RB
RB 4038
30 juni 2026
Uitspraak

HvJ EU: misleidende voedselinformatie kan ook onder Richtlijn oneerlijke handelspraktijken vallen

 
RB 4037
30 juni 2026
Uitspraak

HvJ EU: variabele verwerkingskosten hoeven niet in verkoopprijs te worden opgenomen

 
RB 4036
28 juni 2026
Uitspraak

HvJ EU zet streep door Hongaarse prijs- en voorraadverplichtingen voor grote supermarkten

 
RB 4038

HvJ EU: misleidende voedselinformatie kan ook onder Richtlijn oneerlijke handelspraktijken vallen

EU 30 jun 2026,, RB 4038; ECLI:EU:C:2026:357 (Lidl tegen AGCM), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-misleidende-voedselinformatie-kan-ook-onder-richtlijn-oneerlijke-handelspraktijken-vallen

HvJ EU 30 april 2026, RB 4038; LS&R 2406; ECLI:EU:C:2026:357 (Lidl tegen AGCM). In deze zaak tussen Lidl Italia en de Italiaanse mededingings- en consumentenautoriteit (AGCM) staat de vraag centraal of een handelaar voor een misleidende voedselinformatiepraktijk zowel kan worden aangesproken op grond van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (Richtlijn 2005/29/EG) als op grond van Verordening (EU) nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. Het Hof oordeelt dat beide regelingen naast elkaar kunnen worden toegepast, omdat zij elkaar aanvullen en niet met elkaar in conflict zijn. Aanleiding voor het geschil vormt een bestuurlijke boete van € 1 miljoen die de AGCM aan Lidl Italia heeft opgelegd wegens de verkoop van verschillende pastaproducten. Op de verpakking werd de Italiaanse herkomst van de pasta benadrukt en vermeld dat de tarwe in Italië was gemalen, terwijl de gebruikte durumtarwe afkomstig was uit een mengsel van tarwe uit de EU en van buiten de EU. Volgens de AGCM kon de verpakking bij consumenten de indruk wekken dat ook de grondstof volledig van Italiaanse oorsprong was. Omdat de buitenlandse herkomst van de gebruikte tarwe niet op een vergelijkbare wijze onder de aandacht werd gebracht, achtte de AGCM de verstrekte informatie onvolledig en misleidend ten aanzien van een wezenlijk kenmerk van het product, namelijk de herkomst van de grondstof. Bij de vaststelling van de boete woog de AGCM mee dat miljoenen verpakkingen waren verkocht en dat de praktijk meerdere jaren had voortgeduurd. Lidl betoogt dat uitsluitend Verordening (EU) nr. 1169/2011 van toepassing is op voedselinformatie en dat daarom geen sanctie mocht worden opgelegd op grond van de nationale regels waarmee de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken is omgezet. De verwijzende rechter vraagt het Hof daarom of artikel 3, lid 4, van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken eraan in de weg staat dat dezelfde gedraging onder beide regelingen wordt gesanctioneerd. Het Hof stelt voorop dat de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken een algemene regeling bevat voor oneerlijke handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met de verkoop en promotie van producten aan consumenten. Misleidende handelspraktijken omvatten onder meer situaties waarin de gemiddelde consument door de presentatie van informatie wordt misleid over essentiële kenmerken van een product, zoals de samenstelling of geografische herkomst, en daardoor een aankoopbeslissing neemt die hij anders niet zou hebben genomen.

RB 4037

HvJ EU: variabele verwerkingskosten hoeven niet in verkoopprijs te worden opgenomen

EU 30 jun 2026,, RB 4037; ECLI:EU:C:2026:256 (Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände tegen JV), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-variabele-verwerkingskosten-hoeven-niet-in-verkoopprijs-te-worden-opgenomen

