RB

Diensten  

RB 1218

Woekerrente

Concl. AG HvJ EU 29 november 2011, zaak C-453/10 (Jana Pereničová, Vladislav Perenič tegen S.O.S. financ, spol. sro)

prejudiciële vragen van de  Okresný súd Prešov (Slowakije)

Consumentenbescherming – Richtlijn 93/13/EEG – Artikelen 4, lid 1, en 6, lid 1 – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 2005/29/EG – Oneerlijke handelspraktijken bij transacties tussen ondernemingen en consumenten – Consumentenkredietovereenkomst die voorziet in woekerrente – Gevolgen van oneerlijke handelspraktijken en oneerlijke bedingen voor de geldigheid van de overeenkomst in haar geheel. Het gedrag van een verkoper die in de overeenkomst een lager jaarlijks rentepercentage opgeeft dan het daadwerkelijk toegepaste percentage, voldoet aan de criteria voor kwalificatie als oneerlijke handelspraktijk.

1)      Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd, dat met betrekking tot het voortbestaan van een consumentenovereenkomst die oneerlijke bedingen bevat, de vraag of dit voor de consument gunstiger is, niet relevant is. Die bepaling belet de lidstaten echter niet in hun nationale wetgeving in een dergelijk geval te voorzien in het rechtsgevolg van volledige ongeldigheid van de overeenkomst.

2)      Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (‚richtlijn oneerlijke handelspraktijken’) moet aldus worden uitgelegd, dat het gedrag van een verkoper die in de overeenkomst een lager jaarlijks rentepercentage opgeeft dan het daadwerkelijk toegepaste percentage, voldoet aan de criteria voor kwalificatie als oneerlijke handelspraktijk.

De vaststelling van een dergelijke oneerlijke handelspraktijk heeft weliswaar geen rechtstreekse gevolgen voor de beoordeling van het oneerlijke karakter en de geldigheid van een beding respectievelijk de kredietovereenkomst in haar geheel in de zin van richtlijn 93/13, maar kan worden beschouwd als een omstandigheid rond de sluiting van de overeenkomst waarmee de bevoegde nationale rechter bij zijn beoordeling uit hoofde van artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13 rekening dient te houden.”

RB 1217

Verouderde tool

RCC 8 november 2011, dossiernr. 2011/00870 (ING verouderde tool)

Uiting betreft een tool voor het berekenen van 'hoeveel hypotheek u ongeveer kunt krijgen'. De klacht betreft onjuiste weergave, immers zo  blijkt dat het te lenen bedrag 35% hoger ligt dan men in werkelijkheid kan lenen. Het verweer dat verzuimd is om op 1 januari 2011 de strengere inkomensnormen door te voeren, treft geen doel. Een aanbeveling volgt.

Gebleken is dat als gevolg van onjuiste (verouderde) gegevens in de tool, het door de tool weergegeven bedrag dat men kan lenen in aanmerkelijke mate afwijkt van het bedrag dat men in werkelijkheid kan lenen. Naar het oordeel van de Commissie is aldus sprake van onjuiste informatie met betrekking tot het product zoals bedoeld onder b van artikel 8.2 van de Nederlandse Reclame Code (NRC), te weten de voordelen. Voorts is de Commissie van oordeel dat de gemiddelde consument hierdoor ertoe gebracht kan worden een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet had genomen. Immers zal men aan de hand van het door de tool genoemde bedrag tot het besluit kunnen komen om al dan niet over te gaan tot het afsluiten van een hypotheek bij de ING.

RB 1216

Uiteraard anders - milder - worden beoordeeld

Vzr. Rechtbank Maastricht 25 november 2011, LJN BU5864 (Stichting Virtuele Trombosedienst (NTD) tegen trombosediensten)

Reclamerecht. Misleidende reclame. Ongeoorloofde mededelingen.

