RB

Diensten  

RB 1922

Ook bij op=op actie moet product in voldoende mate aanwezig zijn

Vz. RCC 11 september 2013, dossiernr. 2013/00562 (Velux dakramen)
images?q=tbn:ANd9GcT942W6LBCF7TkNJTJCaqm5H8gXL8WxwKrbargKoI9msRaNtbjSKQMisleidende beschikbaarheid, voorzitterstoewijzing. Het betreft adverteerders huis aan huis verspreide folder waarin onder meer “Velux dakramen” worden aangeboden met de mededeling:
“50% korting, op=op! aanbod verschilt per bouwmarkt”.

De klacht - In heel Zeeland en Brabant waren deze ramen niet verkrijgbaar. Sommige vestigingen deelden telefonisch mee slechts één exemplaar te hebben gekregen. Bij klaagsters, in Zeeland wonende, schoonzoon werd de folder pas bezorgd een paar dagen nadat zij telefonisch informatie bij adverteerder had ingewonnen. Hier is sprake van een lokkertje.

Het oordeel van de voorzitter

Klaagster heeft niet dan wel onvoldoende weersproken gesteld dat op 10 juli 2013, derhalve op de derde dag van de 14 dagen durende actie, in heel Zeeland en Brabant geen Velux dakramen meer verkrijgbaar waren. De in de uiting gemaakte voorbehouden duiden erop dat sprake is van een beperkte voorraad, maar dit neemt niet weg dat de ramen, mede gezien de aantrekkelijkheid van de actie en de in verband daarmee te verwachten belangstelling, in voldoende mate voorradig moeten zijn (geweest). Niet is echter gebleken dat in dit geval in de verschillende bouwmarkten aan dit vereiste was voldaan.

Blijkens het bovenstaande is in de uiting onvoldoende (duidelijke) informatie verstrekt over de beschikbaarheid van de ramen als bedoeld in artikel 8.2 aanhef en onder b van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Nu de gemiddelde consument hierdoor ertoe kan worden gebracht een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen, acht de voorzitter de uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

De beslissing

Op grond van het vorenstaande acht de voorzitter de reclame-uiting in strijd met artikel 7 NRC en beveelt hij adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Regeling:    NRC (nieuw) art. 7

NRC (nieuw) art. 8.2 aanhef

NRC (nieuw) art. 8.2 onder b.

RB 1921

HvJ EU: Over onjuiste verkoopbrochure, professionele toewijzing en misleidende handelspraktijk

HvJ EU 19 september 2013, zaak C-435/11 (CHS Tour Services tegen Team4 Travel) - dossier - persbericht
chs_logo.gifPrejudiciële vragen gesteld door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk)
Richtlijn 2005/29/EG Oneerlijke handelspraktijken. Verkoopbrochure die onjuiste informatie bevat, Vereisten van professionele toewijding. Kwalificatie als ,misleidende handelspraktijk’. Geval waarin handelaar niet kan worden verweten de zorgvuldigheidsverplichting niet te zijn nagekomen. Brochure die onjuiste bewering inzake exclusiviteit bevat

Uitspraak: [Richtlijn oneerlijke handelspraktijken] moet aldus worden uitgelegd dat een handelspraktijk die voldoet aan alle in artikel 6, lid 1, van deze richtlijn genoemde criteria om te kunnen spreken van een misleidende praktijk jegens de consument, als oneerlijk en daarmee als verboden op grond van artikel 5, lid 1, van de richtlijn kan worden aangemerkt zonder dat hoeft te worden nagegaan of die praktijk ook in strijd is met de vereisten van professionele toewijding in de zin van artikel 5, lid 2, sub a, van de richtlijn.

