RB

Diensten  

RB 1309

Nu, naar Dubai

Vz. RCC 10 augustus 2011, dossiernr. 2011/00644 (Nu, naar Dubai)

Klacht betreft de radiocommercial, waarbij een reis pas vanaf oktober voor 399 kan worden gemaakt en in de komende vakantieperiode kost deze reis twee maal zoveel:
“Nieuw bij Arke: Dubai. Waan je miljonair, geniet van alle luxe en een overdaad aan zon, zee en strand. Nu, naar Dubai met introductiekorting al vanaf 399 euro, je hoort het goed: 399 euro. Zo houd je nog voldoende over om te shoppen. Met Arke naar Dubai. Arke.nl, dacht ’t wel.”

Voorzitter:
De voorzitter is van oordeel dat de Commissie de klacht zal afwijzen. Hij overweegt daartoe het volgende. Anders dan klager aanvoert, wordt in de uiting niet gesteld dat adverteerder de mogelijkheid biedt om nu c.q. in de komende vakantieperiode voor 399 naar Dubai te reizen. Aangezien het, naar klager ook heeft erkend, ook werkelijk mogelijk is om bij adverteerder voor 399 euro een reis naar Dubai te boeken, acht de voorzitter de klacht ongegrond.

RB 1302

Auto = geen parkeerplaats

Vz RCC 3 februari 2012, dossiernr. 2012/00092 (SunCamp Reis niet "met auto")

Het betreft de website www.suncamp.nl voor zover het betreft de accommodaties van Camping Sikia en de mededeling: “Inbegrepen in de prijs Auto”. Bij navraag bleek echter dat men gratis een auto mag parkeren bij de accommodatie.

Voorzitter: Niet in geschil is dat op de onderhavige website ten onrechte staat dat een auto in de prijs is inbegrepen. Aldus is geen juiste informatie verstrekt over de voornaamste kenmerken van het product als bedoeld onder b van artikel 8.2 van de Nederlandse Reclame Code (NRC), te weten over hetgeen bij de te boeken accommodatie is inbegrepen.

RB 1300

Juistheid van de informatie van de makelaar

HR 17 februari 2012, LJN BV6162 (Savills tegen verweerster), BU9891 (ALCOA tegen verweerster)

Als randvermelding, ook op cassatieblog. Beroepsaansprakelijkheid makelaar. Onjuiste gegevens in verkoopbrochure. De makelaar is gehouden de juistheid te controleren van de van opdrachtgever of derde ontvangen gegevens, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Of potentiële koper mag afgaan op juistheid van de informatie van de makelaar, is onder meer afhankelijk van eventuele mededelingen van de makelaar over mate waarin hij voor de juistheid instaat. Dat makelaar jegens potentiële koper niet in contractuele verhouding staat, doet daaraan niet af.

Het oordeel van het hof dat het beroep van de makelaar op exoneratieclausule in verkoopbrochure naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd, nu hof niet is ingegaan op alle relevante omstandigheden.

In citaten:

 

3.3.2 Onderdeel 3 klaagt over de hiervoor in 3.3.1 weergegeven oordelen en betoogt onder meer, kort samengevat, dat het hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd geen rekening heeft gehouden met de in de verkoopbrochure aan [verweerster] vermelde exoneratieclausule (hiervoor in 3.1 onder (iii) weergegeven) en met de invloed daarvan op de mate waarin potentiële kopers op de verstrekte oppervlaktegegevens mogen afgaan.

Voorts heeft het hof volgens het onderdeel miskend dat het van de omstandigheden van het geval afhangt of een makelaar de oppervlakte van een pand eerst zelf dient op te meten voordat hij die aan potentiële kopers bekend maakt, of dat hij mag afgaan op de juistheid van de van zijn opdrachtgever of van een andere makelaar verkregen oppervlaktegegevens, en of hij onzekerheid over de juistheid van de oppervlaktegegevens ter kennis van potentiële kopers moet brengen.