HvJEU 26 maart 2026, RB 4037; ECLI:EU:C:2026:256 (Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände tegen JV). In deze zaak tussen het Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände (BV) en exploitant van een webwinkel JZ staat de vraag centraal of forfaitaire verwerkingskosten die alleen verschuldigd zijn wanneer de totale waarde van een bestelling onder een minimumbedrag blijft, moeten worden opgenomen in de verkoopprijs van een product in de zin van de Prijsaanduidingsrichtlijn (Richtlijn 98/6/EG). Het Hof oordeelt dat dit niet het geval is, mits deze kosten duidelijk afzonderlijk worden vermeld en de drempel niet zodanig is vastgesteld dat betaling van de kosten in de praktijk onvermijdelijk is. Het Hof legt artikel 2, onder a), van Richtlijn 98/6/EG uit in het licht van zijn eerdere rechtspraak over onvermijdbare en voorzienbare prijsbestanddelen. Daarbij sluit het aan bij de lijn dat alle prijsbestanddelen die noodzakelijkerwijs en voorzienbaar ten laste van de consument komen, in de verkoopprijs moeten zijn opgenomen. JZ bood via zijn webwinkel stofzuigerzakken aan voor € 14,90. Op de productpagina werd vermeld dat de prijs exclusief bijkomende kosten was. Via een afzonderlijke pagina werd toegelicht dat bij bestellingen met een waarde onder € 29 forfaitaire verwerkingskosten van € 3,95 of € 9 in rekening konden worden gebracht, afhankelijk van de totale bestelwaarde. Pas nadat een product aan het winkelmandje was toegevoegd, werden deze kosten zichtbaar indien zij verschuldigd waren. De Duitse consumentenorganisatie BV stelde dat deze werkwijze misleidend was en voerde aan dat de verwerkingskosten onderdeel uitmaken van de verkoopprijs die op grond van Richtlijn 98/6 aan consumenten moet worden getoond. Nadat de rechter in eerste aanleg de vordering had toegewezen en het hof in hoger beroep deze had afgewezen, legde het Bundesgerichtshof een prejudiciële vraag voor aan het Hof van Justitie. Het Hof stelt voorop dat de verkoopprijs in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 98/6 de uiteindelijke prijs is die alle onvermijdbare en voorzienbare prijsbestanddelen omvat die verplicht voor rekening van de consument komen. Dat volgt uit de rechtspraak waarin is geoordeeld dat consumenten direct moeten kunnen beschikken over duidelijke en volledige prijsinformatie om producten eenvoudig te kunnen vergelijken en een weloverwogen aankoopbeslissing te nemen. Volgens het Hof voldoen de in deze zaak aan de orde zijnde verwerkingskosten niet aan dat criterium.

RB 4036

HvJ EU zet streep door Hongaarse prijs- en voorraadverplichtingen voor grote supermarkten

Rechtspraak (NL/EU) 29 jun 2026,, RB 4036; ECLI:EU:C:2026:495 (Penny Market Kft. tegen Komárom-Esztergom Vármegyei Kormányhivatal), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-zet-streep-door-hongaarse-prijs-en-voorraadverplichtingen-voor-grote-supermarkten

HvJ EU 18 juni 2026, RB 4036; ECLI:EU:C:2026:495 (Penny Market Kft. tegen Komárom-Esztergom Vármegyei Kormányhivatal). In deze zaak tussen Penny Market Kft. [verzoekster] en de Komárom-Esztergom Vármegyei Kormányhivatal [verweerder] staat de vraag centraal of een Hongaarse noodmaatregel die grote supermarkten verplicht om bepaalde levensmiddelen met korting aan te bieden en daarvan minimale voorraden aan te houden, verenigbaar is met het Unierecht. Het Hof van Justitie oordeelt dat zowel de Gemeenschappelijke Marktordening voor landbouwproducten als de Dienstenrichtlijn zich tegen een dergelijke regeling verzetten. Aanleiding voor het geschil vormt een Hongaarse regeling die in 2023 werd ingevoerd naar aanleiding van de hoge voedselinflatie als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Op grond van deze regeling moesten levensmiddelen-detailhandelaren met een jaaromzet van meer dan ongeveer € 2,5 miljoen gedurende een bepaalde periode voor iedere aangewezen productcategorie ten minste één product aanbieden tegen een prijs die minimaal 15% lager lag dan de laagste prijs van de voorafgaande dertig dagen. Daarnaast moesten zij gedurende de actieperiode steeds beschikken over een minimale hoeveelheid van deze producten, gebaseerd op de gemiddelde dagelijkse verkoop in 2022. Bij overtreding konden bestuurlijke boetes worden opgelegd. Tijdens een controle stelde de Hongaarse autoriteit vast dat in een winkel van Penny Market geen appels en geen mineraalwater of frisdranken in de winkelruimte beschikbaar waren. Hoewel deze producten wel op voorraad waren, waren zij op het moment van de controle niet te koop aangeboden. De autoriteit legde daarop een boete van vier miljoen Hongaarse forint op wegens overtreding van de voorraadverplichting. Penny Market vocht deze sanctie aan en stelde onder meer dat de verkoop over de gehele dag had moeten worden beoordeeld en dat voor frisdranken voldoende vervangende producten beschikbaar waren. De verwijzende rechter vroeg het Hof van Justitie vervolgens of de Hongaarse regeling verenigbaar is met het Unierecht. Het Hof bespreekt eerst de verhouding tot de Gemeenschappelijke Marktordening voor landbouwproducten. Daarbij sluit het expliciet aan bij de eerdere rechtspraak in de zaak SPAR Magyarország over vergelijkbare Hongaarse prijsmaatregelen.

