RB
Gepubliceerd op maandag 20 april 2026
RB 4000
reclameboek ||
7 apr 2026
reclameboek 7 apr 2026, RB 4000; ECLI:NL:CBB:2026:136 (Tabaksfabrikant tegen de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), https://www.reclameboek.nl/artikelen/cbb-schrapt-deel-van-boete-tabaksfabrikant

CBb schrapt deel van boete tabaksfabrikant

CBb 7 april 2026, RB4000, ECLI:NL:CBB:2026:136 (Tabaksfabrikant tegen de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). De tabaksfabrikant verkocht tijdens het festivalseizoen van 2019 op de festivals Pinkpop en het Defqon.1 tabaksproducten in speciaal daarvoor bestemde tabaksverkooppunten. De tabaksfabrikant had samenwerkingsovereenkomsten met de organisatoren van Pinkpop en Defqon.1 gesloten en betaalde daarvoor vergoedingen voor het verkooprecht. Na inspecties van de NVWA werden er twee boetes opgelegd. Met boetebesluit I heeft de staatssecretaris aan de tabaksfabrikant een boete opgelegd van € 45.000 wegens overtreding van het sponsoringsverbod van artikel 5, eerste lid, van de Tabaks- en rookwarenwet (Trw). Volgens de staatssecretaris blijkt dit uit de hoogte van de vergoeding die de tabaksfabrikant betaalde voor zijn aanwezigheid op het festival. Met boetebesluit II heeft de staatssecretaris aan de tabaksfabrikant een boete opgelegd van in totaal € 90.000 wegens overtreding van het reclame- en sponsoringsverbod (art. 5 lid 1 Trw). Volgens de staatssecretaris was er sprake van reclame omdat de presentatie van de producten verder ging dan nodig was. Dit bleek uit de opvallende plek die de producten van de tabaksfabrikant in het schap kregen en uit het feit dat dezelfde producten van deze fabrikant op meerdere plekken in het schap stonden. Daardoor ontstond een aaneengesloten blok van producten van de tabaksfabrikant, waarvoor geen andere reden bestond dan het extra onder de aandacht brengen en verkopen van deze producten. Dat sprake was van sponsoring bleek volgens de staatssecretaris uit de hoogte van de vergoeding die de tabaksfabrikant betaalde voor zijn aanwezigheid op het festival. Deze vergoeding stond niet in verhouding tot de totale omzet die hij daar kon behalen.

De tabaksfabrikant maakte bezwaar en ging vervolgens in beroep tegen de boetebesluiten. De rechtbank oordeelde dat bij beide festivals het sponsoringsverbod was overtreden en dat bij Defqon.1 óók het reclameverbod was overtreden. De rechtbank achtte de boetes op zichzelf passend, maar matigde beide boetes wegens overschrijding van de redelijke termijn. Boetebesluit I werd verlaagd van € 45.000 naar € 38.250 en boetebesluit II van € 90.000 naar € 76.500. Tegen deze uitspraak stelde de tabaksfabrikant hoger beroep in. Het College overwoog dat de rechtbank een te beperkte maatstaf had gehanteerd door bij de beoordeling van sponsoring uitsluitend te kijken naar de verhouding tussen de betaalde vergoeding en de redelijkerwijs te verwachten omzet of verkoopopbrengst. Volgens het College dient daarnaast ook te worden beoordeeld of de vergoeding marktconform is. Tegen die achtergrond oordeelde het College dat ten aanzien van Pinkpop voldoende was onderbouwd dat de vergoeding niet marktconform was. Boetebesluit I bleef daarom, met de door de rechtbank aangebrachte matiging tot € 38.250, in stand. Ten aanzien van Defqon.1 achtte het College daarentegen onvoldoende aangetoond dat de door de tabaksfabrikant betaalde vergoeding niet marktconform was. De overtreding van het sponsoringsverbod voor Defqon.1 kon daarom niet worden bewezen, waardoor de boete voor dit onderdeel moest vervallen. De boete voor de reclameovertreding op Defqon.1 bleef wel in stand. Het College stelde de boete in boetebesluit II, na het wegvallen van het sponsoringsdeel en na de matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn, uiteindelijk vast op € 40.000.