3.3.3 Deze klachten treffen doel. De vraag of een makelaar die bij een transactie betrokken is, gehouden is om zelfstandig te (laten) controleren of van de opdrachtgever of een derde ontvangen gegevens die onder zijn verantwoordelijkheid aan potentiële kopers worden meegedeeld, juist zijn, kan niet in haar algemeenheid worden beantwoord. Dat antwoord is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

3.3.4 Het hof is echter uitgegaan van de regel dat een makelaar de aan potentiële kopers medegedeelde oppervlakte van kantoor- en bedrijfsruimte "in het normale geval" (waartoe het kennelijk ook het onderhavige geval heeft gerekend) zelf dient op te meten, waarbij het (alleen) van belang heeft geacht dat Savills wist dat [verweerster] het bedrijfspand wilde gaan verhuren. Het hof heeft daarbij ten onrechte geen aandacht geschonken aan andere omstandigheden waarop Savills zich heeft beroepen, en die evenzeer van belang kunnen zijn voor het oordeel met betrekking tot de (on)rechtmatigheid van de gedragingen van Savills en het vertrouwen dat [verweerster] in de verstrekte gegevens mocht stellen. Savills heeft immers onder meer gesteld dat zij de oppervlaktegegevens had ontvangen van haar opdrachtgever Alcoa, die het pand zelf had ontworpen en gebouwd, en dat in de aan [verweerster] verstrekte verkoopbrochure staat vermeld dat de daarin vermelde gegevens afkomstig zijn van de verkoper en dat Savills een voorbehoud maakt ten aanzien van de juistheid van die gegevens. Door niet op de stellingen van Savills in te gaan, heeft het hof dan ook hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.


3.5.1 Het tweede onderdeel klaagt over het oordeel van het hof dat, voor zover de aangehaalde clausule wel tussen Savills en [verweerster] zou gelden, een beroep op die clausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is vanwege de omvang van de door [verweerster] te lijden schade, bestaande in de jaarlijks te derven huurinkomsten (rov. 4.4 in verbinding met rov. 4.3).

3.5.2 De klacht behelst onder meer dat het hof niet is ingegaan op alle relevante omstandigheden, waaronder die welke door Savills zijn aangevoerd, zoals de mate van verwijtbaarheid van haar schadeveroorzakende gedraging, de wijze waarop de exoneratieclausule kenbaar is gemaakt, de inhoud van de exoneratieclausule, waarin wordt vermeld dat de verstrekte gegevens van derden afkomstig zijn, en het gedrag van [verweerster] ten aanzien van het gekochte.

Deze klacht treft doel. Het hof heeft in de aangehaalde overweging onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Indien het heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat [verweerster] door de kleinere oppervlakte jaarlijks een aanzienlijk bedrag aan huurinkomsten derft, reeds aan het beroep op het exoneratiebeding in de weg staat, ongeacht de overige omstandigheden van het geval, getuigt zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof echter heeft geoordeeld dat naast de omvang van de gederfde huurinkomsten ook andere omstandigheden meebrengen dat het beroep van Savills op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, heeft het zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu het niet heeft vermeld op welke andere omstandigheden het dat oordeel "mede" heeft gebaseerd, en het bovendien geen aandacht heeft geschonken aan de door Savills aangevoerde omstandigheden.

RB 1295

Ambtshalve het oneerlijk karakter onderzoeken

Conclusie AG HvJ EU 14 februari 2012, zaak C-618/10 (Banco Español de Crédito tegen Joaquín Calderón Camino) - dossier

Mag een rechtbank bij ontbreken van een omzettingsbepaling en tegen de achtergrond van artikel 11, lid 2, van richtlijn 2005/29/EG, ambtshalve het oneerlijk karakter van de opname van een beding over moratoire rente in de overeenkomst onderzoeken?

Conclusie (helaas niet in het Nederlands beschikbaar):

(1) Council Directive 93/13/EEC of 5 April 1993 on unfair terms in consumer contracts is to be interpreted to the effect that it does not require a national court, in the context of a national order for payment procedure, to give a ruling of its own motion and in limine litis on whether a term concerning interest on late payments in a consumer credit agreement is not binding, provided the assessment of whether that term is unfair can be transferred, in accordance with the national procedural rules, to an inter partes procedure to be initiated through an appeal brought by the debtor, in which the national court is given the opportunity to obtain the legal and factual elements necessary to conduct such an assessment.

(2) Article 6(1) of Directive 93/13 precludes a national provision which authorises the national court to modify a consumer agreement so as to replace an unfair contractual term by another term which is not to be regarded as unfair.
(3) The provisions of Regulation (EC) No 1896/2006 of the European Parliament and of the Council of 12 December 2006 creating a European order for payment procedure are not applicable to a national order for payment procedure.
RB 1288

HEMA NS-Dagkaart is beperkt

RCC 1 februari 2012, dossiernr. 2011/01238 (HEMA NS-Dagkaart) - pagina 2, zie ook hier.