Gestelde prejudiciële vraag:

„Dient artikel 5 van [de richtlijn] aldus te worden uitgelegd dat in geval van misleidende handelspraktijken in de zin van artikel 5, lid 4, van die richtlijn een afzonderlijke toetsing van de criteria van artikel 5, lid 2, sub a, van de richtlijn niet is toegestaan?”
RB 1920

Verwijzing op de radio naar algemene voorwaarden niet genoeg

RCC 3 september 2013, dossiernr. 2013/00545 (neckermann radioreclame)
Aanbeveling, misleidende reclame, ontbrekende informatie Het betreft een radiocommercial waarin het volgende wordt gezegd: “Speciale aanbieding: zaterdag 25 mei een eenmalig vakantieaanbod bij Neckermann. Boek 25 mei een smartline vakantie en de tweede persoon betaalt maar 1 euro. Ga naar uw reisbureau of boek direct op neckermann.nl. Boek slim, boek smartline. Dé all inclusive low budget formule van Neckermann. Vraag naar de voorwaarden.”

De klacht - Pas bij het aanvragen van een berekening op de website blijkt dat sprake is van een cash back actie, waarbij eerst het gehele bedrag van de reis voor twee personen moet worden betaald en het reisbedrag voor de tweede persoon later wordt terugbetaald. Aan het terug te ontvangen bedrag zit bovendien een maximum van € 800,-, waardoor een restbedrag van soms meer dan € 100,- overblijft. Dit alles maakt de uiting misleidend.

Het oordeel van de Commissie

Vast is komen te staan dat de in de commercial aangeprezen smartline actie een cashback-actie betreft, waarbij na betaling van de gehele reissom het voor de tweede persoon betaalde bedrag (minus 1 euro) tot een maximum van € 800,- kan worden teruggevraagd. Naar het oordeel van de Commissie betreffen de aard van de kortingsactie (cashback) en het aan de actie verbonden maximum van € 800,- essentiële informatie die in de commercial zelf vermeld dient te worden. Ten aanzien van deze aspecten van de actie kan - ook in een radiocommercial - niet worden volstaan met een algemene verwijzing naar voorwaarden.

Gelet op het voorgaande is sprake van het te laat verstrekken van essentiële informatie die de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen  als bedoeld in artikel 8.3 aanhef en onder c van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Omdat de Commissie voorts van oordeel is dat de gemiddelde consument door de uiting ertoe gebracht kan worden een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen, is de uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

Op grond van het voorgaande wordt als volgt beslist.

De beslissing

De Commissie acht de reclame-uiting in strijd met het bepaalde in artikel 7 NRC. Zij beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Regeling:    NRC (nieuw) art. 7

NRC (nieuw) art. 8.3 aanhef

NRc (nieuw) art. 8.3 onder c.

RB 1898

Weglaten vooraf bekende bijkomende kosten is in strijd met Reclamecode Reisaanbiedingen

RCC 15 augustus 2013, dossiernr. 2013/00482 (Weglaten bijkomende kosten)
255x0.pngOnduidelijke prijs, bijkomende kosten. Aanbeveling op basis van de Reclamecode Reisaanbiedingen. Het betreft de vermelding van prijzen van hotelkamers door HRS in de bij de e-mail van Booking.com van 27 mei 2013 gevoegde uitingen op de website www.hrs.com en op de prijsvergelijkingssite van Trivago (www.trivago.nl).

De klacht - HRS toont de prijzen van door haar aangeboden hotelkamers exclusief belastingen en toeslagen. Belastingen en bijkomende kosten die redelijkerwijs berekend kunnen worden, moeten in de totaalprijs worden meegenomen. Het betreft bijvoorbeeld: a) toeristenbelasting (5,5%) in Amsterdam; b) resort fee van USD 25 per kamer; c) cleaning fee van € 20,- per kamer. HRS laat bovendien na om de hoogte te vermelden van de belastingen en toeslagen die niet tevoren kunnen worden berekend. (Concurrent) Booking.com acht de uitingen in strijd met de artikelen 8.2, 8.3 en 8.4 van de Nederlandse Reclame Code (NRC), artikel III sub 1 van de Reclamecode Reisaanbiedingen (RR) en de artikelen 6:193a -6:193j van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Het oordeel van de Commissie
Toeristenbelasting
De klacht is in de eerste plaats gericht tegen het vermelden door HRS van hotelkamerprijzen waarin de toeristenbelasting die op het moment van vermelding van die prijzen bekend is, niet is opgenomen. HRS heeft aangevoerd dat toeristenbelasting niet in de prijs hoeft te zijn opgenomen, nu geen sprake is van vaste onvermijdbare kosten die aan de aanbieder moeten worden betaald in de zin van artikel III sub 1 RR.

