Algemene voorwaarden onlinecasino’s toepasselijk; cessieverbod kan goederenrechtelijke werking hebben
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 18 augustus 2026, RB 4131; ECLI:NL:OGHACMB:2026:260 (GSP tegen SBGOK). Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie oordeelt in dit vierde tussenvonnis over betalingsvorderingen van spelers en Stichting Belangenbehartiging Gedupeerden Online Kansspelen (SBGOK) tegen Gaming Services Provider N.V. (GSP), vergunninghouder voor verschillende onlinecasino’s. Op de rechtsverhouding is Curaçaos recht van toepassing. Het Hof acht de wijze waarop de algemene voorwaarden bij het openen van een spelersaccount van toepassing werden verklaard in beginsel rechtsgeldig: een speler moest een tickbox aanvinken om een account te kunnen openen en kon via een link van de voorwaarden kennisnemen. Uit artikel 6 lid 1 Landsverordening overeenkomsten langs elektronische weg volgt daarnaast dat de voorwaarden moeten kunnen worden opgeslagen en later weergegeven. Volgens het Hof is voldoende gebleken dat dit mogelijk was. Een afzonderlijke save- of printknop, PDF-downloadlink, tijdstempel, depot ter griffie of toezending per e-mail is niet vereist. Evenmin hoeft het casino te controleren of de speler de voorwaarden daadwerkelijk heeft geopend of gelezen. Het in de algemene voorwaarden voorkomende cessieverbod en het verbod op ‘duplicate accounts’ acht het Hof, gelet op onder meer de risico’s van fraude, witwassen en terrorismefinanciering en de persoonsgebonden aard van spelersaccounts, niet onredelijk bezwarend.
ACM mocht eiproductfabrikanten beboeten voor inkoopkartel; boete één onderneming verder gematigd
CBb 15 september 2026, RB 4130; ECLI:NL:CBB:2026:429 (de ondernemingen tegen ACM). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevestigt dat de ACM terecht boetes heeft opgelegd aan drie eiproductfabrikanten wegens overtreding van artikel 101 lid 1 VWEU en artikel 6 lid 1 Mw. De ondernemingen hadden onderling inkoopprijzen voor kooi- en scharreleieren afgestemd, afspraken gemaakt over welke onderneming bij welke leghenhouder zou inkopen of blijven inkopen en concurrentiegevoelige informatie uitgewisseld. Het College oordeelt dat deze gedragingen, gelet op hun bewoordingen, doelstellingen en juridische en economische context, terecht zijn aangemerkt als onderling afgestemde feitelijke gedragingen met een mededingingsbeperkende strekking. De ACM heeft voldoende onderbouwd dat de ondernemingen een sterke tot zeer sterke positie hadden tegenover leghenhouders, die voor een belangrijk deel van hun afzet van deze afnemers afhankelijk waren en beperkte uitwijkmogelijkheden hadden. Een exacte berekening van de marktaandelen was daarvoor niet vereist en de daadwerkelijke gevolgen van de gedragingen hoefden niet afzonderlijk te worden onderzocht. Ook het beroep op de bagatelvrijstelling en het verweer dat gedraging I niet als één enkele voortdurende overtreding kon worden aangemerkt, slagen niet. De formele bezwaren treffen evenmin doel: van schending van de onschuldpresumptie of functiescheiding binnen de ACM was geen sprake. De hoorplicht was aanvankelijk wel geschonden, maar die schending is volgens het College hersteld doordat de ondernemingen zich in beroep en hoger beroep alsnog voldoende over de gewijzigde marktbenadering konden uitlaten.
