RB
RB 3967
31 maart 2026
Artikel

Seminar: de Cyberbeveiligingswet op 16 april 2026 met vroegboekkorting

 
RB 3991
31 maart 2026
Uitspraak

Drinkwaternieuwsbrief Dunea geen reclame: klacht niet‑ontvankelijk verklaard

 
RB 3988
31 maart 2026
Uitspraak

Prejudiciële vragen gesteld over inzagerecht van een mededingingsautoriteit

 
RB 3967

Seminar: de Cyberbeveiligingswet op 16 april 2026 met vroegboekkorting

Veel van ons leven en werk speelt zich inmiddels af in de digitale wereld. Tegelijkertijd nemen cyberdreigingen toe, denk aan grote datalekken. Daarmee groeit het belang van goede digitale beveiliging voor bedrijven en publieke instellingen. Om het niveau van cyberbeveiliging binnen de Europese Unie te versterken is de NIS2-richtlijn opgesteld, de opvolger van de eerdere NIS1-richtlijn.

In Nederland wordt deze richtlijn geïmplementeerd via de Cyberbeveiligingswet (Cbw), die naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 in werking treedt. De Cbw vervangt de huidige Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) en introduceert strengere verplichtingen voor organisaties in sectoren met een belangrijk maatschappelijk of economisch gewicht. De wet bevat onder meer regels over risicobeheer, meldplichten bij incidenten, bestuurlijke verantwoordelijkheid en toezicht. Daarnaast speelt de samenwerking met zogeheten Computer Security Incident Response Teams (CSIRT’s) een belangrijke rol bij het detecteren en afhandelen van cyberincidenten.

Tegelijkertijd wordt ook de Critical Entities Resilience Directive (CER-richtlijn) in Nederland geïmplementeerd, via de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Beide wetten zullen naar verwachting gelijktijdig in werking treden en markeren een belangrijke stap in het versterken van de digitale weerbaarheid van vitale sectoren.

RB 3991

Drinkwaternieuwsbrief Dunea geen reclame: klacht niet‑ontvankelijk verklaard

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 24 feb 2026, RB 3991; 2026/00032 (Klager tegen Dunea), https://www.reclameboek.nl/artikelen/drinkwaternieuwsbrief-dunea-geen-reclame-klacht-niet-ontvankelijk-verklaard

RCC 24 februari 2026, RB 3991; 2026/00032 (Klager tegen Dunea). In dit geschil gaat de klacht over een e-mail die drinkwaterbedrijf Dunea aan bestaande klanten heeft gestuurd onder de titel “Dunea klantnieuwsbrief”. In deze nieuwsbrief staat service-informatie over de tariefsverhoging per 1 januari 2026 en het controleren van contactgegevens, maar ook teksten over korter douchen, het opnemen van kraanwater in een noodpakket, en een promotionele beschrijving van de duingebieden en vacatures. De klager vindt dat deze commerciële elementen zó omvangrijk zijn dat de e-mail in overwegende mate een reclamekarakter heeft, en dus onder de Code Reclame via E-mail valt. Omdat klager voor dergelijke reclame geen toestemming heeft gegeven en ook geen recht van verzet is geboden, zou de verzending in strijd zijn met artikel 2 lid 1 onder b Code E-mail. Het feit dat Dunea geen winstdoel nastreeft, neemt volgens klager het aanprijzende karakter niet weg.

RB 3988

Prejudiciële vragen gesteld over inzagerecht van een mededingingsautoriteit

EU 7 nov 2025, RB 3988; C-711/25 (Ryanair DAC en Ryanair Holdings Plc tegen Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (AGCM)), https://www.reclameboek.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-inzagerecht-van-een-mededingingsautoriteit