Met dank aan Terry Häcker, drs Terry (D.W.F.) HÄCKER Marktonderzoekadvies.

De kop van de advertentie suggereert dat onbeperkt kan worden gereisd door heel Nederland, echter uit de actievoorwaarden blijkt dat de dagkaart op doordeweekse dagen pas geldig is vanaf 9u. Dat is een dusdanig inperking van het begrip onbeperkt in de aanbieding en had vermeld moeten worden.

Verweer: er is onvoldoende ruimte om alle actievoorwaarden over te nemen, deze worden op de website en op flyers in de winkel verstrekt. Het is voldoende kenbaar aan de consument.

RCC beoordeelt dat de actie "1 dag onbeperkt reizen door heel Nederland ook tijdens de kerstvakantie" die op doordeweekse dagen pas geldig is vanaf 9u00 een beperking is waar de gemiddelde consument niet bedacht op hoeft te zijn. Deze beperking wordt als essentiële informatie geacht. Er wordt strijd met art. 8.3. onder c en daardoor art. 7 NRC aangenomen. De commissie doet een aanbeveling.

 

RB 1287

Afscheid van de strippenkaart

Vz afwijzing RCC 18 januari 2012, dossiernr. 2011/01132 (OV-chipkaart strippenkaart niet meer geldig)

In een radiocommercial wordt o.m. gezegd: "Nederland neemt in rap tempo afscheid van de strippenkaart. Straks reizen we allemaal met de OV-chipkaart. In de meeste provincies kunt u de strippenkaart nu al niet meer gebruiken.”

Klacht: In het busvervoer in de provincie Zeeland is de strippenkaart nog wel geldig. De consument denkt op grond van de commercial dat zijn strippenkaart waardeloos is geworden.

De voorzitter:

De landelijk uitgezonden radiocommercial van de rijksoverheid heeft betrekking op de strippenkaarten met 15 of 45 strippen, die als nationaal vervoersbewijs vastgesteld en via de voorverkoop verkrijgbaar waren. Vast staat dat deze strippenkaarten (ook) in Zeeland in de zomer van 2011 als geldig vervoersbewijs zijn afgeschaft en sindsdien door reizigers, voor zover deze nog strippenkaarten in hun bezit hebben, niet meer in het openbaar vervoer gebruikt kunnen worden. Dat vervoerders in de regio Zeeland reizigers thans de mogelijkheid bieden om in het openbaar vervoer een strippenkaart met 2, 3 of 8 strippen te kopen als decentraal vervoersbewijs, betekent niet dat de mededeling in de radiocommercial over het vervallen van de nationale strippenkaart als geldig vervoersbewijs onjuist is.

RB 1278

Pelgrimsreizen naar Mekka

Rechtbank Amsterdam 28 december 2011, LJN BV2255 (Pelgrimsreizen)

Als randvermelding: Reisbranche. Pelgrimsreizen naar Mekka, visa benodigd voor organisatie pelgrimsreizen, onrechtmatig handelen door visa af te nemen die aan andere reisorganisatie zijn toegekend, beëindiging samenwerkingsverband.

Feiten: Nederlanders die een pelgrimsreis willen maken dienen te beschikken over een visum. Visa worden niet aan individuele pelgrims verstrekt, maar alleen aan reisorganisaties die pelgrimsreizen organiseren en zich als zodanig bij de Saudische autoriteiten hebben aangemeld. Aangemelde en goedgekeurde reisorganisaties krijgen een aantal visa toegekend, waarvan die reisorganisaties jaarlijks afgifte kunnen vragen. Aan Sondus zijn per jaar 250 visa toegekend onder het organisatienummer [3430 en aan [A] zijn per jaar 70 visa toegekend onder organisatienummer 3229.

Sinds enkele jaren stellen de Saudische autoriteiten aan reisorganisaties die pelgrimsreizen organiseren onder andere de eis dat zij in het bezit zijn van een door de International Air Transport Association (hierna: IATA) afgegeven vergunning. [A] is in het bezit van een dergelijke IATA-vergunning, Sondus niet.

