Bescherming van intellectuele en commerciële eigendom

RB 3648

Auteursrechtelijke inbreuk en misleidende reclame omtrent computerreiniging

Nederland 2 mrt 2022, RB 3648; ECLI:NL:RBMNE:2022:1054 (Computerreiniging), http://www.reclameboek.nl/artikelen/auteursrechtelijke-inbreuk-en-misleidende-reclame-omtrent-computerreiniging

Rb. Midden-Nederland 2 maart 2022, IEF 20677, RB 3648; ECLI:NL:RBMNE:2022:1054 (Computerreiniging) In deze zaak over misleidende reclame en auteursrecht staan de reinigingsdoekjes en reinigingsdiensten van eiseres centraal. Gedaagde maakt auteursrechtelijke inbreuk op de teksten van eiseres, door deze over te nemen met opvallende gelijkenissen op de eigen website. Volgens de rechtbank was er evident sprake van ontlening. Er was in dit geval voldoende ruimte om af te wijken omtrent de vormgeving van de feitelijke informatie en de teksten. Gedaagde is daardoor als houder van de website waarop de inbreukmakende teksten zijn geplaatst aansprakelijk voor de schade die de eiseres daardoor lijdt. In reconventie wordt vervolgens beslist dat eiseres op haar beurt zich schuldig heeft gemaakt aan misleidende reclame door op haar websites te vermelden dat de schoonmaakdoekjes een coating hebben "die schadelijke bacteriën uitschakelt". Deze claim is volgens de rechtbank een onterechte biocidale claim.

RB 3446

Inbreuk op HAVAIANAS-merken

Rechtspraak (NL/EU) 9 okt 2020, RB 3446; ECLI:NL:RBDHA:2020:10155 (Alpargatas tegen ASW en Ostoy), http://www.reclameboek.nl/artikelen/inbreuk-op-havaianas-merken

Vzr. Rechtbank Den Haag 9 oktober 2020, IEF 19495, RB 3446; ECLI:NL:RBDHA:2020:10155 (Alpargatas tegen ASW & Ostoy) ­Merkenrecht. Kort geding. Alpargatas produceert teenslippers en is houdster van het Uniewoordmerk 'HAVAIANAS'. ASW exploiteert onder meer de Kruidvat. Ostoy verkoopt en levert producten aan de Kruidvat-winkels. ASW heeft in de Kruidvat-winkels teenslippers verkocht waarop de HAVAIANAS-merken zijn aangebracht en heeft daarvoor geadverteerd met gebruik van die merken. Alpargatas stelt dat ASW en Ostoy inbreuk op de HAVAIANAS-merken hebben gemaakt op grond van artikel 9 lid 2 sub a UMVo door het zonder toestemming van Alpargatas invoeren en/of verder verhandelen van van buiten de EER afkomstige teenslippers waarop de HAVAIANAS-merken zijn aangebracht. Het beroep op uitputting door ASW moet als onvoldoende onderbouwd worden verworpen, zodat voorshands sprake is van inbreuk op de merkenrechten van Alpargatas. Ten aanzien van Ostoy wordt eveneens geoordeeld dat zij door de invoer en verhandeling van de HAVAIANAS-slippers inbreuk heeft gepleegd. De verbodsvorderingen van Alpargatas worden derhalve toegewezen.

RB 3326

Geen inbreuk Transocean-merken door gebruik van metatags

Rechtspraak (NL/EU) 19 jun 2019, RB 3326; ECLI:NL:RBDHA:2019:6247 (Transocean tegen Eurotex), http://www.reclameboek.nl/artikelen/geen-inbreuk-transocean-merken-door-gebruik-van-metatags

Rechtbank Den Haag 19 juni 2019, IEF 18555, RB 3326, IT 2812; ECLI:NL:RBDHA:2019:6247 (Transocean tegen Eurotex) Uitleg vaststellingsovereenkomst. Gebruik tekens na beëindigen lidmaatschap. Metatags. Eiser Transocean is een vereniging van producenten van scheepsverf en houdster van diverse woord- en beeldmerken. Verweerder Eurotex c.s. heeft met Transocean een ‘membership agreement’ gesloten voor het exclusieve gebruik van specifieke knowhow en merken van Transocean. Eurotex heeft met metatags geen inbreuk gemaakt op de merkrechten van Transocean, er is geen sprake van reclame. De metatags zijn verwerkt in de broncode van de website, maar zijn op de website zelf niet zichtbaar. Er kan niet zonder meer worden aangenomen dat het gebruik daarvan een van de functies van het merk aantast en/of door het gebruik van de metatags bij het publiek verwarring kan ontstaan. De vorderingen worden afgewezen.