De stichting Virtuele Trombosedienst is een zorgaanbieder die onder de naam “De Nationale Trombose Dienst” (NTD) trombose zelfzorg aanbiedt aan trombosepatiënten. De behandeling van trombose bestaat uit het controleren van de mate van stolling van het bloed (meten van de zogenoemde INR-waarde) en het verminderen van de stollingsneiging door voorschrijven van een aan die meting ontleende hoeveelheid medicatie (genoemd anti-stollingsmiddelen, bloedverdunners of cumarines). Zij biedt deze dienst in heel Nederland aan, waarbij maximaal gebruik wordt gemaakt van moderne communicatiemiddelen, zoals internet, email en sms. Daaronder vallen ook e-learning en e-certificering.

Als reactie op een mailing van NTD hebben de trombosediensten een mailing aan hun patiënten gestuurd. Deze noemt NTD onrechtmatig, rechter meent dat een reactieve uiting uiteraard anders - milder - worden beoordeeld dan de pro-actieve reclame-uiting. Mededelingen door trombose diensten zijn niet onjuist en gedaan mede in het belang van patiënten en worden geoorloofd, een rectificatie van één van de mededelingen is niet opportuun. NTD wordt gewezen in de proceskosten ad €4.128,00.

De gewraakte mededelingen 
•“Wij willen u erop attent maken (…) dat de Nationale Trombosedienst niet bij u in de regio gevestigd is, maar in Ede op de Veluwe.” ;
•“Als u zich inschrijft bij de Nationale Trombosedienst dan wordt u uitgeschreven bij uw eigen trombosedienst. Hierbij gaan de afspraken verloren die de Trombosedienst gemaakt heeft in nauwe samenwerking met uw huisarts en specialisten uit de regio.”;
•“Uw eigen Trombosedienst (…) is aangesloten bij de Federatie Nederlandse Trombosediensten (FNT). De Nationale Trombosedienst is niet aangesloten bij deze Federatie, waardoor er bij de Nationale Trombosedienst geen toezicht is op de kwaliteit en veiligheid zoals bij uw eigen Trombosedienst wordt uitgevoerd door de Federatie (FNT).”
•“Als zou blijken dat zelfmeten, om welke reden dan ook, niet geschikt is voor u dan kunt u zonder dat de behandeling onderbroken wordt, weer op de ‘oude’ manier bij ons de behandeling voortzetten.”

3.4.Mede in het licht van de onder 3.3 beschreven omstandigheden, alsmede gelet op de door beide partijen ter zitting gegeven uitleg, oordeelt de voorzieningenrechter de in de mailing van de trombosediensten gedane mededelingen niet ongeoorloofd, althans rectificatie niet opportuun.
3.4.1.Ten aanzien van de mededeling dat bij uitschrijving bij de trombosedienst afspraken verloren gaan die de trombosediensten gemaakt hebben in nauwe samenwerking met huisartsen en specialisten uit de regio, hebben de trombosediensten verklaard dat zij
– in het geval dat een patiënt bijvoorbeeld een operatie moet ondergaan – een regiefunctie voeren ten opzichte van andere zorgverleners, die niet zonder meer door elke andere trombosedienst kan worden overgenomen. Daarvoor zijn de gemaakte afspraken, die veelal zijn vastgelegd in samenwerkingsprotocollen, te complex en dat vereist bovendien bereidheid daartoe van die andere zorgverleners. Vanwege het ontbreken van samenwerkingsafspraken en protocollen tussen de regionale zorgaanbieders en NTD zullen deze afspraken volgens de trombosediensten niet zonder meer door NTD kunnen worden overgenomen. Gelet op deze – onbestreden – uitleg van de trombosediensten dient voorshands te worden aangenomen dat deze afspraken ten gevolge van een uitschrijving en overstap naar NTD inderdaad verloren kunnen gaan. De mededeling die de trombosediensten daaromtrent hebben gedaan is aldus niet onjuist, terwijl het belang van hun patiënten om over dit risico te worden geïnformeerd aannemelijk is.
3.4.2. Op grond van de in zoverre niet betwiste informatie van gedaagden ter zitting is aannemelijk dat het feit dat de trombosediensten zijn aangesloten bij de Federatie Nederlandse Trombosediensten een zekere meerwaarde heeft en een extra kwaliteitswaarborg oplevert door toezicht en controle op de kwaliteit en veiligheid die bij de trombosediensten worden uitgevoerd door de FNT. De dienovereenkomstige mededeling was daarom van belang en geoorloofd. Hiermee staat niet vast dat de zorg van NTD van lagere kwaliteit is dan die van de trombosediensten, maar dat hoeft ook niet vast te staan om voorshands te oordelen dat de door de trombosediensten op het punt van de kwaliteit gemaakte vergelijking geoorloofd was naar de normen van art. 6:194a lid 2 onder b, c en e BW.
3.4.3.NTD stelt dat de in de brieven van twee van de trombosediensten opgenomen mededeling dat, als zou blijken dat zelfmeten om welke reden dan ook niet geschikt is voor een patiënt, deze dan zonder dat de behandeling onderbroken wordt weer op de ‘oude’ manier bij die trombosedienst de behandeling kan voortzetten, misleidend is. Volgens NTD wordt hiermee de indruk gewekt dat een patiënt bij NTD het risico loopt dat hij niet kan terugvallen op de ‘oude’ manier. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dit aan die mededeling echter niet worden ontleend. NTD biedt zelf de ‘oude’ manier van behandeling niet aan, dus een patiënt zal in dat geval wel moéten terugvallen op de reguliere trombosediensten.