Artikel III sub 1 van de Reclamecode Reisaanbiedingen bepaalt, voor zover hier van belang: “Aanbieders zijn gehouden tot het hanteren van correcte en duidelijke prijzen in hun reclame-uitingen. Zij publiceren hun prijzen, al of niet gespecificeerd, inclusief de hen op het moment van publicatie bekende vaste onvermijdbare (= bijkomende onlosmakelijk aan de dienst verbonden) kosten die voor de aangeboden diensten aan de aanbieder moeten worden betaald.” Blijkens de toelichting bij artikel III.1 RR wordt onder “vaste onvermijdbare (bijkomende) kosten” onder meer verstaan: “toeristen-/verblijfsbelasting, tenzij deze niet vooraf kan worden berekend; in dat geval moet worden vermeld dat deze nog ter plekke moet worden afgedragen”.
Uit het voorgaande volgt dat de toeristenbelasting die vooraf kan worden bepaald - omdat deze belasting een vast percentage van de kamerprijs betreft dan wel een vast bedrag per kamer, ongeacht het aantal personen - moet worden aangemerkt als vaste onvermijdbare bijkomende kostenpost die in de kamerprijs dient te worden opgenomen. Hierbij is kennelijk ervan uitgegaan dat het hoogst ongebruikelijk is dat men een hotelkamer boekt in de plaats waarin met staat ingeschreven, en dat er om die reden geen aanleiding bestaat de toeristenbelasting als variabele kosten te beschouwen.
Nu met betrekking tot de bestreden uitingen niet is gebleken dat de hoogte van de toeristenbelasting niet vooraf kan worden bepaald, merkt de Commissie deze belasting in het onderhavige geval aan als vast en onvermijdbaar.

Bij letterlijke interpretatie van de tekst van artikel III sub 1 RR zou deze bepaling kunnen worden opgevat in die zin dat toeristenbelasting die niet rechtstreeks aan “de aanbieder” moet worden betaald, maar ter plekke aan de hoteleigenaar, niet in de door de aanbieder in zijn reclame gepubliceerde prijs zou hoeven te zijn opgenomen. Het komt de Commissie echter voor - zoals ook overwogen in haar door het College van Beroep bevestigde uitspraak in dossier 2012/00040 - dat artikel III sub 1 RR niet in deze zin is bedoeld, doch dat is bedoeld ervoor te zorgen dat alle onvermijdbare kosten die op het moment van publicatie van een prijs bekend zijn, in die prijs worden opgenomen. De Commissie overweegt in dit verband dat blijkens de preambule bij de RR het doel van deze code is: “het ten behoeve van de consument voorkomen van misleidende reclame-uitingen op de Nederlandse markt inzake de prijs en de beschikbaarheid van reis-, recreatie-, vervoer- en verblijfsdiensten”. Door alle onvermijdbare, bekende kosten in de prijs op te nemen, wordt de consument in staat gesteld om prijzen van hotelkamers die door verschillende aanbieders worden aangeboden eenvoudig en zonder kosten over het hoofd te zien met elkaar te vergelijken.

Gelet op de tekst van de voornoemde bepaling in de RR en de onderliggende preambule dient naar het oordeel van de Commissie de vooraf bekende toeristenbelasting daadwerkelijk in de prijs te worden opgenomen en acht zij het niet toegestaan om, zoals in de onderhavige reclame-uitingen, mee te delen dat toeristenbelasting extra wordt berekend al naar gelang de lokale tarieven. In dit verband wordt ook verwezen naar dossier 2012/00040 waarin het College van Beroep heeft geoordeeld dat het opnemen van de toeristenbelasting ook als essentieel dient te worden beschouwd in de zin van artikel 8.4 aanhef en onder c NRC.