4.5.1 Het College moet de vraag beantwoorden of de vergoeding die de tabaksfabrikant heeft betaald om zijn producten op de festivals te kunnen verkopen een economische bijdrage is die het bekendheid geven aan of het aanprijzen van een tabaksproduct of aanverwant product tot doel dan wel tot rechtstreeks of onrechtstreeks gevolg heeft. Voorop staat dat sponsoring niet kan worden afgeleid uit het enkel aanwezig zijn met een verkooppunt op een festival, omdat verkoop van tabaksproducten – ook op festivals – op zich zelf genomen is toegestaan. Of sprake is van sponsoring moet hier worden beoordeeld aan de hand van de hoogte van de vergoeding die de tabaksfabrikant heeft betaald voor het verkooprecht op het festival. Daarbij is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet alleen van belang of de betaalde vergoeding in redelijke verhouding staat tot de redelijkerwijs te verwachten verkoopopbrengst, maar ook of de door de tabaksfabrikant voor het verkooprecht betaalde vergoeding marktconform is. Als die vergoeding marktconform is en de tabaksfabrikant aan de organisator van het festival voor de geleverde diensten dus een bedrag betaalt dat in overeenstemming is met de kosten van die diensten, dan ziet die vergoeding op die geleverde diensten en niet op het bekendheid geven aan of het aanprijzen van een tabaksproduct. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt dan niet in te zien waarom sprake is van sponsoring.

4.6.1 Wat betreft Defqon.1 stelt het College het volgende vast. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de totale kosten voor de tabaksfabrikant € 135.883,70 bedroegen en de totale baten € 30.860,62. Dat betekent dat de aanwezigheid van de tabaksfabrikant op Defqon.1 hem een negatief saldo van € 105.023,08 heeft opgeleverd. Op grond van deze gegevens kan het College de staatssecretaris en rechtbank volgen in het standpunt dat tegenover de hoge kosten een marginale opbrengst stond en dat het niet realistisch, zo niet onmogelijk was dat de tabaksfabrikant winst zou maken. Het College is echter van oordeel dat niet is gebleken dat de tabaksfabrikant op Defqon.1 in vergelijking met de 30 “foodpartners” die eveneens een verkooprecht op het festival hadden gekregen geen marktconforme vergoeding heeft betaald. Voor die foodpartners geldt dat met hen was overeengekomen dat zij voor het verkooprecht een percentage van hun omzet zouden betalen, terwijl met de tabaksfabrikant een vast bedrag was overeengekomen. Om een vergelijking mogelijk te maken, heeft het College berekend wat de tabaksfabrikant voor zijn verkooprecht heeft betaald, uitgedrukt in percentage van de omzet. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de totale omzet van de tabaksfabrikant op Defqon.1 € 168.334,53 (incl. btw) was en dat hij € 96.800,- (incl. btw) voor het verkooprecht heeft betaald. De vergoeding als percentage van de omzet bedraagt 57,5% (96.800/168.334,53). Zoals de staatssecretaris heeft uiteengezet (hiervoor onder 4.3 weergegeven), lagen de vergoedingen van de 30 foodpartners (als percentage van de omzet) op dit festival tussen de 20% en 65%. Daarmee is de vergoeding van de tabaksfabrikant niet aanmerkelijk hoger dan die van andere standhouders op dit festival. Een vergelijking met welke vergoedingen gebruikelijk zijn voor andere tabaksfabrikanten – die op Defcon.1 niet aanwezig waren – kan daarmee achterwege blijven. Dat foodbedrijven hun verkoopprijzen kunnen verhogen en daarmee de winstmarge kunnen vergroten en de tabaksfabrikant dat niet kan, is niet van belang voor de bij marktconformiteit voorliggende vraag of de tabaksfabrikant aan de organisator van het festival voor de geleverde diensten een bedrag heeft betaald dat in overeenstemming is met de kosten van die diensten. Het College volgt de staatssecretaris daarom niet in zijn standpunt dat uit de kosten-batenanalyse volgt dat de vergoeding die de tabaksfabrikant heeft betaald voor het verkooprecht niet marktconform was, terwijl daartoe ook anderszins geen aanknopingspunten bestaan. Dat uit een andere vergelijkingsmaatstaf dan omzet zou blijken dat de tabaksfabrikant voor vergelijkbare diensten meer heeft betaald dan andere ondernemers, is gesteld noch gebleken.