3.5.De mededeling dat NTD niet bij de patiënt in de regio gevestigd is maar in Ede op de Veluwe voldoet, strikt genomen, niet aan de voorwaarde van art. 1:194a lid 2 onder c BW omdat de (statutaire) vestigingsplaats geen wezenlijk kenmerk is van de trombosezorg. NTD heeft ter zitting immers, onweersproken, gesteld dat zij ook medewerkers heeft die in de regio werkzaam zijn en die bij gebleken noodzaak in staat zijn op acceptabele termijn bij een patiënt thuis te verschijnen. Bezien in het geheel van voorlichtende mededelingen die de mailing van de trombosediensten bevat, en mede gelet op de hiervoor onder 3.3 geschetste omstandigheden waaronder deze is verzonden, is deze schending echter niet zodanig ernstig dat uitsluitend daardoor een rectificatie bij wege van voorlopige voorziening wordt gerechtvaardigd. Bij dit oordeel is mede gelet op de bij het wél bevelen van de gevorderde voorziening betrokken belangen van partijen en de daarvan afgeleide belangen van degenen (patiënten) die een eventuele rectificatie zouden ontvangen, welke belangen beide partijen zich blijkens hun uitlatingen ter zitting aantrekken. Voorkomen moet worden dat de kennelijk door de mailing van NTD veroorzaakte verwarring bij de patiënten wordt vergroot. Dat zou zonder twijfel het gevolg zijn van een volgende (nota bene aangetekend te verzenden) brief in deze affaire tussen twee elkaar als concurrenten beschouwende zorgverleners, waarmee de patiënten niets uitstaande hebben.

RB 1215

Sobere dispensers - reguliere presentatie

HR 25 november 2011, LJN BS8874 (Agio c.s. tegen Staat)

In navolging van IEF 8522 (Hof) en LJN BB8243 (Rb). Tabaksreclame. Onrechtmatige daad; handhavingspraktijk Staat reclameverbod Tabakswet. De uitstalling van doosjes sigaren in sobere dispensers op de toonbank van benzinestations is een vorm van 'reguliere presentatie' (Rechtbank)

Begrip “reguliere presentatie” in art. 5 lid 3, aanhef en onder b, (oud) Tabakswet (thans art. 5 lid 4, aanhef en onder b, Tabakswet). Het oordeel van het Hof dat het opstellen van dispensers op de toonbank benzinestations valt onder het reclameverbod is juist en niet onbegrijpelijk.