Nu HRS de prijzen voor hotelkamers vermeldt exclusief de bij die kamers behorende, op het moment van publicatie van de prijzen bekende toeristenbelasting, is artikel III sub 1 RR overtreden. Tevens is artikel IV sub 1 RR overtreden, nu het gaat om uitnodigingen tot aankoop.
Dat het - naar HRS stelt - in de hotelbranche niet gebruikelijk zou zijn om totaalprijzen inclusief toeristenbelasting te vermelden, maakt dit oordeel niet anders.

De klacht betreft voorts, zo begrijpt de Commissie, de vermelding van toeristenbelasting waarvan het bedrag niet bij publicatie van de kamerprijs bekend is, bijvoorbeeld omdat de belasting per persoon in plaats van per kamer wordt berekend, en die daarom niet in de getoonde kamerprijs inbegrepen dient te zijn. Naar het oordeel van de Commissie betreft het feit dat sprake is van extra kosten in de vorm van een niet te vermijden bedrag aan toeristenbelasting essentiële informatie, waarvan op grond van het bepaalde in artikel IV sub 1 RR in combinatie met artikel 8.4 onder c NRC in de uitnodiging tot aankoop melding moet worden gemaakt. Bij deze vermelding kan niet, zoals in de bestreden uitingen, worden volstaan met de algemene opmerking dat toeristenbelasting extra wordt berekend al naar gelang de lokale tarieven, zonder de hoogte van de toeristenbelasting te noemen. Gelet op het voorgaande acht de Commissie de uitingen waarin sprake is van onvermijdbare, maar niet tevoren in de kamerprijs op te nemen toeristenbelasting, in strijd met artikel IV sub 1 RR.

Resort fee
De klacht dat in de totaalprijs voor het Bellagio Hotel in Las Vegas niet de resort fee van USD 25.- is opgenomen, is door HRS weersproken met de mededeling dat niet steeds een resort fee in rekening wordt gebracht. Nu voor de Commissie niet is komen vast te staan dat in de door Booking.com overgelegde uiting daadwerkelijk sprake is van vaste onvermijdbare kosten in de vorm van een resort fee ten bedrage van USD 25 per kamer, kan dit onderdeel van de klacht niet slagen.

Cleaning fee
Vast is komen te staan dat in de uiting betreffende een accommodatie in Sankt Jakob in Haus in de totaalprijs niet is opgenomen de “end-of-stay cleaning fee EUR 20,00”, die blijkt als in de uiting de link “Prijsdetails” wordt aangeklikt. Deze prijsvermelding is in strijd met artikel III sub 1 RR, nu – blijkens de toelichting bij dit artikel – “verplichte kosten per verblijfseenheid, zoals bijv. voor schoonmaak” aangemerkt dienen te worden als vaste onvermijdbare (bijkomende) kosten, die derhalve in de gepubliceerde prijs inbegrepen dienen te zijn.
Tevens is artikel IV sub 1 RR overtreden, nu het gaat om een uitnodiging tot aankoop.

Algemeen
Nu de bestreden uitingen (voor zover de klacht daartegen voldoende is onderbouwd) in strijd zijn met de RR, komt de Commissie niet meer toe aan toetsing van de uitingen aan andere door Booking.com genoemde bepalingen.

RB 1894

1 maand gratis sporten blijkt maximaal 4 keer te zijn

RCC 2 augustus 2013, dossiernr. 2013/00510 (BCC - Abonnement Basic-Fit)
Onduidelijke informatie. Voornaamste kenmerken product. Aanbeveling. Het betreft de uiting voor “1 maand* gratis sporten bij Basic-Fit” op de achterpagina van de “Vaderdagfolder” van BCC en op een “Waardebon” die klanten gedurende de actieperiode bij aankoop van een product bij BCC ontvingen.
                 
