Dierenartsen

RB 2996

Misleiding bij zoeken naar de "beste" dierenarts op dierenarts.nl

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 25 sep 2017, RB 2996; dossiernr. 2017/00486 (dierenarts.nl), http://www.reclameboek.nl/artikelen/misleiding-bij-zoeken-naar-de-beste-dierenarts-op-dierenarts-nl
dierenarts.nl

RCC 25 september 2017, RB 2996; dossiernr. 2017/00486 (dierenarts.nl). Aanbeveling. Misleiding. Het betreft de uitingen “Dierenarts.nl – Het logische startpunt voor elke dierhouder” zoals weergegeven bij het google zoekresultaat; De website ‘dierenarts.nl’ van verweerder voor zover deze luidt: “De beste dierenarts voor <naam dier> in <zoeken op plaats>”; De geplaatste reviews op de website ‘dierenarts.nl’ van verweerder; “Dierenarts.nl groot succes op Animal Event!” in het tijdschrift voor Diergeneeskunde van juni 2017, op pagina 20-21. De klacht: De aanprijzingen van veterinaire diensten door de KNMvD zijn misleidend en zijn aan te merken als onfatsoenlijk omdat dierhouders, anders dan de uitingen beweren, geen garantie hebben op de keuze voor “de beste dierenarts”.  De uitingen zijn bovendien oneerlijk ten opzichte van dierenartsen die met professionele toewijding maar zonder de KNMvD-lidmaatschap dan wel CKRD-registratie de diergeneeskunde uitoefenen. De KNMvD maakt misbruik van haar machtspositie en schaadt het vertrouwen dat een consument door deze reclame mag verwachten en brengt de veterinaire dienstverlening in diskrediet.

RB 2172

België voldoet niet aan verplichtingen uit Richtlijn OHP

HvJ EU 10 juli 2014, RB 2172, zaak C-421/12 (Commissie/België) - dossier
Oneerlijke handelspraktijken. De Commissie stelt dat België niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 3, lid 1 juncto artikel 2, sub b en d, van de richtlijn 2005/29 (oneerlijke handelspraktijken), door beoefenaars van een vrij beroep, tandartsen en kinesisten van de werkingssfeer van de wet betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming uit te zonderen.

Daarnaast bepalen de artikelen 20, 21 en 29 van diezelfde wet dat elke aankondiging van een prijsvermindering moet verwijzen naar een door de wet vastgestelde prijs, in casu de laagste prijs die is gevraagd tijdens de maand vóór de eerste dag van de betrokken aankondiging. Voorts verbieden die bepalingen, enerzijds, een prijsvermindering voor een periode van meer dan een maand aan te kondigen en, anderzijds, dergelijke aankondigingen voor minder dan een dag te doen. Volgens de Commissie verzet de richtlijn oneerlijke handelspraktijken zich tegen dergelijke strengere nationale bepalingen. Bovendien stelt de Commissie dat de in de wet betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten opgenomen verbodsbepaling op colportage en het verbod dat bepaalde producten via de ambulante handel worden verkocht, net als bij de tweede tekortkoming ook in dit geval richtlijn 2005/29 geen dergelijke verbodsbepalingen bevat en zich dus tegen die nationale bepalingen verzet.

Het Hof verklaart voor recht dat België door het handhaven van eerder genoemde bepalingen de krachtens op hem rustende verplichtingen van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken niet is nagekomen.

42      Het Koninkrijk België heeft toegegeven dat de eerste grief gegrond is, maar stelt dat de door de Commissie aangevoerde niet-nakoming in feite „gecorrigeerd” is door de gevolgen van de arresten nr. 55/2011 van 6 april 2011 en nr. 192/2011 van 15 december 2011 waarbij het Grondwettelijk Hof de artikelen 2, 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 ongrondwettig heeft verklaard.

43      In herinnering zij echter gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit normen van Unierecht (zie met name arresten Commissie/Luxemburg, C‑450/00, EU:C:2001:519, punt 8, en Commissie/Luxemburg, C‑375/04, EU:C:2005:264, punt 11).

61      Bijgevolg is een dergelijke nationale regeling, waarbij praktijken die niet zijn vermeld in bijlage I bij richtlijn 2005/29 in het algemeen worden verboden, zonder dat individueel wordt getoetst of zij „oneerlijk” zijn volgens de in de artikelen 5 tot en met 9 van die richtlijn geformuleerde criteria, niet te rijmen met de inhoud van artikel 4 van die richtlijn en is zij in strijd met de door die richtlijn nagestreefde volledige harmonisatie, ook al beoogt die regeling een hoger niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen (zie in die zin arrest Plus Warenhandelsgesellschaft, EU:C:2010:12, punten 41, 45 en 53).

72      Artikel 4 van richtlijn 2005/29 verzet zich tegen de handhaving van dergelijke strengere nationale maatregelen, behoudens het bepaalde in artikel 3, lid 5, van die richtlijn, namelijk dat „[d]e lidstaten [...] gedurende een periode van zes jaar, te rekenen vanaf 12.06.2007 op het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied nationale bepalingen [kunnen] blijven toepassen die strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van deze richtlijn en die uitvoering geven aan richtlijnen die clausules voor minimale harmonisatie bevatten”.