RB 3313

HvJ EU: Gebruik van tekens die een voorstelling van de aan de BOB verbonden regio kunnen oproepen, kan onrechtmatig zijn

Rechtspraak (NL/EU) 2 mei 2019, RB 3313; ECLI:EU:C:2019:344 (Queso manchego), http://www.reclameboek.nl/artikelen/hvj-eu-gebruik-van-tekens-die-een-voorstelling-van-de-aan-de-bob-verbonden-regio-kunnen-oproepen-kan

HvJ EU 2 mei 2019, IEF 18458; IEFbe 2882; RB 3313; C-614/17; ECLI:EU:C:2019:344 (Queso manchego) Gebruik van tekens die een voorstelling van de aan de beschermde oorsprongsbenaming (BOB) verbonden regio kunnen oproepen – Begrip ‚normaal geïnformeerde en redelijk oplettende gemiddelde consument’ – Europese consumenten of consumenten van de lidstaat waar het product met de BOB wordt vervaardigd en hoofdzakelijk wordt geconsumeerd. Gebruik van een beeldmerk dat een beeld oproept van het geografisch gebied waarmee een BGA is geassocieerd kan onrechtmatig zijn. HvJ EU:

1)      Artikel 13, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen moet aldus worden uitgelegd dat het gebruik van beeldtekens een voorstelling van een geregistreerde benaming kan oproepen.

RB 3145

HvJ EU: Het is onvoldoende dat 'Glen' op enigerlei wijze een associatie oproept met beschermde geografische aanduiding Scotch Whisky

Rechtspraak (NL/EU) 7 jun 2018, RB 3145; ECLI:EU:C:2018:415 (Glen Buchenbach; Scotch Whisky Association tegen Michael Klotz), http://www.reclameboek.nl/artikelen/hvj-eu-het-is-onvoldoende-dat-glen-op-enigerlei-wijze-een-associatie-oproept-met-beschermde-geografi

HvJ EU 7 juni 2018, IEF 17753, IEFbe 2595; RB 3145; ECLI:EU:C:2018:415; C-44/17 (Glen Buchenbach; Scotch Whisky Association tegen Michael Klotz) Geen indirect gebruik van beschermde geografische aanduiding. Uit het persbericht (vertaald): Om te kunnen bepalen of een aanduiding verboden is door EU-wetgeving, moet de nationale rechter bepalen of de consument direct denkt aan de beschermde geografische aanduiding 'Scotch Whisky' wanneer deze een vergelijkbaar product met het teken 'Glen' ziet. Het is onvoldoende dat dit bestanddeel bij het doelpubliek op enigerlei wijze een associatie met de geregistreerde geografische aanduiding of het ermee verbonden geografische gebied oproept. HvJ EU:

RB 2804

Gebruik 'VP' bij registratie Vrouwen Partij(VP) is functioneel en niet misleidend

Nederland 13 jan 2017, RB 2804; ECLI:NL:RVS:2017:67 (Vrijzinnige Partij tegen Kiesraad), http://www.reclameboek.nl/artikelen/gebruik-vp-bij-registratie-vrouwen-partij-vp-is-functioneel-en-niet-misleidend
vrouwen partij(VP) vrijzinnige partij

ABRvS 13 januari 2017, IEF 16523; RB 2804; ECLI:NL:RVS:2017:67 (Vrijzinnige Partij tegen Kiesraad) Als randvermelding. Het centraal stembureau heeft de politieke groepering Vrouwen Partij de aanduiding ‘Vrouwen Partij (VP)’ ingeschreven in het register voor de Tweede Kamer-verkiezing. De Vrijzinnige Partij stelt zonder succes beroep in. Bij de kiezer zal niet de indruk ontstaan dat de beide politieke groeperingen op enigerlei wijze verbonden zijn. De afkorting VP wordt niet functioneel gebruikt door de Vrijzinnige Partij. De Beleidsregel staat tekens, zoals '(VP)', in relatie tot de rest van de aanduiding toe, mits ze functioneel zijn. Dat de Vrijzinnige Partij, naar zij stelt, in het maatschappelijk verkeer de letters VP als afkorting gebruikt en dat die afkorting ook als element in de geregistreerde aanduiding van de Vrouwen Partij is opgenomen, maakt niet dat die aanduiding als geheel reeds daarom voor de kiezers misleidend is.

RB 2779

Vragen aan HvJ EU: mogen verduidelijkende aanvullingen als tofuboter, sojamelk ondanks verkoopbenamingseisen?