De klacht - De suggestie wordt gewekt dat een gratis abonnement voor een maand bij Basic-Fit wordt aangeboden. Nu Basic-Fit zelf (in andere media) adverteert met een onbeperkt, door alle gezinsleden te gebruiken lidmaatschap, vond klager een dergelijk lidmaatschap één maand gratis zeer aantrekkelijk. Pas bij aanmelding merkte klager dat sprake is van zeer beperkende voorwaarden. De “1 maand gratis sporten” blijkt te bestaan uit maximaal vier keer sporten. Dat is geen maand, zoals wordt gesuggereerd. Achteraf heeft klager gezien dat de beperkingen wel in de folder en op de waardebon staan, maar “ernstig weggestopt”. Door “de manier waarop in de reclame focus gegeven wordt”, acht klager de uitingen misleidend.

Het oordeel van de Commissie
In de bestreden uitingen wordt “1 maand*  gratis sporten bij Basic-Fit” aangeboden bij aankoop van alle producten tijdens de actieperiode. De asterisk verwijst naar de onderin de uitingen staande voorwaarden betreffende duur en inhoud van de actie. Blijkens deze voorwaarden moet onder “1 maand” in het kader van de actie worden begrepen: maximaal 4 lessen verdeeld over vier weken. De Commissie is van oordeel dat dit een dermate beperkte uitleg is, dat niet kan worden gesproken over “1 maand gratis sporten”. De gemiddelde consument, die niet bedacht zal zijn op deze uitleg, wordt door de aanduiding “1 maand” op het verkeerde been gezet. De (door het kleurgebruik van een witte asterisk tegen een grijze achtergrond onopvallende) verwijzing naar de elders in de uiting staande beschrijving van de actie neemt het misleidende karakter van het aanbod “1 maand gratis sporten” niet weg. Gelet op het voorgaande acht de Commissie de bestreden uitingen onvoldoende duidelijk ten aanzien van de voornaamste kenmerken van het aangeprezen product als bedoeld in de aanhef en onder b van artikel 8.2 van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Omdat de gemiddelde consument hierdoor ertoe gebracht kan worden een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen, zijn de uitingen tevens misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC. 

De beslissing
De Commissie acht de reclame-uitingen in strijd met het bepaalde in artikel 7 NRC. Zij beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

RB 1876

Prejudiciële vragen over de ‘Schlüssigkeitstheorie’

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 20 juni 2013, zaak C-365/13 (Kolassa)
barclays.gifPrejudiciële vragen gesteld door Raad van State (België). EEX. Consumentenbescherming. Prospectusverplichting.

Verzoeker Harald Kolassa heeft in 2005 € 68.180,36 geïnvesteerd in obligaties aan toonder, voor tien jaar (met tussentijdse opzegmogelijkheid) uitgegeven door Barclays Bank, verweerster. De participaties werden verkocht via institutionele beleggers. Verzoeker deed de bestelling bij zijn bank die de stukken betrekt via haar Duitse moedermaatschappij. Zoals gebruikelijk levert verzoekers bank niet de certificaten aan haar cliënten maar cliënten krijgen een recht op aanspraak op levering van certificaten naar verhouding. De eindwaarde van de obligaties wordt bepaald aan de hand van een index die uit een portefeuille van verschillende onderliggende fondsen bestaat. XI Fund Allocation GmbH wordt aangewezen om deze portefeuille samen te stellen en te beheren, maar dit blijkt later een firma list en bedrog te zijn (fraude en piramidebeleggingen) zodat er van verzoekers winst niets overblijft. Hij daagt Barclays Bank en eist €73.705,07 als vergoeding voor de door hem geleden schade onrechtmatige daad omdat hij de investering nooit zou zijn aangegaan als verweerster aan betere spreiding van risico had gedaan en betere controles had verricht op de beleggingsbeheerder XI.