RB 4035

Rb Amsterdam: journalistieke publicaties over Ozempic en Wegovy zijn verboden publieksreclame

Rechtspraak (NL/EU) 29 jun 2026,, RB 4035; ECLI:NL:RBAMS:2026:5160 ((DPG Media tegen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-journalistieke-publicaties-over-ozempic-en-wegovy-zijn-verboden-publieksreclame

Rb. Amsterdam 10 april 2026, RB 4035; LS&R 2404; ECLI:NL:RBAMS:2026:5160 (DPG Media tegen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport).  In deze zaak tussen DPG Media B.V. [eiseres] en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport [verweerder] staat de vraag centraal of [verweerder] aan [eiseres] terecht twee bestuurlijke boetes heeft opgelegd wegens publieksreclame voor de receptgeneesmiddelen Ozempic en Wegovy. Volgens [verweerder] bevatten een publicatie in Flair en een online artikel van De Stentor verboden publieksreclame voor receptgeneesmiddelen en was de verstrekte informatie bovendien niet in overeenstemming met de officiële productkenmerken van de geneesmiddelen. [eiseres] betoogt dat sprake is van journalistieke berichtgeving die bedoeld is om het publiek te informeren over een maatschappelijk relevant onderwerp en niet van reclame. Aanleiding voor de procedure vormden twee onderzoeken van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd naar een artikel in de zomereditie van Flair over Ozempic en een online publicatie van De Stentor over Ozempic en Wegovy. De inspectie stelde vast dat beide publicaties in strijd waren met artikel 85 Geneesmiddelenwet, dat publieksreclame voor receptgeneesmiddelen verbiedt, en met artikel 84 lid 2 Geneesmiddelenwet, omdat de verstrekte informatie niet overeenkwam met de samenvatting van de productkenmerken. [verweerder] legde daarop twee bestuurlijke boetes op van in totaal € 48.450, op grond van artikel 101 Geneesmiddelenwet en de Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2019, waarin normbedragen van € 150.000 per overtreding zijn vastgesteld. Hoewel de beleidsregels uitgaan van aanzienlijk hogere normbedragen, werden de boetes met 80% gematigd vanwege de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting. De rechtbank stelt voorop dat het begrip reclame voor geneesmiddelen ruim moet worden uitgelegd. Doorslaggevend is niet of een publicatie objectieve informatie bevat of vanuit journalistieke motieven is geschreven, maar of de boodschap kennelijk tot doel heeft het voorschrijven of gebruik van een geneesmiddel te bevorderen. De rechtbank verwijst daarbij naar de wettelijke definities van reclame en publieksreclame in de Geneesmiddelenwet en naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Hof van Justitie van de Europese Unie (Merckle) over het ruime reclamebegrip in het licht van Richtlijn 2001/83/EG. Ten aanzien van de Flair-publicatie oordeelt de rechtbank dat de gekozen invalshoek – drie vrouwen die vertellen hoeveel gewicht zij dankzij Ozempic verloren – en de prominente koppen als "Wondermiddel" en "Voor mij is het een WONDERMIDDEL" een duidelijk wervend karakter hebben. Hoewel ook wordt vermeld dat Ozempic oorspronkelijk is ontwikkeld voor diabetes en dat bijwerkingen kunnen optreden, overheerst volgens de rechtbank een vrijwel uitsluitend positieve presentatie van het middel. Dat [eiseres] stelt een maatschappelijk debat te hebben willen voeren, doet volgens de rechtbank niet af aan het effect dat de publicatie op lezers kan hebben. Ook het ontbreken van een commercieel belang bij de verkoop van Ozempic maakt niet dat geen sprake is van reclame.

RB 3958

Volg deLex op LinkedIn

Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.

Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.

Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.

Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.

Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.

