ACM mocht eiproductfabrikanten beboeten voor inkoopkartel; boete één onderneming verder gematigd
CBb 15 september 2026, RB 4130; ECLI:NL:CBB:2026:429 (de ondernemingen tegen ACM). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevestigt dat de ACM terecht boetes heeft opgelegd aan drie eiproductfabrikanten wegens overtreding van artikel 101 lid 1 VWEU en artikel 6 lid 1 Mw. De ondernemingen hadden onderling inkoopprijzen voor kooi- en scharreleieren afgestemd, afspraken gemaakt over welke onderneming bij welke leghenhouder zou inkopen of blijven inkopen en concurrentiegevoelige informatie uitgewisseld. Het College oordeelt dat deze gedragingen, gelet op hun bewoordingen, doelstellingen en juridische en economische context, terecht zijn aangemerkt als onderling afgestemde feitelijke gedragingen met een mededingingsbeperkende strekking. De ACM heeft voldoende onderbouwd dat de ondernemingen een sterke tot zeer sterke positie hadden tegenover leghenhouders, die voor een belangrijk deel van hun afzet van deze afnemers afhankelijk waren en beperkte uitwijkmogelijkheden hadden. Een exacte berekening van de marktaandelen was daarvoor niet vereist en de daadwerkelijke gevolgen van de gedragingen hoefden niet afzonderlijk te worden onderzocht. Ook het beroep op de bagatelvrijstelling en het verweer dat gedraging I niet als één enkele voortdurende overtreding kon worden aangemerkt, slagen niet. De formele bezwaren treffen evenmin doel: van schending van de onschuldpresumptie of functiescheiding binnen de ACM was geen sprake. De hoorplicht was aanvankelijk wel geschonden, maar die schending is volgens het College hersteld doordat de ondernemingen zich in beroep en hoger beroep alsnog voldoende over de gewijzigde marktbenadering konden uitlaten.