De verwijzende Oostenrijkse rechter onderzoekt allereerst zijn bevoegdheid om deze zaak te beslissen. Hij vraagt zich af of de rechtsverhouding tussen verzoeker en de verweerster een verbintenis uit overeenkomst is in de zin van de EEX-Vo omdat verzoeker de overeenkomst niet rechtstreeks met verweerder heeft gesloten. Evenmin is verzoeker, vanwege bovengeschetste procedure, een obligatiehouder. Of verzoeker een beroep kan doen op onrechtmatige daad hangt onder meer af van het antwoord op de vraag waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan als een belegger op grond van gebrekkige informatie een investering aangaat die hij niet zou zijn aangegaan als hij correct was geïnformeerd. Hij constateert dat het HvJ EU niet eerder expliciet is ingegaan op de problemen van de zgn ‘Schlüssigkeitstheorie’ waarbij de vraag of sprake is van een in het kader van de betreffende regeling beschermd belang, aan de orde te komen bij de beoordeling van de ontvankelijkheid en dus niet pas bij de beoordeling ten gronde.

Hij stelt een hele reeks vragen die terug te vinden is op de pagina’s 2, 3 en 4 van de verwijzingsbeschikking.

RB 1870

Onvoldoende duidelijk dat meer beperkingen van toepassing zijn

RCC 16 juli 2013, dossiernr. 2013/00478 (16 % voordeel op alles)
media-markt-kortingscodes.jpgOnduidelijke informatie. Ontbreken essentiële informatie. Aanbeveling. Het betreft adverteerders reclamefolder op de voorzijde waarvan onder meer staat “16 % voordeel op alles*”.

De klacht - De asterisk verwijst naar de verticaal in de folder staande tekst die luidt: “*Aanbiedingen max. 1 per klant. Geen verkoop aan handelaren. Zetfouten en prijswijzigingen voorbehouden. (…) Kijk voor de zondagopeningen en actievoorwaarden op mediamarkt.nl”. Op de door klager gekochte Apple Mouse bleek de korting niet van toepassing, maar  nergens in de uiting staat dat de korting geldt voor een beperkt aantal producten. Voor accessoires bleek de korting niet te gelden.

Het oordeel van de Commissie
In de folder staat zeer groot en duidelijk “16% voordeel op alles*”. Afgezien van het feit dat deze asterisk verwijst naar een tekst, waarvoor uiterst kleine letters zijn gebruikt en die ook nog eens verticaal in de folder is aangebracht, acht de Commissie de bij de asterisk staande tekst onvoldoende duidelijk. Deze tekst begint met het uitdrukkelijk noemen van twee beperkingen, te weten “Aanbiedingen max. 1 per klant. Geen verkoop aan handelaren” en wordt gevolgd door andere informatie, waardoor de indruk wordt gewekt dat dit de van toepassing zijnde beperkingen betreft. Aan het einde van deze tekst wordt men “voor de zondagopeningen en actievoorwaarden” nog naar adverteerders website verwezen, maar niet duidelijk is dat daar nog meer beperkingen staan die op deze voordeelactie van toepassing zijn. Het woord “alles” sluit overigens iedere beperking ten aanzien van de korting uit, zodat geen klant er op bedacht hoeft te zijn dat “alles” in de advertentie de betekenis van “niet alles” heeft.
Gelet op het vorenstaande wordt in de uiting voor de gemiddelde consument op een onduidelijke wijze essentiële informatie verstrekt als bedoeld in artikel 8.3 onder c van de Nederlandse Reclame Code (NRC), terwijl de folder voor het verstrekken van deze  informatie voldoende ruimte biedt. Voorts is de Commissie van oordeel dat de gemiddelde consument hierdoor ertoe gebracht kan worden een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet had genomen. Om die reden zijn de reclame-uitingen misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

De beslissing
Op grond van het vorenstaande acht de Commissie de reclame-uiting in strijd met artikel 7 NRC en beveelt zij adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

RB 1863

Voldoende aannemelijk dat product de toegeschreven werking heeft

CvB RCC 23 juli 2013, dossiernr. 2013/00248 (Consumed.nl)
Bijzondere Reclamecode. Voornaamste kenmerken product. Ontbrekende informatie. Claims. Bevestiging afwijzing. Het betreft de advertentie met de aanhef “Oplossing bij aambeien en andere anale ongemakken” en de website www.consumed.nl/medicijnen/7541/7551/HemoClin (zelfzorg).

