26 mei 2026,
Intrum moet verstrekking ESIC-formulier nader onderbouwen
Hof Amsterdam 26 mei 2026, RB 4058; ECLI:NL:GHAMS:2026:1461 (Intrum tegen [geïntimeerde]). Een kredietgever sluit online met een consument een kredietovereenkomst voor € 50.000, met een looptijd van 120 maanden en een debetrente van 8,7% per jaar. Nadat de consument zijn betalingsverplichtingen niet nakomt, wordt de vordering aan Intrum gecedeerd. Intrum vordert vervolgens € 43.820,95, vermeerderd met rente en kosten. De kantonrechter wijst die vordering af omdat niet is aangetoond dat aan de precontractuele verplichtingen is voldaan en dat de kredietwaardigheid van de consument vóór het sluiten van de overeenkomst is beoordeeld. In hoger beroep legt Intrum onder meer bankafschriften, salarisgegevens, Kadasterinformatie, een inkomensberekening en een gepersonaliseerde kredietwaardigheidstoets over. Het hof acht daarmee voldoende aangetoond dat de oorspronkelijke kredietgever voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een kredietwaardigheidstoets als bedoeld in artikel 4:34 lid 1 Wft heeft uitgevoerd. Uit de algemene voorwaarden blijkt volgens het hof bovendien voldoende dat de consument is geïnformeerd over zijn recht om de op afstand gesloten kredietovereenkomst binnen veertien dagen te ontbinden.
Intrum heeft echter nog niet aangetoond dat de Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet, het ESIC-formulier, daadwerkelijk en geruime tijd voordat de consument werd gebonden aan hem is verstrekt, zoals artikel 7:60 lid 1 BW vereist. Intrum stelt dat het formulier tijdens het online proces tegelijk met het aanbod is verstrekt, maar het formulier is niet meer beschikbaar en concrete gegevens over het moment van verstrekking ontbreken. Het hof stelt Intrum daarom in de gelegenheid dit bij akte met bewijsstukken te onderbouwen. Als Intrum daarin slaagt, zal haar vordering alsnog worden toegewezen. Als zij daarin niet slaagt, zal het hof de kredietovereenkomst vernietigen, omdat schending van artikel 7:60 BW een oneerlijke handelspraktijk oplevert als gevolg waarvan de overeenkomst tot stand is gekomen. Intrum kan dan op grond van onverschuldigde betaling alleen aanspraak maken op het nog openstaande deel van de verstrekte hoofdsom. Contractuele rente en kosten zijn dan niet toewijsbaar en reeds betaalde rente en kosten moeten bij de berekening van de resterende hoofdsom in mindering worden gebracht. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
ESIC-formulier
6.7.
Ingevolge artikel 7:60 lid 1 BW verstrekt de kredietgever de consument geruime tijd voordat deze door een kredietovereenkomst of een aanbod wordt gebonden, de in de artikelen 5 en 6 Richtlijn consumentenkrediet voorgeschreven precontractuele informatie, op de in die artikelen voorgeschreven wijze. In de laatste zin van artikel 5 Richtlijn consumentenkrediet is voorgeschreven dat de kredietgever ter uitvoering van deze informatieverplichting de Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet (ESIC) verstrekt. Dit ESIC-formulier is als bijlage II bij de Richtlijn consumentenkrediet gevoegd.
6.8.
Intrum heeft in de memorie van grieven gesteld dat [geïntimeerde] gedurende het onlineproces tegelijk met het aanbod voor de overeenkomst het ESIC-formulier ontving, maar dat dit niet meer voor handen is. Aldus kan niet worden vastgesteld dat [bedrijf 1] dit formulier inderdaad aan [geïntimeerde] heeft verstrekt en of zij dit heeft gedaan geruime tijd voordat [geïntimeerde] gebonden werd. Behalve 8 augustus 2018, de datum waarop de overeenkomst is aangegaan, heeft Intrum überhaupt geen data genoemd in de (proces)stukken.
6.9.
Het hof zal Intrum in de gelegenheid stellen bij akte alsnog met bewijsstukken te onderbouwen dat het ESIC-formulier geruime tijd voordat [geïntimeerde] werd gebonden aan hem is verstrekt. Indien Intrum hierin slaagt, zal haar vordering alsnog worden toegewezen.
Vernietiging overeenkomst, vordering uit onverschuldigde betaling
6.10.
Voor het geval Intrum dit niet onderbouwt of het hof haar onderbouwing onvoldoende acht, geldt op grond van artikel 7:60 lid 3 BW jo artikel 6:193j lid 3 en 6:193b BW dat de overeenkomst vernietigbaar is omdat het niet in acht nemen van artikel 7:60 BW een oneerlijke handelspraktijk oplevert als gevolg waarvan de overeenkomst tot stand is gekomen. Het hof zal de overeenkomst in dat geval vernietigen. Omdat de vernietiging terugwerkende kracht heeft, betekent dit dat Intrum in dat geval inderdaad een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling op [geïntimeerde] heeft. Anders dan Intrum stelt, is dan alleen het aan krediet aan [geïntimeerde] verstrekte bedrag (de hoofdsom van € 50.000,-) toewijsbaar. De gevorderde rente en kosten zijn gegrond op de overeenkomst en komen in geval van een vernietiging van de overeenkomst niet voor vergoeding in aanmerking.
6.11.
Omwille van de voortgang van de procedure verzoekt het hof Intrum bij de onder 6.9 genoemde akte tevens - uitsluitend voor het geval de overeenkomst zal worden vernietigd - aan de hand van een specificatie te onderbouwen welk bedrag er nog openstaat aan hoofdsom, nadat de reeds door [geïntimeerde] betaalde rente en kosten in mindering zijn gebracht.
6.12.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.