Prejudiciële vragen gesteld over producten die gericht zijn op minderjarigen
Prejudiciële vragen gesteld aan HvJEU 30 september 2025, RB 4129; C-638/25 (Lira tegen Budapest Főváros Kormányhivatala) via MinBuza. Het Hongaarse parlement heeft op 15 juni 2021 een wet goedgekeurd, die strengere maatregelen tegen pedofiele delinquenten bevat en bepaalde wetten wijzigt ter bescherming van minderjarigen. De wet wijzigt daarmee ook de wet inzake reclame door het invoeren van een verbod om minderjarigen bloot te stellen aan reclame die op een vrije manier seksualiteit toont of die afwijkingen van geslachtsidentiteit, waaronder homoseksualiteit, promoot of uitbeeldt. Daarnaast stelt een regeringsdecreet dat producten die op minderjarigen zijn gericht en die homoseksualiteit uitbeelden of promoten, alleen in een gesloten verpakking en gescheiden van andere producten mogen worden verkocht. Ook zijn er beperkingen op de plaats van verkoop ten opzichte van onderwijsinstellingen, instellingen voor minderjarigen en kerken. In mei 2023 bood Líra Kiskereskedelmi Kft. (hierna: Líra) in haar winkel in Boedapest enkele publicaties aan waarin homoseksualiteit wordt afgebeeld en die zich richten op jongeren van 14 jaar en ouder. Deze publicaties werden niet in een gesloten verpakking verkocht en niet apart van andere producten. Hierop voerde de overheid een inspectie uit en legde Líra een boete op wegens overtreding van de overheidsdecreet en een bevel om de verkoop van de publicaties in een gesloten verpakking en gescheiden van andere producten te verrichten. Líra betwistte dit besluit en startte een bestuursrechtelijke procedure bij de verwijzende rechter. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de nationale wetgeving inzake het verbod op het blootstellen van minderjarigen aan homoseksualiteit verenigbaar is met het Unierecht.
Dealer geen contractspartij; geen aansprakelijkheid voor gestelde misleidende handelspraktijk rond zwembad
Rb. Overijssel 26 augustus 2026, RB 4128; ECLI:NL:RBOVE:2026:5387 ([eiser] tegen [gedaagde]). Een consument had voor de aankoop en plaatsing van een zwembad twee afzonderlijke overeenkomsten gesloten met een zwembadbouwer: een koopovereenkomst en een overeenkomst van aanneming. Hij stelde dat hij ervan mocht uitgaan dat deze zwembadbouwer namens de Nederlandse dealer/importeur van het zwembadmerk handelde, onder meer omdat hij na zijn keuze voor “totaalbouw” door de dealer naar deze partij was verwezen en op de offertes het logo van het zwembadmerk stond. De rechtbank volgt hem daarin niet. Volgens het Kribbebijter-criterium hangt de vraag of iemand in eigen naam of namens een ander handelt af van wat partijen jegens elkaar hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden. Uit de door de consument aangevoerde omstandigheden volgt niet dat hij mocht aannemen dat de zwembadbouwer als vertegenwoordiger van de dealer optrad. De offertes waren afkomstig van de zwembadbouwer, de koop- en aanneemsommen werden aan hem betaald en de consument richtte zijn klachten aanvankelijk ook tot hem. Daardoor komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of sprake was van schijn van volmachtverlening in de zin van artikel 3:61 lid 2 BW. Omdat de dealer geen partij was bij de overeenkomsten, wordt ook de gevorderde verklaring voor recht dat zij de precontractuele informatieplicht van artikel 6:230m BW heeft geschonden afgewezen.
Aanstaande woensdag: Entertainment & Recht 2026 – schrijf je nu nog in!
Aanstaande woensdag 9 september vindt het seminar Entertainment & Recht 2026 plaats. In één middag word je bijgepraat over de belangrijkste juridische ontwikkelingen in de entertainmentsector. Dagvoorzitters Marijn Kingma (Höcker) en Michiel Odink (Leeway) openen de middag met de Entertainment Top 10. Daarna bespreekt Peter Marx (MVVP) de juridische aspecten van sync, gaat Merel Teunissen (Liaise Advocaten) in op Film & AI en recente ontwikkelingen in het filmrecht en behandelen Janneke Popma (Höcker) en Vera Nederpelt (Dikhoff Van Dongen Advocaten) exploitatiecontracten. De middag wordt afgesloten met een paneldiscussie over muziekcontracten, auteurscontractenrecht, beëindiging en billijke vergoeding.