Partijen zijn een samenwerkingsovereenkomst overeengekomen. [A] heeft het samenwerkingsverband aangemeld bij de Saudische autoriteiten. [A] heeft daarbij ook Stichting Tefekkur als partner bij het samenwerkingsverband aangemeld. Aan Stichting Tefekkur zijn per jaar 50 visa toegekend onder organisatienummer 1362. Deze samenwerking wordt beëindigd en dat Sondus als gevolg van de beëindiging van de samenwerking niet langer geoorloofd bent naar derden toe de indruk te wekken dat de samenwerking voortduurt.

4.5.  Uit het voorgaande volgt dat van de uitzondering bedoeld onder 4.2 geen sprake is, zodat reeds op grond daarvan moet worden geoordeeld dat [A] onrechtmatig jegens Sondus heeft gehandeld door in 2010 (ook) de aan Sondus onder organisatienummer 3430 toegekende visa aan te vragen en af te nemen. [A] had zich behoren te onthouden van het inbreuk maken op de rechten die Sondus kon laten gelden op de aan haar onder organisatienummer 3430 toegekende visa, aangezien hij wist of kon weten dat dit ten koste zou gaan van Sondus. Hier komt nog bij dat [A] bewust heeft bijgedragen aan het laten ontstaan, althans het vergroten van de onduidelijkheid over het al dan niet voortbestaan van het samenwerkingsverband bij de Saudische Autoriteiten. (...)

4.6.  [A] dient de schade die Sondus heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [A] aan Sondus te vergoeden. Sondus vordert € 750,- per visum wegens gederfde winst. Zij stelt daartoe dat zij pelgrimsreizen had kunnen organiseren, indien zij over de aan haar toegekende visa had kunnen beschikken. Nog daargelaten of Sondus op korte termijn zelf over een IATA-vergunning had kunnen beschikken, hetgeen [A] betwist, heeft Sondus onvoldoende gesteld dat zij daadwerkelijk voornemens was de organisatie van pelgrimsreizen zelf ter hand te nemen. Daarbij is van belang dat voldoende is komen vast te staan dat Sondus tijdens het samenwerkingsverband de gehele organisatie van de pelgrimreizen door [A] heeft laten verzorgen en daarvoor ook al enige jaren zelf feitelijk geen pelgrimsreizen meer organiseerde. In het licht daarvan is het enkel aanstippen van de mogelijkheid om de organisatie zelf ter hand te nemen onvoldoende. (...)

 

De rechtbank
5.1.  verklaart voor recht dat de samenwerking tussen Sondus en [A], bekend bij de Saudische autoriteiten onder nummer 5591, als gevolg van de beëindiging daarvan door Sondus en de acceptatie daarvan door [A], op 4 mei 2010 is geëindigd,

5.2.  veroordeelt [A] tot betaling aan Sondus van een schadevergoeding van € 93.500,00 (drieënnegentig duizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 9 mei 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.3.  veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van Sondus tot op heden begroot op € 3.278,31,

 

RB 1272

Jaarlijkse griepprik

RCC 22 december 2011, dossiernr. 2011/01042 (Griepprik)

Het betreft mededelingen met betrekking tot de “jaarlijkse griepprik”: een gerichte brief van een huisarts, op de website RIVM.nl en folders die van de site gedownload kunnen worden.

Klacht: Voor zover de door huisartsen en/of verweerder verspreide informatie als reclame dient te worden aangemerkt, stelt klager, kort weergegeven, dat sprake is van misleidende reclame met een gezondheidsclaim, die niet conform de huidige wetenschappelijke criteria is onder­bouwd. Klager verwijst naar een informatiebron (een artikel in het Pharmaceutisch Weekblad) waarin de effectiviteit van de griepprik ter discussie wordt gesteld.

De klacht wordt afgewezen met een uitgebreide bespreking als volgt:

2. Voor zover het de informatie betreft die in de brief van een huisarts staat, komt het de Com­missie voor dat verweerder voor deze uiting niet verantwoordelijk is. Overigens is de Commissie van oordeel dat deze brief niets anders dan een oproep aan de geadresseerde bevat om de griepprik te komen halen, met de reden waarom de griepprik aan de geadresseerde wordt aangeboden, te weten het behoren tot een risicogroep. Nu in deze oproep elke vorm van aanprijzing ontbreekt, is geen sprake van reclame in de zin van de artikel 1 van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Los daarvan merkt de Commissie op dat het tot de zorgplicht van de huisarts behoort om patiënten die tot een risicogroep beho­ren de mogelijkheid te bieden tot het krijgen van een griepprik. Het aanbieden van deze griepprik kan, zoals verweerder voldoende heeft onderbouwd, op basis van de huidige stand van de wetenschap gerechtvaardigd worden geacht. Niet valt in te zien waarom huisartsen onder deze omstandigheden geen oproep aan patiënten zouden mogen sturen in verband met het krijgen van de griepprik.

