Nietigheid van opdracht tot juridische dienstverlening wegens oneerlijk en niet-transparant kostenbeding
Rb. Noord-Holland 11 maart 2026, RB 4021; ECLI:NL:RBNHO:2026:2941 ([eiser] tegen [gedaagde]). De Rechtbank Noord-Holland wijst de declaratievordering van een professioneel juridisch dienstverlener tegen een consument volledig af. De dienstverlener had de consument bijgestaan in een arbeidsgeschil en bracht uiteindelijk in totaal € 24.396,78 in rekening, waarvan volgens hem € 20.485,81 onbetaald was gebleven. De kantonrechter toetst de overeenkomst ambtshalve aan Richtlijn 93/13/EEG en artikel 6:233 onder a BW, zoals vereist op grond van het Dexia-arrest. Het kostenbeding, een uurtarief van € 125 en facturering op basis van bestede tijd, wordt wel als kernbeding aangemerkt, maar is niet transparant. Het beding gaf de consument namelijk geen reële mogelijkheid om vooraf de totale kosten bij benadering te ramen: er was geen kostenindicatie, geen raming van het voorzienbare of minimale aantal uren, geen urenplafond en in de praktijk ook geen maandelijkse facturatie waardoor de kostenontwikkeling tijdig zichtbaar werd. Dat is in strijd met de transparantie-eisen die het HvJ EU heeft geformuleerd voor uurtariefbedingen bij juridische dienstverlening aan consumenten.