Er zijn nog enkele plekken beschikbaar, dus wil je erbij zijn? Schrijf je dan nu nog in! Het programma vindt plaats van 12.30 tot 17.15 uur (inloop vanaf 12.00 uur), levert 4 opleidingspunten op en wordt afgesloten met een netwerkborrel.
Rechtbank Amsterdam bevoegd in Google Shopping-schadezaak; Google NL kan als ankergedaagde dienen
Rb. Amsterdam 26 augustus 2026, RB 4125; IT 5497; ECLI:NL:RBAMS:2026:8656 (Dooyoo c.s. tegen Google c.s.). Dooyoo c.s. vordert in de hoofdzaak schadevergoeding van verschillende Nederlandse, Amerikaanse en andere buitenlandse Google-vennootschappen wegens het door de Europese Commissie vastgestelde misbruik van machtspositie door Google bij de bevoordeling van haar eigen prijsvergelijkingsdienst Google Shopping. In dit bevoegdheidsincident staat centraal of de rechtbank Amsterdam ook internationaal bevoegd is ten aanzien van de buitenlandse gedaagden. Voor Google NL en Google NL Holdings volgt de internationale bevoegdheid uit artikel 4 Brussel I-bis, omdat zij in Amsterdam zijn gevestigd. Voor de overige in de Europese Unie gevestigde gedaagden beoordeelt de rechtbank de bevoegdheid aan de hand van artikel 8, punt 1, Brussel I-bis en voor de in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten gevestigde gedaagden aan de hand van artikel 7 lid 1 Rv. Daarbij sluit zij aan bij het arrest van het HvJ van 16 april 2026 in de zaken Stroomkabels en Kartonverpakkingen. In het kader van de bevoegdheidsvraag hoeft nog niet definitief te worden vastgesteld dat de ankergedaagde met de andere Google-vennootschappen één economische eenheid vormt. Een prima facie-beoordeling volstaat: voldoende is dat niet is uitgesloten dat zij tot dezelfde onderneming behoren en dat aannemelijk is dat aan de Sumal-criteria is voldaan. Daarvoor moet onder meer een concreet verband bestaan tussen de economische activiteit van de dochtervennootschap en het voorwerp van de mededingingsinbreuk.
Raad van State stelt prejudiciële vragen over kwalificatie van voedingssupplementen als geneesmiddel naar aandiening
RvS 25 maart 2026, RB 4126; ECLI:NL:RVS:2026:1651 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport e.a. tegen online verkopers van voedingssupplementen). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt zes zaken waarin online verkopers bestuurlijke boetes zijn opgelegd wegens vermeende overtreding van artikel 40 lid 2 en artikel 84 lid 1 Geneesmiddelenwet. De verkopers bieden producten aan die volgens hen voedingssupplementen zijn. Volgens de minister zijn deze producten op de betreffende websites echter zodanig gepresenteerd dat zij als geneesmiddelen naar aandiening moeten worden aangemerkt, onder meer door uitingen over pijn, verkoudheid, gewrichten en bescherming tegen het coronavirus. Omdat voor de producten geen handelsvergunning is verleend, stelt de minister dat zowel het verbod op het te koop aanbieden van een geneesmiddel zonder handelsvergunning als het verbod op reclame voor een dergelijk geneesmiddel is overtreden. In de eerdere procedures hebben de betrokken rechtbanken verschillend geoordeeld over de verhouding tussen de geneesmiddelenregelgeving en de regels voor voedingssupplementen. De Afdeling acht daarom uitleg van het Unierecht noodzakelijk, in het bijzonder van artikel 2 lid 2 Geneesmiddelenrichtlijn in samenhang met de Voedingssupplementenrichtlijn en overweging 7 van Richtlijn 2004/27/EG. Centraal staat de vraag of, wanneer een product duidelijk als voedingssupplement kwalificeert, de Geneesmiddelenrichtlijn buiten toepassing blijft of dat de wijze waarop het product wordt aangediend er toch toe kan leiden dat het als geneesmiddel naar aandiening kwalificeert.
