RB
DOSSIERS
Alle dossiers

Geneesmiddelen/medische hulpmiddelen  

RB 4044

A-G HvJ EU: algemene meldplicht voor import van voedingssupplementen strijdig met Unierecht

EU 7 jul 2026,, RB 4044; ECLI:EU:C:2025:1004 (PRAGON s.r.o. tegen Státní zemědělská a potravinářská inspekce, Inspektorát v Praze), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/a-g-hvj-eu-algemene-meldplicht-voor-import-van-voedingssupplementen-strijdig-met-unierecht

HvJ EU 18 december 2025, RB 4044; LS&R 2409; ECLI:EU:C:2025:1004 (PRAGON s.r.o. tegen Státní zemědělská a potravinářská inspekce, Inspektorát v Praze). In deze zaak tussen PRAGON s.r.o. en de Tsjechische landbouw- en voedselinspectie staat de vraag centraal of een nationale regeling die importeurs van voedingssupplementen verplicht de bevoegde autoriteiten ten minste 24 uur vóór aankomst van de producten vanuit een andere lidstaat daarvan op de hoogte te stellen, verenigbaar is met Unierecht. De advocaat-generaal bespreekt met name de verhouding tussen het vrije verkeer van goederen en de volledig geharmoniseerde regels voor officiële controles op levensmiddelen in Verordening (EU) 2017/625. Volgens de conclusie verzet die verordening zich tegen een algemene en voortdurende meldplicht voor een gehele categorie levensmiddelen, zoals voedingssupplementen. PRAGON importeert voedingssupplementen uit andere lidstaten en verkoopt deze online en via fysieke winkels. Op grond van Tsjechische regelgeving moet iedere ontvangst van bepaalde levensmiddelen uit een andere lidstaat of uit een derde land uiterlijk 24 uur vóór aankomst worden gemeld aan de nationale voedselautoriteit. Daarbij moeten onder meer gegevens worden verstrekt over het soort product, de hoeveelheid, de herkomst, de ontvanger en het verwachte tijdstip van aankomst. PRAGON stelde dat deze verplichting ertoe leidt dat producten niet direct kunnen worden geleverd en daardoor een niet-tarifaire handelsbelemmering vormt. Bovendien geldt een dergelijke meldplicht niet voor vergelijkbare producten die zich reeds op Tsjechisch grondgebied bevinden, waardoor ingevoerde producten volgens PRAGON ongunstiger worden behandeld. De verwijzende Tsjechische rechter vraagt zich af of deze systematische meldplicht verenigbaar is met artikel 9 lid 7 van Verordening (EU) 2017/625. Daarbij wijst hij erop dat de regeling niet alleen extra administratieve lasten en kosten veroorzaakt, maar ook producenten en distributeurs kan ontmoedigen om voedingssupplementen op de Tsjechische markt aan te bieden. Daarnaast twijfelt de verwijzende rechter of een algemene meldplicht voor alle voedingssupplementen wel evenredig is, nu de risico's binnen deze productcategorie sterk uiteenlopen. De advocaat-generaal stelt allereerst vast dat de zaak moet worden beoordeeld aan de hand van Verordening (EU) 2017/625 en niet rechtstreeks aan de artikelen 34 en 36 VWEU. Volgens vaste rechtspraak worden nationale maatregelen immers uitsluitend getoetst aan de toepasselijke harmonisatieregels wanneer een terrein volledig door Unierecht is geharmoniseerd. De verordening vormt volgens de advocaat-generaal een volledig geharmoniseerd kader voor de organisatie van officiële controles op levensmiddelen. De nationale meldplicht moet daarom worden beoordeeld aan artikel 9 lid 7 van die verordening. Vervolgens bespreekt de advocaat-generaal de betekenis van artikel 9 lid 7. Uit de tekst, de systematiek en de doelstellingen van de verordening leidt hij af dat voorafgaande melding van goederen uit een andere lidstaat slechts bij uitzondering mag worden verlangd.