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJEU 7 november 2025, RB 3988; IT 5161; IEFbe 4162; C/2026/295 (Ryanair DAC en Ryanair Holdings Plc tegen Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (AGCM)) via MinBuza. De Italiaanse mededingingsautoriteit AGCM doet onderzoek naar Ryanair vanwege vermoeden van gedrag dat misbruik van een machtspositie kan opleveren (onder artikel 102 VWEU). De Ierse autoriteit heeft bijstand verleend aan het mededingingsonderzoek, en zij hebben een ‘search warrant’ verkregen voor onderzoek op de kantoren van Ryanair. Ryanair is tegen die beslissing in beroep gegaan, en heeft in februari 2024 bij de AGCM verzocht om inzage in het dossier. Ter discussie staat of artikel 27, lid 2 van verordening 1/2003, dat stelt dat partijen ‘recht hebben tot inzage van het dossier van de Commissie’ ook geldt voor verzoeken die door nationale mededingingsautoriteiten worden ingediend bij andere nationale autoriteiten, krachtens art. 22, lid 1.

RB 3990

Voorlopige voorziening over openbaarmaking Ksa‑boete wegens schending zorgplicht online kansspelaanbieder

Rechtspraak (NL/EU) 18 dec 2025, RB 3990; ECLI:NL:RBDHA:2025:27689 (LeoVegas Gaming PLC, uit Sliema (Malta), verzoekster tegen de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit, de Ksa), https://www.reclameboek.nl/artikelen/voorlopige-voorziening-over-openbaarmaking-ksa-boete-wegens-schending-zorgplicht-online-kansspelaanbieder

Rb Den Haag 18 december 2025, RB 3990; ECLI:NL:RBDHA:2025:27689 (LeoVegas Gaming PLC, uit Sliema (Malta), verzoekster tegen de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit, de Ksa). De zaak betreft een online kansspelaanbieder met vergunning op de Nederlandse markt, die via haar website en app gokspellen aanbiedt en door de Kansspelautoriteit (Ksa) is beboet met €500.000 wegens schending van de zorgplicht ten aanzien van tien spelers in de periode van 7 oktober 2023 tot en met 14 mei 2024. Volgens de Ksa heeft de aanbieder verschillende bepalingen uit de Wet op de kansspelen en lagere regelgeving overtreden, waarna op 1 oktober 2025 een boetebesluit is genomen en op 2 oktober 2025 een besluit om dit boetebesluit op grond van artikel 3.1 Woo openbaar te maken. De aanbieder heeft bezwaar gemaakt tegen zowel het boetebesluit als het openbaarmakingsbesluit en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om het openbaarmakingsbesluit te schorsen tot ten minste zes weken na de beslissing op bezwaar, onder meer met een beroep op bedrijfsgevoelige informatie, toezicht- en controlebelangen en (te verwachten) reputatie- en financiële schade, onderbouwd met een deskundigenrapport. Primair stelde zij dat artikel 3.1 Woo geen voldoende grondslag biedt voor openbaarmaking van bestraffende sancties en dat daarvoor een specifiek regime in de bijzondere wet vereist is. Subsidiair stelde zij dat verschillende weigeringsgronden uit de Woo openbaarmaking in de weg staan, en meer subsidiair dat het besluit in ieder geval niet evident rechtmatig is en daarom voorlopig geschorst moet worden.

RB 3989

Misleidende parkeerinformatie bij Booking.com‑accommodatie ‘Cottage’ in Bristol

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 24 feb 2026, RB 3989; 2026/00015 (Klager tegen Booking.com), https://www.reclameboek.nl/artikelen/misleidende-parkeerinformatie-bij-booking-com-accommodatie-cottage-in-bristol