Uitzondering op reclameverbod reikt niet verder dan nodig om in tabaksverkooppunt te tonen welk tabaksproduct voor welke prijs wordt verkocht. Elke presentatie die verdergaand aanprijzend karakter heeft dan deze reguliere presentatie, valt onder reclameverbod. Overige klachten verworpen met toepassing art. 81 RO.

3.4.3 Het standpunt van Agio c.s. komt erop neer dat onder "reguliere presentatie" als bedoeld in art. 5 lid 3, aanhef en onder b, moet worden verstaan elke wijze van presenteren van tabaksproducten die voor de invoering van het reclameverbod feitelijk gebruikelijk was. Dat standpunt kan niet worden aanvaard. Op het algemene verbod tot het maken van iedere vorm van reclame voor tabaksproducten is in de Tabakswet slechts een zeer beperkte uitzondering gemaakt, waarmee is beoogd een belemmering voor de verkoop van tabaksproducten weg te nemen die door dit verbod zou ontstaan. Die uitzondering reikt, mede in het licht van de totstandkomingsgeschiedenis, niet verder dan nodig is om in een tabaksverkooppunt te tonen welk tabaksproduct voor welke prijs wordt verkocht. Dat brengt mee dat elke presentatie die een verdergaand aanprijzend karakter heeft dan deze reguliere presentatie, valt onder het reclameverbod.
De opvatting van het hof omtrent hetgeen onder "reguliere presentatie" moet worden verstaan, is dus juist.

3.4.4 Het hof heeft geoordeeld dat de onderhavige presentatie van de doosjes sigaren in op de toonbank geplaatste dispensers, voor welke presentatie Agio c.s. de exploitanten van benzinestations betaalden, verder gaat dan voor het te koop aanbieden noodzakelijk is. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat deze tabaksproducten worden gepresenteerd op een wijze die verder gaat dan nodig is om te tonen welk tabaksproduct voor welke prijs wordt verkocht.
Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

RB 1209

Groupon maakt advies en korting niet aannemelijk

RCC 4 november 2011, dossiernr. 2011/00890 (groupon juistheid adviesprijs en korting van 47% niet aannemelijk gemaakt).

Promotionele actie. Aanbieding op website www.groupon.nl van een “Olympus VG 130 14 megapixels met verschillende accessoires verkrijgbaar (waarde tot € 199)” voor het bedrag “vanaf € 79,00” en met “korting 47%”: De normale prijs van deze camera bij hetzelfde bedrijf als waar de camera via Groupon wordt gekocht, is € 82,95. Bij een andere aanbieder kost de camera zonder Groupon-korting zelfs maar € 78. Er is dus geen sprake van een korting van 47%. Adviesprijs, zo luidt het verweer is €149.

Commissie: Adverteerder heeft aangevoerd bij de mededeling dat 47% korting wordt verleend te zijn uitgegaan van de adviesprijs van de aangeboden digitale camera,  die volgens adverteerder € 149 bedraagt. Nu klager gemotiveerd heeft bestreden dat de actieprijs van(af) € 79 daadwerkelijk een korting van 47% ten opzichte van de normale prijs betekent, ligt het op de weg van adverteerder de juistheid van de door haar gehanteerde ‘adviesprijs’ en de beweerdelijk verleende korting aannemelijk te maken. Hierin is adverteerder naar het oordeel van de Commissie niet geslaagd.
 