78      Gelet op een en ander is het Koninkrijk België de krachtens de artikelen 2, sub b en d, 3 en 4, van richtlijn 2005/29 op hem rustende verplichtingen niet nagekomen, door beoefenaars van een vrij beroep, tandartsen en kinesisten uit te sluiten van de werkingssfeer van de wet van 14 juli 1991, waarbij richtlijn 2005/29 in intern recht is omgezet, door de artikelen 20, 21 en 29 van de wet van 6 april 2010 te handhaven en door artikel 4, lid 3, van de wet van 25 juni 1993 en artikel 5, lid 1, van het koninklijk besluit van 24 september 2006 te handhaven.

1) Het Koninkrijk België is

– door beoefenaars van een vrij beroep, tandartsen en kinesisten uit te sluiten van de werkingssfeer van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, zoals gewijzigd bij de wet van 5 juni 2007, waarbij richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) is omgezet in Belgisch recht;

– door de artikelen 20, 21 en 29 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming te handhaven, en

– door artikel 4, lid 3, van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten, zoals gewijzigd bij de wet van 4 juli 2005, en artikel 5, lid 1, van het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten te handhaven,

de krachtens de artikelen 2, sub b en d, 3 en 4 van richtlijn 2005/29 op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.

RB 1577

Informatie onthouden over erfelijke aandoeningen, maar geen OHP

Ktr. Bergen op Zoom, 12 december 2012, LJN BY7900 (Matta tegen X hodn Of the Hunter's Home)

Henktenklooster CC/BY/SA wiikipediaUitspraak ingezonden door en kort commentaar van Ady van Nieuwenhuizen, Ploum Lodder Princen.

Opmerkelijke uitspraak over consumentenkoop en oneerlijke handelspraktijken. Eiseres heeft in 2009 de Ierse setter met roepnaam Sam gekocht bij gedaagde die een kennel drijft. Na 18 maanden kreeg Sam epileptische aanvallen. Diverse behandelingen door gedaagde als kennelhoudster en dierenartsen hebben niet mogen baten. Eiseres heeft vervolgens Sam laten inslapen.
 
Eiseres, bijgestaan door jurist van de Stichting Dier & Recht, heeft in procedure voor de kantonrechter vergoeding van de koopprijs en van de gemaakte dierenartskosten gevorderd op grond van tekortkoming in de nakoming. Eiseres heeft ook een beroep gedaan op oneerlijke handelspraktijken.
 
De kantonrechter stelt vast dat het een feit van algemene bekendheid is dat onder rashonden, zoals Ierse setters, veel erfelijke aandoeningen voorkomen en dat juist bij Ierse setters veel epilepsie voorkomt. De kantonrechter overweegt dat nu gedaagde als erkend fokster op haar website met geen woord rept over de kans op epilepsie,  daarmee aan potentiële kopers relevante informatie wordt onthouden.

Tekortkoming in de nakoming wegens non-conformiteit wordt zodoende aangenomen. Gedaagde heeft haar mededelingsplicht geschonden door niets mede te delen over deze veelvoorkomende aandoening. Teruggaaf van de koopprijs, medische- en reiskosten worden toegewezen. Ook wordt een bedrag van EUR 1.500 toegewezen als immateriële schade.

Het beroep op oneerlijke handelspraktijken wordt afgewezen omdat dit vooral uit de koker van de gemachtigde van eiseres zou komen. Deze gemachtigde zou, alsdus de kantonrechter, graag zien dat er een 'voorbeeld' zou worden gesteld op dit punt. Echter, het enkel tekortschieten in de nakoming zou onvoldoende zijn om een dergelijke vergaande uitspraak te doen. Daarbij is de kantonrechter tevens van mening dat hetgeen eiseres heeft gesteld ten aanzien van oneerlijke handelspraktijken te veel gebaseerd is op vermoedens.

Deze uitspraak is opmerkelijk omdat de kantonrechter in zijn overwegingen wel heeft vastgesteld dat potentiële kopers op de website relevante informatie wordt onthouden door gedaagde. Dan is er toch duidelijk sprake van een oneerlijke handelspraktijk. Helaas durft de rechter zich toch niet te branden aan het toewijzen van de vordering dat er sprake is van een oneerlijke handelspraktijk.

Lees de uitspraak hier zaaknr. 731752 CV EXPL 12-4990, LJN BY7900.

RB 998

Motie reclameverbod antibiotica?

In navolging van verbod op tabaksreclame en (recentelijke voorstel tot) alcoholreclame, nu een motie verbod voor reclame voor antibiotica in het kader van dierziektebeleid (Kamerstukken II, 2010-11, 29 683, nr. 93).

De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterend, dat de regering een verbod op reclame voor diergenees-middelen overweegt; 
van mening, dat aandoeningen bij dieren, zoals parasitaire infecties, een risico voor de volksgezondheid en een aantasting van het dierenwelzijn kunnen veroorzaken; 
van mening, dat reclame voor overige diergeneesmiddelen een voorlichtende werking kan hebben en kan bijdragen aan het verminderen van risico’s voor de volksgezondheid; 
verzoekt de regering alle vormen van reclame voor antibiotica te verbieden, 
en gaat over tot de orde van de dag. 
Ormel