RCC 24 februari 2026, RB 3989; 2026/00015 (Klager tegen Booking.com). De zaak betreft een reclame-uiting op de website van Booking.com voor de accommodatie “Cottage” in Bristol (VK), waarin staat: “Free parking is available on-site, ensuring convenience for all visitors”. Volgens klager is de informatie over parkeren tegenstrijdig. Op de website van Booking.com wordt “gratis parkeren op het terrein” beloofd, in de boekingsbevestiging staat “gratis openbare parkeergelegenheid nabij” en op de website van de accommodatie zelf wordt vermeld dat langs de weg op 100 meter afstand kan worden geparkeerd. Klager heeft meerdere keren om duidelijkheid gevraagd over de afstand tot de parkeerplek, maar kreeg geen helder antwoord en heeft daarom de niet-restitueerbare boeking binnen twee dagen geannuleerd. Klager stelt dat hem aanvankelijk een terugbetaling in het vooruitzicht was gesteld en begrijpt daarnaast niet hoe een “Room Cancellation Insurance” kan worden aangeboden terwijl tegelijk wordt vermeld dat geen recht op terugbetaling bestaat bij annulering. De verzekeringstussenpersoon (verweerder sub 1) voert aan dat de annuleringsverzekering een regulier verzekeringsproduct is dat bedoeld is om specifieke onvoorziene gebeurtenissen (zoals ziekte of werkloosheid) te dekken en dat vóór aankoop alle relevante productinformatie, polisvoorwaarden en verzekeringskaart beschikbaar zijn, zodat de klant een geïnformeerde keuze kan maken. Booking.com (verweerder sub 2) stelt dat in de boekingsbevestiging duidelijk staat dat het gaat om “gratis openbare parkeergelegenheid nabij” en dat een loopafstand van circa 100 meter daarmee in overeenstemming is; bovendien is de algemene beschrijving inmiddels aangepast naar “Roadside parking”, en benadrukt Booking.com dat zij afhankelijk is van de informatie van de accommodatiehouders en bij signalen over onjuistheden actie onderneemt.

RB 3987

HvJEU: ‘alcoholvrije gin’ verboden als benaming voor alcoholvrije drank

EU 13 nov 2025, RB 3987; ECLI:EU:C:2025:887 (Verband Sozialer Wettbewerb eV tegen PB Vi Goods GmbH), https://www.reclameboek.nl/artikelen/hvjeu-alcoholvrije-gin-verboden-als-benaming-voor-alcoholvrije-drank

Hof van Justitie 13 november 2025, IEF 23401; RB 3947; ECLI:EU:C:2025:887 (Verband Sozialer Wettbewerb eV tegen PB Vi Goods GmbH). Het Hof van Justitie oordeelt dat het op grond van artikel 10 lid 7 van Verordening (EU) 2019/787 verboden is om een alcoholvrije drank aan te duiden als “alcoholvrije gin”. De benaming “gin” is een wettelijke benaming die alleen mag worden gebruikt voor dranken die voldoen aan specifieke productievereisten, waaronder een minimumalcoholpercentage van 37,5% en bereiding met ethylalcohol en jeneverbessen. Het toevoegen van termen als “alcoholvrij” doet aan dit verbod niet af.

RB 3985

Laatste plekken voor het seminar: Consumentenrecht in de Digitale Sector | 2 april 2026

De Europese Commissie werkt aan de Digital Fairness Act (DFA), een nieuwe wet die consumenten beter moet beschermen in de digitale wereld. De nieuwe wet wordt naar verwachting in 2026 door de Comissie gepresenteerd. Tegenwoordig bestellen we (bijna) alles via internet. Iedereen die dat wel eens heeft gedaan, kent de kortingsacties die gegeven worden. Van een countdown-timer tot een rad van fortuin: platforms zetten alles in om consumenten te laten klikken en kopen. De digitale wereld is voor consumenten hierdoor niet altijd overzichtelijk. Ook voor juristen is niet alles helder, vooral op de grijze gebieden. Via deceptive interface design ontstaat er een oneerlijke handelspraktijk. Wat betekent dit voor consumenten, retailers, e-tailers, platforms en influencers als dit wordt vastgesteld? 

Meer weten over de DFA en oneerlijke handelspraktijken? Kom naar ons seminar Consumentenrecht in de digitale sector op donderdag 2 april 2026. We bespreken deze onderwerpen, en meer, samen met Jeroen Schouten en Michelle Seel (Pinsent Masons) op het kantoor van Pinsent Masons in Amsterdam. Er zijn nog enkele plekken beschikbaar.

Bent u erbij? Aanmelden kan alleen deze week nog. 