Gelet hierop is de uiting voor de gemiddelde consument onjuist ten aanzien van het bestaan van een specifiek prijsvoordeel als bedoeld in artikel 8.2 onder d van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Nu de uiting de gemiddelde consument er bovendien toe kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen, is de uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

RB 1199

Bewijs actieproducten wel aanwezig

CVB 10 november 2011, dossiernr. 2011/00307 (kruidvat / 4 flessen fructies €5,00 product niet aanwezig)

Bewijs ten aanzien van hoeveelheden actieproducten in specifiek filiaal gedurende de gehele actieperiode. Het betreft de voor de periode 22 t/m 27 maart 2011 aangekondigde aanbieding van 4 stuks Fructis shampoo of conditioner voor € 5,00 in de huis-aan-huis verspreide folder van Kruidvat. In citaten:

Oordeel van de Commissie:
Op basis van het totale en het gemiddelde aantal verkochte actieproducten valt echter niet te beoordelen of de voor een afzonderlijk filiaal beschikbare voorraad redelijk was. Nu klaagster bekend heeft gemaakt welk Kruidvat-filiaal door haar is bezocht, had het op de weg van adverteerder gelegen na te gaan welke voorraad Fructis actieproducten voor dit filiaal beschikbaar was. Adverteerder heeft dit achterwege gelaten. Gelet hierop acht de Commissie niet aannemelijk geworden dat de aangeprezen Fructis actieproducten in voldoende mate aanwezig zijn geweest in het Kruidvat-filiaal Dijkcentrum te Roosendaal.

Tussenbeslissing 3. Nu geïnti­meerde concreet heeft geklaagd over het feit dat, naar zij stelt, in het door haar bezochte filiaal gedurende de gehele actieperiode geen Fructis actieproducten te koop waren, alsmede dat deze producten tijdens de actie ook niet werden aange­vuld, terwijl de actieproducten daarna weer in de schappen lagen, lag het op grond van het voorgaande op de weg van Kruidvat om aanne­melijk te ma­ken dat in het des­betreffende filiaal tijdens de ac­tie de Fructis actieproduc­ten kon­den wor­den ge­kocht. Kruid­vat diende daartoe gegevens van het desbetreffende filiaal over te leg­gen. Uit die gege­vens zou dienen te blijken dat de actie­producten in het filiaal aan­we­zig waren in een hoe­veelheid die, rekening houdend met het product, de omvang van de voor het pro­duct gevoerde reclame en de aan­geboden prijs redelijk is.

4. Kruidvat heeft tot op heden geen inlichtingen verschaft over de voorraad Fructis actieproducten in het desbetreffende filiaal. Het College acht het aangewezen om Kruid­vat alsnog in staat te stellen door middel van stukken aannemelijk te maken dat gedurende de actieperiode in het desbetreffende filiaal de Fructis actie­pro­ducten in voldoende mate te koop waren.

Eindbeslissing 5. Voorts is het College van oordeel dat uit de overgelegde gegevens blijkt dat de actieproducten in het desbetreffende filiaal aanwezig waren in een hoeveelheid die, rekening houdend met het product, de omvang van de voor het product gevoer­de reclame en de aangeboden prijs, redelijk is. Hierbij acht het College met name van belang dat er bij het einde van de actie een voorraad van 48 actieproducten was, waarbij bovendien ook nog diverse combinaties mogelijk waren.

RB 1198

Kaarten in het buitenland kopen

CVB 10 november 2011, dossiernr. 2011/00520 (easyjet Goedkoopste / laagste tarief niet mogelijk in NL)

Goedkoopste tarieven kunnen niet in Nederland worden geboekt, boekingskosten blijven alleen met niet-Nederlandse credit cards onbetaald.

Tussen partijen staat vast dat het meermalen in de uiting vermelde tarief van € 33,99 voor een enkele reis alleen geldt indien een elektronische boeking wordt gedaan met een Visa electron card of een Carte Bleue en dat in andere gevallen een boekingstoeslag geldt. Adverteerder heeft erkend c.q. niet weersproken dat voornoemde kaarten in Nederland niet verkrijgbaar zijn. Adverteerder heeft meegedeeld dat men in het Verenigd Koninkrijk een Visa Electron card kan aanschaffen, en vervolgens van daaruit via easyJet.com/nl een boeking kan doen, zonder toeslag.