Rechtspraak (NL/EU) 28 jul 2016, RB 2779; C-422/16 (TofuTown), http://www.reclameboek.nl/artikelen/vragen-aan-hvj-eu-mogen-verduidelijkende-aanvullingen-als-tofuboter-sojamelk-ondanks-verkoopbenaming
TofuTown

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 28 juli 2016, IEF 16282; IEFbe 1943; LS&R 1375; RB 2779; C-422/16 (TofuTown) Merknamen. Verkoopbenaming. Verzoekster is een vennootschap die vegetarische/vegane levensmiddelen produceert en distribueert onder benamingen als Tofubutter, pflanzenkäse, veggie-cheese e.d.. Verweerster is het Verband Sozialer Wettbewerb, een vereniging tot bestrijding van oneerlijke mededinging. Verweerster heeft een stakingsvordering tegen verzoekster ingesteld wegens schending van de DUI mededingingswet in samenhang met bijlage VII van Vo. 1308/2013. Het gaat om de benaming van de betreffende producten.

RB 2662

Vragen gesteld aan HvJ EU over verboden piramidespel en de financiële belofte naar bestaande leden

Hof van beroep Antwerpen 3 december 2015, RB 2662; C-667/15 (Loterie Nationale – Nationale Loterij)
Verwijzing HvJ EU. Kansspel. Handelspraktijk. Verzoekster organiseert onder meer sinds 1978 het ‘lotto’ spel met twee maal per week een trekking. Zij heeft de organisatoren van het Lucky4All (L4A) spel gedaagd tot staking van haar activiteiten wegens strijdigheid met eerlijke marktpraktijken (het spel maakt ook gebruik van gekleurde balletjes en maakt voor promotie gebruik van misleidende slagzinnen); L4A zou een verboden piramidespel zijn.

Verzoekster is houdster van twee Benelux-beeldmerkinschrijvingen (sinds 1998 ‘Lotto’ en sinds 2005 ‘Nationale Loterij’ ‘Loterie Nationale’). De oprichter van L4A heeft ook een beeldmerkinschrijving sinds 2012. Hoe het L4A-spel werkt wordt uitgebreid beschreven in het vonnis van de Rb Antwerpen, pagina 7 – 11. De Rb Antwerpen wijst verzoeksters stakingsvordering toe, maar verzoekster gaat in beroep omdat de Rb het verwijt dat het om een piramidespel gaat als ongegrond afdoet. De Rb oordeelde dat bij het L4A-spel de financiering van de vergoeding die wordt uitgekeerd aan de consument die een nieuwe speler aanbrengt (één van de voorwaarden om van een piramidespel te kunnen spreken) niet afhangt van de bijdrage van de nieuwe deelnemer. Dit zou een verkeerde lezing inhouden van het arrest van het HvJEU in de zaak C-515/12. Verzoekster blijft ook bij haar eis dat het om een misleidende marktpraktijk gaat.

De verwijzende BEL rechter (Hof van Beroep Antwerpen) sluit zich grotendeels aan bij het vonnis van de lagere rechter. Wat rest is verzoeksters stelling dat het om een piramidespel gaat. Partijen zijn het niet eens over de interpretatie van het arrest in zaak C-515/12. Verweerster stelt dat het HvJEU een restrictieve interpretatie van het begrip ‘piramidespel’ heeft gegeven, verzoekster stelt dat de RL oneerlijke handelspraktijken beoogt consumenten een hoog niveau van bescherming te geven. De verwijzende rechter gaat vervolgens na of het L4A-spel voldoet aan de door het HvJEU gestelde constitutieve voorwaarden. De Rb oordeelde dat niet is voldaan aan de (derde) voorwaarde dat er een rechtstreekse band moet bestaan tussen de door de nieuwe leden verrichte betalingen en de door de bestaande leden ontvangen vergoedingen. De verwijzende rechter besluit om daarover de volgende vraag aan het HvJEU voor te leggen:

“Is het voor de toepassing van punt 14 van bijlage I van [OHP-Richtlijn 2005/29 vereist dat van een verboden piramidespel slechts sprake is indien de verwezenlijking van de financiële belofte naar bestaande leden:
• eerder of in hoofdzaak afhangt van de rechtstreekse doorbetaling van de bijdragen van de nieuwe leden ("directe band”), dan wel
• dat het volstaat dat de verwezenlijking van die financiële belofte voor bestaande leden eerder of hoofdzakelijk afhangt van een indirecte betaling door de bijdragen van bestaande leden, i.e. zonder dat bestaande leden eerder of hoofdzakelijk hun vergoeding verkrijgen uit hun eigen verkoop of hun eigen verbruik van goederen of diensten maar voor de verwezenlijking van hun financiële belofte eerder of hoofdzakelijk afhangen van de toetreding en bijdragen van nieuwe leden ("indirecte band")?”