3. Ten aanzien van de informatie op de website www.rivm.nl is de Commissie eveneens van oordeel dat geen sprake is van een aanprijzing in de zin van artikel 1 NRC. De informatie op deze website dient te worden beschouwd als een toelichting van zuiver feitelijke aard op
de griepprik en de reden waarom deze wordt aangeboden. Dat daarbij in bepaalde opzichten wordt gewezen op po­sitieve aspecten van de griepprik, te weten de vermindering van de kans op griep en de aan griep verbonden risico’s, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat
om informatie waarin uitsluitend wordt verantwoord waarom de griepprik wordt aangeboden.
 
4. Overigens geldt ook ten aanzien van de bestreden uitingen op de website dat op grond van hetgeen verweerder gemotiveerd heeft aangevoerd, de informatie die daarop over de griepprik wordt gegeven, geacht moet worden te zijn opgesteld overeenkomstig de huidige stand van de weten­schap. Naar het oordeel van de Commissie bevat de informatie op de website niets anders dan een voor de patiënt begrijpelijke weergave van de geldende weten­schappelijke opvattingen op dit terrein, teneinde de consument de noodzakelijke informatie over de griepprik te bieden. Dat blijkbaar ook anders kan worden gedacht over het te ver­wach­ten effect van de griepprik, doet voor het onderhavige geschil niet ter zake, nu dit op grond van het voorgaande niet tot het oordeel kan leiden dat de bestreden uitingen in strijd met de Neder­landse Reclame Code zijn.
RB 1269

12x per uur snel naar Amsterdam

RCC 14 december 2011, dossiernr. 2011/01128 (Connexxion Van Zaandam 12 x per uur snel naar Amsterdam)

Het betreft de op een aantal bussen van Connexxion aangebrachte tekst “Van Zaandam 12x per uur snel naar Amsterdam”.
 
Er wordt, volgens klager,  gesuggereerd dat de bussen elk uur 12 keer rijden van en naar Amsterdam en Zaandam. Klager betwijfelt of dit ook ’s avonds, ’s nachts, in het weekend en op feestdagen het geval is, hoewel in de uiting geen beperking is opgenomen ten aanzien van de tijden waarop 12 keer per uur wordt gereden.

RCC wijst de klacht af:
Adverteerder heeft voldoende onderbouwd dat de frequenties van bussen van Connexxion op het traject Zaandam-Amsterdam, afhankelijk van het moment van de dag en van de week, varieerden van 12 keer per uur (weekend) tot 28 keer per uur (spits). Naar het oordeel van de Commissie is de gemiddelde, goed geïnformeerde consument  ervan op de hoogte dat openbaar vervoer per bus niet 24 uur per dag wordt aangeboden en de dienstregeling van bussen overdag anders is dan ’s nachts en in het weekend. De mededeling dat men “12 x per uur” van Zaandam naar Amsterdam kan reizen wordt daarom niet misleidend geacht, ook al wordt niet uitdrukkelijk in de uiting vermeld dat dit aantal niet geldt voor tijden buiten de reguliere dienstregeling.

RB 1268

De Halal-factuur

Strafrechter Rechtbank Breda 18 januari 2012, LJN BV1237 (Halalvleesfraude)

Als randvermelding. Uitspraak over fraude met facturen geeft aan hoe gewoon vlees opeens een Halal-stempel krijgt. (halal)vleesfraude. Valsheid in geschrift bij het opmaken van verkoopfacturen voor levering/verkoop van halalvlees aan bedrijven van de hoofdverdachte. Aan deze facturenstroom lag geen fysieke levering van vlees ten grondslag. De hoofdverdachte heeft deze facturen gebruikt voor het verkrijgen van zogenaamde halaltraceerbaarheidsformulieren.

Via NJD.