 

Onder deze omstandigheden acht de Commissie vermelding in de onderhavige -op Nederland gerichte- uiting van € 33,99 als laagste tarief, zonder dat daarbij direct een voorbehoud wordt gemaakt betreffende vrijwel altijd bijkomende kosten per boeking, niet correct en duidelijk. Artikel III RR luidt, voor zover hier van belang: “Aanbieders zijn gehouden tot het hanteren van correcte en duidelijke prijzen in hun reclame-uitingen”. Commissie doet aanbeveling en College van Beroep bevestigd het oordeel van college.

 

2. In beroep is geen grief gericht tegen het onder­deel van de bestre­den be­slis­sing waarin de Commissie heeft geoordeeld dat Visa Electron en Carte Bleue in Neder­land niet ver­krijg­baar zijn. Niet gesteld of gebleken is dat de Nederlandse con­su­ment deze kaarten in het buitenland koopt en daarmee bij easyJet betalingen doet.  Uit­gangs­punt is daarom dat indien de Neder­land­se consu­ment bij easyJet een reis boekt, dat ge­beurt met de in Nederland gebruikelijke betaalmiddelen. Voor die be­talingen zijn krachtens de voorwaarden van easyJet altijd de hiervoor bedoelde boe­kings­toeslagen verschuldigd.
 
3. Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het Col­lege de wijze waar­op easyJet in de onderhavige uiting informatie over de prijs geeft, niet correct en dui­delijk. De in de uiting genoemde uitzonderingen waarbij geen boekingstoesla­gen in rekening worden gebracht, zijn voor de Ne­derlandse con­su­ment immers niet rele­vant en wekken bij deze consument ten onrechte de indruk dat die toeslagen op­tioneel zijn.
 
4. Dat de toeslagen per boeking gelden, is naar het oordeel van het College geen re­den om deze niet als vaste onvermijdbare kosten te beschouwen in de zin van het bepaalde onder III sub 1 RR. Wel kan in dit laatste, zoals ook uit de beslissing van de Commissie volgt, aanleiding worden ge­vonden het toelaatbaar te achten dat easyJet in reclame-uitingen de prijzen aldus publiceert, dat direct bij de prijs het voor­behoud wordt gemaakt dat de prijs dient te worden ver­meerderd met de bij­ko­mende, gespecificeerde, toeslagen per boeking. Nu de verplichting tot be­ta­ling van die toeslagen in het onderhavige geval evenwel niet direct uit de uiting blijkt, heeft de Commis­sie de uiting terecht in strijd met het bepaalde onder III RR geacht.

RB 1194

De terugbetaling van de inleg op de einddatum

Rechtbank 's-Gravenhage 2 november 2011, LJN BU3900 (eiser tegen Staalbankiers N.V.)

Misleidende informatie over bankproduct. Bodemzaak. Aansprakelijkheid Bank voor schade die cliënt lijdt als gevolg van een garantieproduct, waarbij het debiteurrisico werd gelopen op Lehman Brothers. Bank niet zelf als garant aansprakelijk voor dit product en er is ook geen sprake van misleidende informatie over dit product. De bank heeft wel haar bijzondere zorgplicht geschonden, omdat het in dit geval ging om pensioengelden van cliënt. Staalbankiers wordt veroordeeld in proceskosten ad €9.306,93.