RB 4042

RCC: Facebook-advertenties met prikpen zijn verboden publieksreclame

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 6 jul 2026,, RB 4042; 2026/00002 (klacht tegen Wellis Health), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rcc-facebook-advertenties-met-prikpen-zijn-verboden-publieksreclame

RCC 10 maart 2026, RB 4042; 2026/00002 (klacht tegen Wellis Health). In deze zaak tussen klager en Wellis Health staat de vraag centraal of Wellis Health met Facebook-advertenties voor een behandeling tegen overgewicht verboden publieksreclame maakt voor receptgeneesmiddelen. De Reclame Code Commissie oordeelt dat vier van de vijf reclame-uitingen in strijd zijn met artikel 85 van de Geneesmiddelenwet, de Code Publieksreclame voor Geneesmiddelen (CPG) en de Nederlandse Reclame Code. De overige klachten wijst de Commissie af. De bestreden advertenties bevatten onder meer de teksten "Gewichtsverlies op maat", "Wetenschappelijk onderbouwd gewichtsverlies" en "Gratis ondersteuning door artsen en voedingsdeskundigen". In vier advertenties is daarnaast een prikpen prominent afgebeeld. Volgens klager gaat het om publieksreclame voor receptgeneesmiddelen en wekken de advertenties ten onrechte de indruk dat sprake is van medisch toezicht. Wellis Health voert aan dat zij geen geneesmiddelen promoot, maar een breder medisch behandeltraject waarin medicatie slechts één onderdeel vormt. De Commissie oordeelt dat de vier advertenties met een prikpen wel degelijk reclame maken voor een receptgeneesmiddel. Hoewel de advertenties ook verwijzen naar begeleiding door artsen en voedingsdeskundigen, staat de prikpen telkens centraal in beeld en trekt deze de aandacht van de consument. In drie advertenties is bovendien te zien hoe de prikpen wordt gebruikt om medicatie toe te dienen.

RB 4039

Verpakking van gevaarlijke stoffen mag niet lijken op voedselverpakking, ook niet bij een klein gezondheidsrisico

buitenland 2 jul 2026,, RB 4039; ECLI:EU:C:2026:508 (Orkla Care AB tegen Kemikalieinspektionen), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/verpakking-van-gevaarlijke-stoffen-mag-niet-lijken-op-voedselverpakking-ook-niet-bij-een-klein-gezondheidsrisico

AG Szpunar 18 juni 2026, LS&R 2407; RB 4039; ECLI:EU:C:2026:508 (Orkla Care AB tegen Kemikalieinspektionen). In deze prejudiciële procedure tussen Orkla Care AB en de Zweedse Kemikalieinspektionen staat de uitleg centraal van artikel 35 lid 2 van de CLP-verordening. Aanleiding vormt een geschil over de verpakking van vloeibare wasmiddelen van Orkla Care, die volgens de Zweedse toezichthouder te veel lijkt op verpakkingen van voedingsmiddelen. De verwijzende rechter vraagt het Hof van Justitie onder meer welke beoordelingscriteria gelden bij de beoordeling of een verpakking consumenten kan misleiden, welk referentiekader daarbij moet worden gehanteerd en of rekening moet worden gehouden met de ernst van het gezondheidsrisico van de stof. Advocaat-generaal Szpunar concludeert dat de CLP-verordening een ruime bescherming van de volksgezondheid beoogt en dat verpakkingen van gevaarlijke stoffen geen gelijkenis mogen vertonen met voedselverpakkingen waardoor consumenten deze met elkaar kunnen verwarren. Orkla Care brengt vloeibare wasmiddelen op de markt in langwerpige kartonnen verpakkingen met een vierkante bodem, een gevouwen bovenzijde en een schroefdop. Nadat consumenten hadden gemeld dat deze verpakkingen deden denken aan drank- en zuivelverpakkingen, onderzocht de Zweedse toezichthouder of de verpakking voldeed aan artikel 35 lid 2 CLP. Daarbij werd niet alleen gewezen op de vorm van de verpakking, maar ook op de kleurstelling en een label waarop stond vermeld dat het product "vegan" is. Volgens de toezichthouder konden consumenten de verpakking daardoor aanzien voor een levensmiddel. Orkla Care werd daarom verboden de producten nog langer in deze verpakking op de markt te brengen. De nationale rechter stelde vervolgens meerdere prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. De advocaat-generaal stelt voorop dat de beoordeling of een verpakking lijkt op die van een levensmiddel steeds per geval moet plaatsvinden, maar wel aan de hand van uniforme Unierechtelijke criteria. Daarbij moeten alle waarneembare kenmerken van de verpakking worden betrokken, waaronder de vorm, afmetingen, inhoud, gebruikte materialen, ontwerp, etikettering, kleur en zelfs geur. De beoordeling mag zich dus niet beperken tot één afzonderlijk element van de verpakking, maar moet uitgaan van de totaalindruk die deze wekt.

