voor cartridges aan te voeren. De Hoge Raad volgt het hof in zijn oordeel dat Digital Revolution daarvoor onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd. Digital Revolution voerde aan dat de cartridges voor ieder model HP-printer een afzonderlijke productmarkt vormen. Volgens de Hoge Raad mocht het hof echter oordelen dat deze marktafbakening onvoldoende feitelijk was uitgewerkt. Daarbij speelt ook een rol in hoeverre de concurrentiedruk op de primaire markt voor printers doorwerkt naar de aftermarket voor cartridges.

RB 4016

Bavaria-leeuwenhose: supporters mogen naar binnen, maar grootschalige ambush marketing mag worden verboden

Rechtspraak (NL/EU) 23 nov 2006, RB 4016; ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ3550 (Bavaria en [appellant sub 2] tegen KNVB), https://www.reclameboek.nl/artikelen/bavaria-leeuwenhose-supporters-mogen-naar-binnen-maar-grootschalige-ambush-marketing-mag-worden-verboden

Hof Amsterdam 23 november 2006, IEF 23594; RB 4016; ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ3550 (Bavaria en [appellant sub 2] tegen KNVB). Het Hof Amsterdam bekrachtigt het kortgedingvonnis over de door Bavaria verspreide “leeuwenhose”, een oranje korte broek met Bavaria-logo. De KNVB had bezoekers bij de oefenwedstrijd Nederland-Kameroen verplicht hun leeuwenhose uit te trekken of af te staan voordat zij het stadion mochten betreden. Het hof gaat ervan uit dat de algemene voorwaarden van de KNVB van toepassing waren: bij massale kaartverkoop was terhandstelling redelijkerwijs niet mogelijk en de KNVB had op de toegangsbewijzen voldoende gewezen op de mogelijkheid om de voorwaarden te raadplegen. Het beroep van de bezoeker op vernietiging van die voorwaarden slaagt daarom niet. Tegelijkertijd volgt uit het arrest dat art. 5.3 van die voorwaarden, dat commercieel gebruik van toegangskaarten verbiedt, geen grond bood om bezoekers met een leeuwenhose uit het stadion te weren. De KNVB mag op grond van haar huisrecht wel huisregels stellen, maar kon zich in dit geval niet beroepen op niet vooraf bekendgemaakte huisregels. Omdat de KNVB bovendien had verklaard bezoekers in beginsel niet meer te zullen weigeren enkel omdat zij een leeuwenhose dragen, wijst het hof de bredere toekomstige vordering van de bezoeker en Bavaria tegen de KNVB af.