RB 3986

Prijsdifferentiatie via Google Shopping geen misleidende handelspraktijk

Nederland 12 sep 2025, RB 3986; ECLI:NL:PHR:2025:985 (Digital Revolution tegen Media Concept), https://www.reclameboek.nl/artikelen/prijsdifferentiatie-via-google-shopping-geen-misleidende-handelspraktijk

Parket bij de Hoge Raad 12 september 2025, RB 3986; IT 5157; ECLI:NL:PHR:2025:985 (Digital Revolution tegen Media Concept). De P-G gaat in deze conclusie in op de vraag of prijsverschillen tussen aanbiedingen via Google Shopping en een eigen webshop kunnen worden aangemerkt als misleidende reclame of een oneerlijke handelspraktijk in de zin van het Unierecht. Aanleiding vormt een geschil tussen concurrenten, waarin Media Concept printercartridges via Google Shopping tegen een lagere prijs en met een afnamebeperking aanbood, terwijl op de eigen website een hogere prijs gold zonder die beperking.

RB 3984

HvJEU: "Koop op rekening” is een verkoopbevorderende aanbieding, transparantie vereist

EU 15 mei 2025, RB 3984; ECLI:EU:C:2025:352 (Verbraucherzentrale Hamburg tegen bonprix Handelsgesellschaft mbH), https://www.reclameboek.nl/artikelen/hvjeu-koop-op-rekening-is-een-verkoopbevorderende-aanbieding-transparantie-vereist

HvJ EU 25 mei 2025, RB 3984; IT 5148; ECLI:EU:C:2025:352 (Verbraucherzentrale Hamburg tegen bonprix). In deze prejudiciële procedure staat de vraag centraal of een onlinereclame waarin een bijzondere betalingswijze (koop op rekening) wordt aangeboden, kwalificeert als een verkoopbevorderende aanbieding in de zin van artikel 6, onder c), van Richtlijn 2000/31/EG (e-commercerichtlijn). De Duitse consumentenorganisatie betoogt dat de reclame misleidend is, omdat niet direct wordt vermeld dat gebruik van deze betaalmethode afhankelijk is van een kredietwaardigheidscontrole.

RB 3983

Rechtbank Amsterdam: volledige eliminatie van beide misbruikselementen bepalend voor schadeberekening in Google Shopping-zaak

Rechtspraak (NL/EU) 5 nov 2025, RB 3983; ECLI:NL:RBAMS:2025:8356 (Wolfson tegen Google), https://www.reclameboek.nl/artikelen/rechtbank-amsterdam-volledige-eliminatie-van-beide-misbruikselementen-bepalend-voor-schadeberekening-in-google-shopping-zaak

Rb. Amsterdam 5 november 2025, RB 3983; IT 5146; ECLI:NL:RBAMS:2025:8356 (Wolfson tegen Google). Dit tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam gaat over een follow-on schadeprocedure naar aanleiding van het besluit van de Europese Commissie over misbruik van machtspositie door Google [IT 4618]. De Commissie had vastgesteld dat Google haar eigen productvergelijkingsdienst (Google Shopping) systematisch bevoordeelde ten opzichte van concurrerende diensten. Dit besluit is inmiddels definitief bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarmee de inbreuk en de onrechtmatigheid vaststaan. In deze procedure vordert Wolfson Capital Limited schadevergoeding, gebaseerd op aan haar gecedeerde vorderingen van de productvergelijkers Compare en Kieskeurig. De procedure bevindt zich in de fase van schadebegroting. Centraal staat de vraag welk hypothetisch scenario zonder inbreuk (de counterfactual) moet worden gehanteerd om de schade te bepalen. De kern van het geschil is of bij dit scenario beide elementen van het door de Commissie vastgestelde misbruik moeten worden weggedacht, of slechts één. Het misbruik bestond uit een combinatie van twee praktijken: (i) de prominente en gunstige weergave van Google Shopping in de zoekresultaten en (ii) de minder gunstige rangschikking van concurrerende productvergelijkers door middel van algoritmes. Wolfson stelt dat beide elementen moeten worden geëlimineerd om een reëel beeld te krijgen van de situatie zonder inbreuk. Google betoogt daarentegen dat het volstaat om slechts één element weg te denken, en dat verschillende alternatieve scenario’s denkbaar zijn waarin haar gedrag deels gehandhaafd blijft.