RB 4035

Rb Amsterdam: journalistieke publicaties over Ozempic en Wegovy zijn verboden publieksreclame

Rechtspraak (NL/EU) 29 jun 2026,, RB 4035; ECLI:NL:RBAMS:2026:5160 ((DPG Media tegen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-journalistieke-publicaties-over-ozempic-en-wegovy-zijn-verboden-publieksreclame

Rb. Amsterdam 10 april 2026, RB 4035; LS&R 2404; ECLI:NL:RBAMS:2026:5160 (DPG Media tegen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport).  In deze zaak tussen DPG Media B.V. [eiseres] en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport [verweerder] staat de vraag centraal of [verweerder] aan [eiseres] terecht twee bestuurlijke boetes heeft opgelegd wegens publieksreclame voor de receptgeneesmiddelen Ozempic en Wegovy. Volgens [verweerder] bevatten een publicatie in Flair en een online artikel van De Stentor verboden publieksreclame voor receptgeneesmiddelen en was de verstrekte informatie bovendien niet in overeenstemming met de officiële productkenmerken van de geneesmiddelen. [eiseres] betoogt dat sprake is van journalistieke berichtgeving die bedoeld is om het publiek te informeren over een maatschappelijk relevant onderwerp en niet van reclame. Aanleiding voor de procedure vormden twee onderzoeken van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd naar een artikel in de zomereditie van Flair over Ozempic en een online publicatie van De Stentor over Ozempic en Wegovy. De inspectie stelde vast dat beide publicaties in strijd waren met artikel 85 Geneesmiddelenwet, dat publieksreclame voor receptgeneesmiddelen verbiedt, en met artikel 84 lid 2 Geneesmiddelenwet, omdat de verstrekte informatie niet overeenkwam met de samenvatting van de productkenmerken. [verweerder] legde daarop twee bestuurlijke boetes op van in totaal € 48.450, op grond van artikel 101 Geneesmiddelenwet en de Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2019, waarin normbedragen van € 150.000 per overtreding zijn vastgesteld. Hoewel de beleidsregels uitgaan van aanzienlijk hogere normbedragen, werden de boetes met 80% gematigd vanwege de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting. De rechtbank stelt voorop dat het begrip reclame voor geneesmiddelen ruim moet worden uitgelegd. Doorslaggevend is niet of een publicatie objectieve informatie bevat of vanuit journalistieke motieven is geschreven, maar of de boodschap kennelijk tot doel heeft het voorschrijven of gebruik van een geneesmiddel te bevorderen. De rechtbank verwijst daarbij naar de wettelijke definities van reclame en publieksreclame in de Geneesmiddelenwet en naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Hof van Justitie van de Europese Unie (Merckle) over het ruime reclamebegrip in het licht van Richtlijn 2001/83/EG. Ten aanzien van de Flair-publicatie oordeelt de rechtbank dat de gekozen invalshoek – drie vrouwen die vertellen hoeveel gewicht zij dankzij Ozempic verloren – en de prominente koppen als "Wondermiddel" en "Voor mij is het een WONDERMIDDEL" een duidelijk wervend karakter hebben. Hoewel ook wordt vermeld dat Ozempic oorspronkelijk is ontwikkeld voor diabetes en dat bijwerkingen kunnen optreden, overheerst volgens de rechtbank een vrijwel uitsluitend positieve presentatie van het middel. Dat [eiseres] stelt een maatschappelijk debat te hebben willen voeren, doet volgens de rechtbank niet af aan het effect dat de publicatie op lezers kan hebben. Ook het ontbreken van een commercieel belang bij de verkoop van Ozempic maakt niet dat geen sprake is van reclame.