Onjuiste of misleidende informatie / dwaling?
4.3.De rechtbank is, anders dan [eisers c.s.], van oordeel dat de aan [eisers c.s.] verstrekte informatie over het product Staalbankiers Garantiebeheer ten aanzien van de werking van de note en de aan de note verbonden risico's correct, duidelijk en niet misleidend is. Uit deze informatie volgt dat ten aanzien van de terugbetaling van de inleg op de einddatum een garantie is afgegeven door Lehman Holding. Dat aan de door Lehman Holding verstrekte garantie het risico verbonden is dat zij kan failleren en dat zij in dat geval niet (geheel) zal kunnen uitkeren, behoeft geen uitdrukkelijke vermelding, maar spreekt voor zich. In de verstrekte informatie is ook vermeld dat men een debiteurenrisico op Lehman Holding liep. Voorts is in de verstrekte informatie opgenomen dat Lehman Holding een A+ rating had en dat dit stond voor een uitstekende kredietwaardigheid. Dit is juist en niet misleidend. Weliswaar zou uit de aanduidingen "100% van de hoofdsom retour " en "de zekerheid van een hoofdsomgarantie op einddatum" in de toelichting "Staalbankiers Garantiebeheer" op zichzelf genomen afgeleid kunnen worden dat de belegger steeds zijn inleg terug zou ontvangen, maar indien deze aanduidingen worden bezien in het licht van de rest van de in deze toelichting opgenomen informatie, moet ook voor een niet professionele belegger het bij lezing duidelijk zijn geweest dat het een door Lehman Holding verstrekte garantie was, waarvan de aard en omvang van de daarmee verstrekte zekerheid één op één samenhing met de kredietwaardigheid van die bank. Verder hebben [eisers c.s.], zoals hiervóór al is overwogen, ook niet redelijkerwijs mogen aannemen dat de hoofdsomgarantie door Staalbankiers werd afgegeven.

4.4.Gelet op een en ander is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat Staalbankiers onjuiste dan wel misleidende informatie over het product Staalbankiers Garantiebeheer heeft verstrekt. Bijgevolg kan het beroep van [eisers c.s.] op dwaling op deze grond niet slagen. [eisers c.s.] hebben ook geen andere feiten en omstandigheden gesteld die een beroep op dwaling kunnen rechtvaardigen. De subsidiaire vorderingen zijn dus evenmin toewijsbaar.

Lees het vonnis hier (LJN / pdf)

RB 1191

Ik wil nu rente op mijn betaalrekening

RCC 4 oktober 2011, Dossiernr. 2011/00792 (SNS-bank als wenige rente)

Uiting op ikwilnurenteopmijnbetaalrekening.nl. ASN en Friesland geven (ook) rente over positief saldo op betaalrekening. De klacht gaat voorbij aan de woorden “Van alle grote banken”. Adverteerder, zelf een grote bank, verwijst in de uiting naar de (andere) grote banken van Nederland. Duidelijk zal zijn dat het hier gaat om ING, ABN AMRO/Fortis en Rabobank. Friesland Bank en ASN worden niet tot de grote banken gerekend. De kwalificatie ‘Grootbank’ of ‘grote bank’ ter onderscheiding van de overige -kleine- banken mag als bekend worden verondersteld en wordt ook gebruikt door De Nederlandsche Bank. 

Het oordeel van de Commissie
Klager gaat ervan uit dat in de uiting wordt gesteld dat SNS Bank de enige bank is die rente geeft over een betaalrekening. Dit uitgangspunt is onjuist, omdat in de radioreclame wordt gezegd: “Van alle grote banken krijgen nu alleen klanten van SNS Bank rente op hun betaalrekening met SNS Betalen”. Klager heeft niet gesteld noch is  anderszins gebleken dat SNS Bank niet de enige grote bank is die rente op betaalrekeningen geeft.
Derhalve wordt als volgt beslist.

RB 1188

Inderdaad de waarschuwingszin

Beantwoording Kamervragen over voorschotje.nl, brief 2011Z20251 / 2011Z20257

7 Aangezien bij reclame over leningen de slogan “ Geld lenen kost geld” verplicht is, deelt u de mening dat ook deze waarschuwing op shirtreclame zichtbaar moet zijn?

Antwoord vraag 7. Bij reclames voor krediet is het verplicht om de waarschuwingszin „Let op! Geld lenen kost geld.‟ op te nemen. Reclame voor de (merk)naam van een onderneming, zoals een bank, zal in de regel geen reclame voor krediet zijn. Dan hoeft in de reclame niet de waarschuwingszin opgenomen te worden. Wanneer een sponsor op een shirt een wervende of aanprijzende tekst plaatst ten aanzien van een krediet zou inderdaad de waarschuwingszin opgenomen moeten worden.