RB 4033

CvB: tijdelijke abonnementsprijs zonder einddatum is misleidend

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 1 jun 2026,, RB 4033; 2026/00236 ((Donald Duck abonnementsmail)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/cvb-tijdelijke-abonnementsprijs-zonder-einddatum-is-misleidend

CvB 1 juni 2026, RB 4033; 2026/00236 (Donald Duck abbonnement). In deze zaak staat de vraag centraal of een reclame-uiting voor een abonnement op Donald Duck voldoende duidelijk maakt dat het geadverteerde maandbedrag slechts tijdelijk geldt. De voorzitter van de Reclame Code Commissie oordeelt dat dit niet het geval is. Omdat niet direct uit de e-mail blijkt dat het maandtarief van € 7,95 slechts gedurende zes maanden geldt en daarna stijgt naar € 12,78 per maand, is sprake van een misleidende omissie in de zin van artikel 8.3 onder c NRC en daarmee van oneerlijke reclame als bedoeld in artikel 7 NRC. De klacht heeft betrekking op een aan klager gerichte e-mail van 12 maart 2026. In de uiting wordt Donald Duck aangeprezen met de tekst: "Nu voor maar 7,95 per maand". Verder wordt gesproken van een tijdelijke lentekorting van 60% en wordt benadrukt dat het abonnement altijd opzegbaar is. De e-mail vermeldt echter niet dat het genoemde maandbedrag slechts gedurende de eerste zes maanden geldt. Pas nadat klager het abonnement had afgesloten en de bevestigingsmail ontving, bleek dat daarna een bedrag van € 12,78 per maand verschuldigd is. Volgens klager is de reclame daarom misleidend. Hij stelt dat nergens duidelijk wordt gemaakt dat sprake is van een tijdelijk actietarief en dat hij het abonnement niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben afgesloten indien hij vooraf van de prijsstijging op de hoogte was geweest. De adverteerder voert aan dat de gemiddelde consument begrijpt dat een tijdelijke korting ook een tijdelijk tarief betekent. Bovendien zou tijdens het bestelproces expliciet worden vermeld dat het actietarief van € 7,95 gedurende de eerste zes maanden geldt en daarna een hoger bedrag verschuldigd is.

RB 4031

Misleidende omissie bij voorbeeldhotel in pakketreis: College bevestigt oordeel tegen ANWB

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 11 jun 2026,, RB 4031; 2026/00107 ((ANWB pakketreis Noorwegen)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/misleidende-omissie-bij-voorbeeldhotel-in-pakketreis-college-bevestigt-oordeel-tegen-anwb

CvB 11 juni 2026, RB 4031; 2026/00107 (ANWB pakketreis Noorwegen). In deze zaak tussen ANWB en een consument staat de vraag centraal of ANWB voldoende duidelijk heeft gemaakt dat bij een pakketreis naar Noord-Noorwegen nog niet vaststaat in welk hotel de reiziger in Tromsø zal verblijven. Het College van Beroep bevestigt het eerdere oordeel van de Reclame Code Commissie dat daarvan geen sprake is. Volgens het College krijgt de gemiddelde consument tijdens het boekingsproces juist de indruk dat hij een verblijf in het specifiek genoemde hotel boekt, terwijl de reisorganisatie pas later bepaalt in welk hotel de reiziger daadwerkelijk wordt ondergebracht. Het College kwalificeert dit als het niet (voldoende tijdig en duidelijk) verstrekken van essentiële informatie in de zin van artikel 8.3 aanhef en onder c NRC, hetgeen leidt tot een misleidende omissie en daarmee een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 7 NRC. De zaak betreft de aanbieding van de pakketreis "Wintervakantie Tromsø, Noordkaap en Kirkenes" op de website van ANWB. Op de productpagina wordt vermeld dat reizigers tijdens de eerste dagen verblijven in het Clarion Hotel The Edge of in het Scandic Grand Tromsø Hotel. Daarnaast staat onder het tabblad "Verblijf" dat de getoonde accommodaties onder voorbehoud zijn en dat mogelijk een gelijkwaardig hotel wordt toegewezen. Ook worden zowel het Clarion Hotel The Edge als het Quality Hotel Grand Tromsø getoond. Wanneer de consument vervolgens een reisdatum kiest en het boekingsproces start, verandert de informatievoorziening echter. Op de eerste boekingspagina verschijnt uitsluitend het Clarion Hotel The Edge. Bij het dagprogramma voor "Dag 1 t/m 4 – Tromsø" wordt alleen dit hotel genoemd en getoond, inclusief een afbeelding van een hotelkamer. Ook in de prijsspecificatie aan de rechterzijde van de pagina staat expliciet "1x Clarion Hotel The Edge – Tweepersoonskamer" als onderdeel van het pakket. Nadat de consument zijn persoonsgegevens heeft ingevuld, wordt dit hotel opnieuw in de prijsspecificatie genoemd. De consument verbleef uiteindelijk niet in het Clarion Hotel The Edge, maar in het Quality Hotel Grand Tromsø. Volgens hem was de reclame-uiting daarom misleidend. Als vooraf duidelijk was geweest dat een ander hotel kon worden toegewezen, zou hij daar vóór het boeken navraag naar hebben gedaan. ANWB voerde aan dat bij rondreizen gebruikelijk is dat hotels onder voorbehoud van beschikbaarheid worden aangeboden en dat de gemiddelde consument bekend is met zogenoemde voorbeeldhotels. Daarnaast wees ANWB erop dat het voorbehoud op meerdere plaatsen wordt genoemd: op de productpagina, onder het kopje "Belangrijke informatie" tijdens het boekingsproces, in de aanvullende voorwaarden, op de boekingsbevestiging, de factuur en uiteindelijk in de reisbescheiden. Volgens ANWB gaat het bovendien om een gelijkwaardig viersterrenhotel, zodat de economische waarde van de reis niet verandert.