RB 4013

Producent aansprakelijk voor claims van Brand Partner op Instagram

toezichthouder 22 apr 2026,, RB 4013; 2025/00594/I ((Amare tegen Brand Partner)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/producent-aansprakelijk-voor-claims-van-brand-partner-op-instagram

CVB 22 april 2026, RB4013; LS&R 2385; 2025/00594/I (Amare tegen Brand Partner). In deze zaak tussen Amare en een verkoper (Brand Partner) staat de vraag centraal of Amare als producent medeverantwoordelijk is voor een Instagram-uiting waarin voedingssupplementen worden aangeprezen met ontoelaatbare gezondheidsclaims. De zaak draait om een Instagram Story waarin verschillende Amare-producten worden gepromoot met claims over onder meer het verbeteren van het immuunsysteem en het stimuleren van de hersenfunctie. Niet in geschil is dat deze claims in strijd zijn met de Claimsverordening en daarmee met artikel 2 NRC en artikel 5.1 CAG. In beroep ligt uitsluitend de vraag voor of deze overtreding ook aan Amare kan worden toegerekend. Amare betoogt dat de verkoper een zelfstandige wederverkoper is die volledig autonoom haar marketing bepaalt. Volgens Amare ontbreekt een relevante relatie in de zin van de Reclamecode Social Media & Influencer Marketing (RSM), omdat geen sprake is van een opdracht tot het maken van reclame of een vergoeding voor het plaatsen van socialmedia-uitingen.Het College volgt dit betoog niet. Doorslaggevend is dat tussen Amare en de verkoper een doorlopende contractuele relatie bestaat, waarbij de verkoper commissies ontvangt op basis van verkoopprestaties. Deze financiële prikkel stimuleert de verkoop en maakt het inherent aannemelijk dat de verkoper reclame maakt voor de producten van Amare. Het maken van reclame wordt door het College gezien als een direct uitvloeisel van de samenwerking: om meer commissie te verdienen, zal de Brand Partner de producten actief aanprijzen. Daarbij weegt mee dat Amare zelf een eigen commercieel belang heeft bij de door Brand Partners gemaakte reclame-uitingen. Dat de verkoper zelf de inhoud van haar uitingen bepaalt, niet per afzonderlijke uiting wordt betaald en als zelfstandige ondernemer opereert, doet hier volgens het College niet aan af. Er is daarom sprake van een relevante relatie in de zin van de RSM, waardoor Amare als adverteerder wordt aangemerkt.

RB 3953

Uitspraak ingezonden door Maurits van Beusekom en Gregor Vos, Brinkhof.

Vordering tot rectificatie en verbod misleidende reclame MammaPrint afgewezen

Rechtspraak (NL/EU) 17 dec 2025,, RB 3953; C/13/778526 / KG ZA 25-918 NB/MV (Exact Sciences, Genomic Health Inc. tegen Agendia), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/vordering-tot-rectificatie-en-verbod-misleidende-reclame-mammaprint-afgewezen

Rb. Amsterdam 17 december 2025, IEF 23191; RB 3953; IT5054; C/13/778526 / KG ZA 25-918 NB/MV (Exact Sciences, Genomic Health Inc. tegen Agendia). Exact Sciences biedt een in-vitro diagnostische test (IVD) aan onder de naam Oncotype DX. Agendia biedt ook een IVD aan onder de naam MammaPrint. Volgens Exact Sciences heeft Agendia zich schuldig gemaakt aan misleidende reclame in de zin van artikel 7 onder a en b IVDR. Agendia zou het ten onrechte doen voorkomen dat MammaPrint even goed, of zelfs beter, presteert dan Oncotype DX. Exact Sciences heeft Agendia gesommeerd binnen één dag de misleidende uitingen te staken en een rectificatie te plaatsen. Agendia heeft niet aan die sommatie voldaan. Exact Sciences vordert in kort geding Agendia te verbieden misleidende uitingen te doen over MammaPrint. 

RB 3891

Elmex tandpastareclame met witte jas overtreedt reclamecode voor medische hulpmiddelen

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 13 feb 2025,, RB 3891; 2024/00605 (Klager tegen Elmex), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/elmex-tandpastareclame-met-witte-jas-overtreedt-reclamecode-voor-medische-hulpmiddelen

RCC 13 februari 2025, RB 3891; 2024/00605 (Klager tegen Elmex). In een televisiereclame voor Elmex Sensitive Professional tandpasta wordt de suggestie gewekt dat een gezondheidsprofessional het product aanbeveelt. In de commercial is een vrouw in een witte jas te zien, terwijl de voice-over onder meer zegt: “Raadpleeg uw tandarts of mondhygiënist”. Volgens de klacht wordt hiermee indirect een tandarts als aanbevelende professional opgevoerd, wat in strijd is met artikel 17 van de Code medische hulpmiddelen (CMH). De Keuringsraad bevestigt dat deze reclame niet zou zijn goedgekeurd. De combinatie van de witte jas en de verwijzing naar een tandarts kan bij de consument de indruk wekken dat een tandarts het product aanprijst. Het feit dat het Elmex-logo op de jas van de vrouw mogelijk zichtbaar is, doet daar volgens de Commissie niets aan af: het logo is onvoldoende leesbaar om verwarring weg te nemen.