De klacht - In beide uitingen ontbreken gegevens over Aloë Barbadensis ofwel Aloë vera, hetgeen blijkt uit de monografie van Aloë in de Natural Medicines Comprehensive Database (NMCD), die klaagster bijvoegt. Aloë Barbendis bevat sap en latex. Het sap heeft de reputatie oppervlakkige wonden iets sneller te genezen, maar dit is niet wetenschappelijk bewezen. De latex is een sterk laxeermiddel met de nodige bijverschijnselen. In de advertentie staat niet of het middel het sap, de latex of beide bevat. Voorts kan zowel het sap als de latex problemen veroorzaken als ze samen met andere kruiden en met supplementen worden gebruikt. In de USA is de vrije verkoop van laxeermiddelen gebaseerd op aloë sinds 5 november 2007 verboden. Een waarschuwing daarvoor ontbreekt in de uitingen. Nu de nodige informatie ontbreekt zijn de uitingen misleidend.

Het oordeel van de Commissie
Het product is, naar de Keuringsraad KOAG/KAG heeft meegedeeld, door de Keuringsraad voorzien van een toelatingsstempel. Voorts is, naar adverteerder onder verwijzing naar het door adverteerder overgelegde certificaat stelt, niet alleen de applicator maar ook het product zelf, door de ECM gecertificeerd. Tussen partijen is niet in geschil dat het eindproduct waarop de bestreden uiting betrekking heeft een klasse II medisch hulpmiddel is in de zin van artikel 1 van de Wet op de medische hulpmiddelen (WMH). Voor dit product is een CE-markering verleend. Het is de Commissie bekend dat een dergelijke CE-markering krachtens artikel 7 van het Besluit medische hulpmiddelen (BMH)  wordt  afgegeven door een aangewezen instantie die heeft geverifieerd of sprake is van conformiteit van het betreffende product met de essentiële eisen die op het product van toepassing zijn. Een en ander impliceert dat is onderzocht -kort gezegd- of het product de door de fabrikant aangegeven prestaties levert en zodanig is ontworpen en vervaardigd dat het de door de fabrikant gespecificeerde functies kan vervullen. Gelet hierop is de Commissie van oordeel dat  adverteerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het product de werking heeft die daaraan in de uiting wordt toegeschreven.

De beslissing van de Reclame Code Commissie [27 mei 2013]
De Commissie wijst de klacht af.

De beslissing van het College van Beroep [23 juli 2013] Zie Overweging 1-4
Het College bevestigt de beslissing van de Commissie voor zover in beroep aan de orde.

RB 1859

Minimaal € 0,97 extra voor de verpakking is oneerlijk

RCC 4 juli 2013, dossiernr. 2013/00406 (Fashioncheque)
fashioncheque-magenta.pngOntbreken essentiële informatie. Aanbeveling. Het betreft een televisiereclame waarin met betrekking tot de Fashioncheque onder meer wordt gezegd: “Geef je een cadeau, dan geef je Fashioncheque. Fashioncheque is te besteden bij heel veel winkels en te koop bij Primera en PostNL”. Tot slot worden vier Fashioncheques getoond. Op drie cheques staat successievelijk “50”, “20” en “100”. Op de vierde cheque ontbreekt een dergelijke aanduiding.

De klacht - In de uiting wordt, ten onrechte, niet gezegd dat door adverteerder aan degene die een Fashioncheque cadeau wil geven, administratiekosten in rekening worden gebracht. Aan het geven van de meeste cadeaukaarten zijn immers geen extra kosten verbonden.