Tijdelijke kortingsactie voor borstvergroting in strijd met CCBA
RCC 10 augustus 2026, RB 4123; 2026/00344 ((klager tegen COCO Clinic #1). In deze zaak staat een Instagram-post voor borstvergrotingen centraal. In de fotocarrousel wordt prominent geadverteerd met “€ 1000,- korting” in juli en augustus. Daarnaast zijn positieve reviews opgenomen en wordt een gratis persoonlijk adviesgesprek aangeboden. De Reclame Code Commissie oordeelt dat de uiting door de sterke nadruk op de tijdelijke korting en positieve ervaringen van anderen niet primair is gericht op goede informatievoorziening en kwaliteit. Daarmee bevordert de reclame het rationeel gebruik van een medische cosmetische behandeling niet en is zij in strijd met artikel 2 CCBA. De klacht over het gebruik van drie tot vijf jaar oude reviews wordt afgewezen, omdat duidelijk wordt vermeld wanneer deze zijn geplaatst. Ook suggereert de uiting volgens de Commissie niet dat een borstvergroting zonder risico is. Wel ontbreekt het verplichte BIG-registratienummer van de behandelend arts of een verwijzing naar een website waar dit nummer kan worden gevonden. Daarmee is ook artikel 5 CCBA geschonden. De Commissie acht de reclame in strijd met artikelen 2 en 5 CCBA en beveelt de adverteerder, voor zover nog nodig, aan niet meer op deze wijze reclame te maken.
NPB Media schiet tijdelijk tekort door slecht zichtbaar reclamebord; huurovereenkomst blijft in stand
Rb. Amsterdam 5 juni 2026, RB 4124; ECLI:NL:RBAMS:2026:8617 (NPB Media tegen gedaagden). NPB Media vordert betaling van openstaande bedragen uit een overeenkomst voor de huur van een reclamebord voor de duur van vijf jaar. Gedaagden betwisten dat een bindende overeenkomst tot stand is gekomen en stellen dat na ondertekening nog toestemming van de andere vennoten nodig was. De kantonrechter volgt dit verweer niet. De zoon van twee van de vennoten was ten tijde van de ondertekening zelf vennoot van de V.O.F. en kon de V.O.F. aan de overeenkomst binden. Uit het ondertekende document blijkt niet dat de gebondenheid afhankelijk was van nadere toestemming van de overige vennoten. Ook mocht NPB Media het reclamebord plaatsen nadat gedaagden niet op het toegestuurde ontwerp hadden gereageerd. Volgens de toepasselijke algemene voorwaarden mocht NPB Media bij het uitblijven van een reactie een reclamebord met standaardgegevens plaatsen. Het verweer dat gedaagden de algemene voorwaarden feitelijk niet hadden gelezen of met NPB Media hadden doorgenomen, slaagt niet. In de door partijen ondertekende overeenkomst staat dat van de algemene voorwaarden kennis is genomen en dat deze onvoorwaardelijk zijn aanvaard. Omdat dit document een onderhandse akte is, levert het tussen partijen dwingend bewijs op van de terhandstelling van de algemene voorwaarden.
Consument maakt volledige retourzending Zara-bestelling voldoende aannemelijk
Rb. Noord-Holland 19 augustus 2026, RB 4122; ECLI:NL:RBNHO:2026:9883 (Alektum tegen [gedaagdee]). In deze zaak staat de vraag centraal of [gedaagde] voldoende heeft aangetoond dat zij haar volledige Zara-bestelling heeft geretourneerd. Alektum vordert betaling van de koopprijs, maar [gedaagde] stelt dat zij alle artikelen heeft teruggestuurd. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] haar volledige retourzending voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Uit het verzendbewijs en de correspondentie met Klarna en Zara blijkt dat zij tijdig heeft geklaagd over de verwerking van haar retour. Dat Zara later nog artikelen heeft teruggevonden, ondersteunt haar standpunt. Omdat Alektum pas ruim vijf jaar later procedeert en de retour onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, komt het bewijsrisico voor haar rekening. De kantonrechter gaat ervan uit dat de volledige bestelling is geretourneerd en wijst de vordering af.