RB 3852

Uitingen over receptgeneesmiddelen zijn reclame

Nederland 19 aug 2024,, RB 3852; ECLI:NL:RBROT:2024:8094 (Eiseres tegen Minister voor Medische Zorg), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/uitingen-over-receptgeneesmiddelen-zijn-reclame

Rb. Rotterdam 19 augustus 2024, RB 3852, LS&R 2254; ECLI:NL:RBROT:2024:8094 (Eiseres tegen Minister voor Medische Zorg). Eiseres is een vereniging van kritische burgers met een elektronisch platform waarop leden meningen kunnen omzetten in referendumkwesties waarvan de uitslag wordt ingezet om de kwestie te realiseren. Zo is eiseres eigenaar van een website waar artikelen en een filmpje op staan met daarin reclame-uitingen voor HCQ en Ivermectine, die zouden helpen tegen COVID-19-infecties. Deze geneesmiddelen kunnen uitsluitend op recept worden verkregen en reclame hiervoor maken is niet toegestaan. De minister voor Medische Zorg heeft boetes opgelegd aan eiseres wegens het maken van publieksreclame voor deze receptgeneesmiddelen. Volgens de minister moet het begrip reclame ruim worden uitgelegd en is de inhoud van de artikelen en het filmpje niet louter informatief.

RB 3833

Boete wegens reclame over 'geneesmiddel' zonder handelsvergunning

Rechtspraak (NL/EU) 11 mrt 2024,, RB 3833; ECLI:NL:RBDHA:2024:5663 (Eiser tegen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/boete-wegens-reclame-over-geneesmiddel-zonder-handelsvergunning

Rb. Den Haag 11 maart 2024, RB 3833, LSR 2238; ECLI:NL:RBDHA:2024:5663 (Eiser tegen minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit). Op 24 maart 2022 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een inspectie uitgevoerd op de website van eiser op het voorkomen van zogenaamde medische claims. De toezichthouder heeft bevonden dat eiser het product talbina heeft gepresenteerd als geneesmiddel, en dit heeft aangeboden zonder handelsvergunning. Dit is in strijd met de Geneesmiddelenwet (hierna: Gnw), waardoor de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (verweerder) hem een bestuurlijke boete van € 3.000,- heeft opgelegd. Daarnaast heeft eiser volgens de toezichthouder tevens reclame gemaakt voor het product zonder te beschikken over de vereiste handelsvergunning, en daarmee ook het reclameverbod overtreden. Op grond daarvan is door verweerder aan eiser een boete van € 3.750,- opgelegd. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn van zes maanden is er een korting van 5% gegeven, zodat de bestuurlijke boete in totaal een hoogte heeft van € 6.412,50. Eiser betwist deze stellingen en stelt dat het optreden tegen zijn berichtgeving in strijd is met zijn recht op godsdienstvrijheid. Het bedrag zou voorts niet in verhouding staan tot de ernst van de beboete gedraging en zijn financiële draagkracht zou onvoldoende meegewogen zijn.

RB 3710

Uitspraak ingezonden door Robbert Sjoerdsma, Holla legal & tax.

Reclame Boehringer Ingelheim misleidend

30 sep 2022,, RB 3710; (AstraZeneca tegen Boehringer Ingelheim), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/reclame-boehringer-ingelheim-misleidend

CGR 30 september 2022, IEF 21010, RB 3710, LS&R 2115; (AstraZeneca tegen Boehringer Ingelheim) Boehringer Ingelheim brengt in Nederland het geneesmiddel Jardiance op de markt. AstraZeneca klaagt dat Boehringer Ingelgeim zich schuldig maakt aan misleidende vergelijkende reclame. De Codecommissie is het met AstraZeneca eens. Boehringer Ingelheim maakt in haar reclame drie claims over het geneesmiddel Jardiance die bij beroepsbeoefenaars de indruk kunnen wekken dat het geneesmiddel een bepaalde werking heeft, zonder dat dit voldoende wetenschappelijk onderbouwd wordt. De Codecommissie beveelt Boehringer Ingelheim om verder gebruik de voorgenoemde uitingen te staken.