RB 4032

Artikel geschreven door Bente van Kan & Machteld Robichon & Lucas de Vet & Sophie Mostert, Bureau Brandeis.

Uitvoeringswet Verordening politieke reclame: hoe wordt het toezicht op de Verordening politieke reclame vormgegeven en krijgt het begrip politieke reclame invulling?

Bente van Kan & Machteld Robichon & Lucas de Vet & Sophie Mostert, 3 juni 2026.

Op 13 april jl. is het wetsvoorstel voor de Uitvoeringswet verordening transparantie en gerichte politieke reclame (“Uitvoeringswet”) aangeboden aan de Tweede Kamer. De Uitvoeringswet regelt de nationale uitvoering van de Verordening (EU) 2024/900 betreffende transparantie en gerichte politieke reclame (“VPR”), die sinds 10 oktober 2025 al van kracht is. In deze blog bespreken we wat de Uitvoeringswet toevoegt aan de reeds geldende verplichtingen uit de VPR en hoe het toezicht hierop is ingericht.

RB 4030

Artikel geschreven door Anthony Tang, ICTRecht.

Einde van de soft opt-in: telemarketing vanaf 1 juli 2026 alleen nog met toestemming

Anthony Tang, 15 juni 2026.

Wie kent ze niet: de telefoontjes van een energieleverancier, telecomprovider of verzekeraar waarbij je je afvraagt hoe ze ook alweer aan je nummer kwamen. Het antwoord was tot nu toe vaak: "u bent klant bij ons geweest." Op grond van een bestaande klantrelatie mogen bedrijven hun (oud-)klanten namelijk telefonisch benaderen voor soortgelijke producten of diensten, de zogeheten soft opt-in. Aan die praktijk komt per 1 juli 2026 een einde. Vanaf dat moment is voor telemarketing aan consumenten expliciete, aantoonbare toestemming vereist. In dit blog zetten we de wijziging van artikel 11.7 Telecommunicatiewet (Tw) op een rij en geven we praktische handvatten om je organisatie tijdig compliant te krijgen.

RB 4027

Artikel geschreven door Puck Koster, Clairfort

De juridische aspecten van foodfluencing en contentcreatie

Puck Koster, 1 juni 2026

De juridische aspecten van foodfluencing en contentcreatie

Foodfluencers (influencers wiens content gericht is op voedsel) zijn populair. Dagelijks verschijnen er op platforms als Instagram en TikTok nieuwe recepten, zorgvuldig opgemaakte borden en korte kookvideo’s die duizenden of zelfs miljoenen kijkers bereiken. In deze blog nemen we je mee met de mogelijke juridische issues die gepaard gaan met het maken van dergelijke content.

Er zijn verschillende aspecten waarmee rekening gehouden dient te worden, die juridisch gezien elk hun eigen aandachtspunten kennen. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijke bescherming van een recept, de (auteurs)rechten op video’s en foto’s, en de vraag wie welke rechten heeft wanneer er wordt samengewerkt met anderen. Ook zullen we kort ingaan op de regels rondom reclame en transparantie, zoals het duidelijk vermelden van samenwerkingen en betaalde promoties.