4.6.2 Uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris niet het bewijs heeft geleverd dat de tabaksfabrikant ten aanzien van Defqon.1 het sponsoringverbod van artikel 5, eerste lid, van de Trw heeft overtreden. In zoverre was de staatssecretaris dus niet bevoegd een boete op te leggen. De hogerberoepsgrond slaagt in zoverre.

4.7.1 Wat betreft Pinkpop stelt het College het volgende vast. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de totale kosten voor de tabaksfabrikant € 60.132,21 bedroegen en de totale baten € 22.668,78. Dat betekent dat de aanwezigheid van de tabaksfabrikant op Pinkpop hem een negatief saldo van € 37.463,43 heeft opgeleverd. Op grond van deze gegevens kan het College de staatssecretaris en rechtbank ook hier volgen in het standpunt dat tegenover de hoge kosten een marginale opbrengst stond en dat het niet realistisch, zo niet onmogelijk was dat de tabaksfabrikant winst zou maken. Uit het rapport van bevindingen blijkt verder dat de tabaksfabrikant voor het verkooprecht een vergoeding heeft betaald van € 39.204,-. Deze vergoeding is in het rapport van bevindingen vergeleken met de vaste vergoeding die 31 non-foodbedrijven betaalden voor hun standplaats op basis van de oppervlakte van de tenten waarin deze bedrijven hun activiteiten ontplooiden. Het College acht dit hier een adequate maatstaf voor de door de organisator van het festival geleverde diensten en dit is door de tabaksfabrikant ook niet bestreden. De grootste tenten waren vijf bij vijf meter en voor deze tenten moest een vergoeding variërend van € 2.500,- tot € 4.500,- worden betaald. De tabaksfabrikant maakte gebruik van twee verkooppunten met een kleinere oppervlakte, waardoor de kosten op basis van voornoemde berekening maximaal € 9.000,- zouden zijn geweest. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat de daadwerkelijk betaalde vergoeding van € 39.204,- niet marktconform was. Met de staatssecretaris en de rechtbank is het College dan ook van oordeel dat de tabaksfabrikant een vergoeding heeft betaald om zijn producten op Pinkpop te kunnen verkopen die het bekendheid geven aan of het aanprijzen van een tabaksproduct tot doel dan wel tot rechtstreeks of onrechtstreeks gevolg heeft.

4.7.2 Uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris terecht heeft vastgesteld dat de tabaksfabrikant ten aanzien van Pinkpop het sponsoringverbod van artikel 5, eerste lid, van de Trw heeft overtreden. In zoverre was de staatssecretaris dus bevoegd daarvoor een boete op te leggen. De hogerberoepsgrond slaagt in zoverre niet.

5.5 Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank, afgemeten aan het hiervoor weergegeven beoordelingskader, terecht geoordeeld dat de tabaksfabrikant het reclameverbod heeft overtreden. Met de rechtbank stelt het College vast dat de tabaksfabrikant tijdens Defqon.1 de tabaksproducten op zodanige wijze presenteerde dat er sprake was van visuele blokvorming. Van de eigen tabaksproducten van de tabaksfabrikant waren meerdere facings in het schap aanwezig, waardoor er extra aandacht werd gevestigd op deze producten. Een dergelijke presentatie valt niet binnen de grenzen van een sobere uitstalling die als uitzondering op het reclameverbod is toegestaan.

5.6 Uit het voorgaande volgt dat de tabaksfabrikant het reclameverbod heeft overtreden. De staatssecretaris was dus bevoegd daarvoor een boete op te leggen. De hogerberoepsgrond slaagt niet.