Het oordeel van de Commissie
Klager spreekt in zijn klacht over het verschuldigd zijn van administratiekosten, maar de Commissie begrijpt de klacht aldus dat klager de uiting misleidend vindt, nu niet is vermeld dat voor de verpakking van de cheque, afgezien van de coupurewaarde,  kosten in rekening worden gebracht. Blijkbaar heeft klager deze kosten als administratiekosten opgevat.
De Commissie is van oordeel dat uit de uiting ten onrechte niet blijkt dat men voor de (verpakking van) Fashioncheque minimaal € 0,97 moet betalen. In de uiting zijn vier Fashioncheques afgebeeld. Op drie Fashioncheques staat successievelijk “50”, “20” en “100”, op de vierde ontbreekt een dergelijke aanduiding. Uit de in de uiting afgebeelde Fashioncheques krijgt men de indruk dat men deze voor respectievelijk € 50,- , € 20  en € 100,- kan kopen. Dat blijkt evenwel niet het geval te zijn. Bij de desbetreffende bedragen moet minmaal € 0,97 extra voor de verpakking van de Fashioncheque worden betaald. Hetzelfde geldt voor de afgebeelde Fashioncheque waarop geen bedrag staat en die, naar de Commissie aanneemt, is afgebeeld om duidelijk te maken dat men ook een Fashioncheque met een andere nominale waarde kan kopen. Dat de Fashioncheque uitsluitend verkrijgbaar is in een verpakking die minimaal € 0,97 kost en men bij het nominale bedrag dat men in de vorm van een Fashioncheque cadeau wil geven, altijd minimaal € 0,97 extra voor de Fashioncheque moet betalen, acht de Commissie essentiële informatie die de consument tijdig en duidelijk verstrekt moet worden. Dit geldt te meer nu veel andere cadeaucheques wel voor de nominale waarde verkrijgbaar zijn. En de gemiddelde consument in die veronderstelling ook naar de winkel zal gaan. Gelet op het voorgaande is sprake van het ontbreken van essentiële informatie die de consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen als bedoeld in artikel 8.3 onder c van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Nu de gemiddelde consument er bovendien toe kan worden gebracht een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen, is deze uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

De beslissing 
Op grond van het voorgaande acht de Commissie de reclame-uiting in strijd met artikel 7 NRC. Zij beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

RB 1852

Gezamenlijke aanbiedingen waarvan minstens een bestanddeel een financiële dienst is

HvJ EU 18 juli 2013, zaak C-265/12 (Citroën Belux) - dossier
001384.jpgPrejudiciële vragen gesteld door het Hof van beroep te Brussel, België.
Uitlegging van artikel 56 VWEU en artikel 3, lid 9, van Richtlijn oneerlijke handelspraktijken. Nationale regeling inzake consumentenbescherming die, onder voorbehoud van limitatief opgesomde uitzonderingen, op algemene wijze elk gezamenlijk aanbod bestaande uit ten minste één financiële dienst verbiedt.

Het Hof verklaart voor recht:

Artikel 3, lid 9, van de [richtlijn oneerlijke handelspraktijken], en artikel 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een bepaling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die – onder voorbehoud van in de nationale wettelijke regeling limitatief opgesomde gevallen – gezamenlijke aanbiedingen aan de consument waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is, op algemene wijze verbiedt.

Prejudiciële vragen:
Moet artikel 3.9 van richtlijn 2005/29/EG2 zo worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling, zoals artikel 72 WMPC, die - onder voorbehoud van de limitatief in de wet opgesomde gevallen - op algemene wijze elk gezamenlijk aanbod aan de consument verbiedt zodra minstens één bestanddeel een financiële dienst uitmaakt?

Moet artikel 56 VWEU, betreffende de vrijheid van dienstverlening, zo worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling, zoals artikel 72 WMPC, die - onder voorbehoud van de limitatief in de wet opgesomde gevallen - op algemene wijze elk gezamenlijk aanbod aan de consument verbiedt zodra minstens één bestanddeel een financiële dienst uitmaakt?