RB

Diensten  

RB 2181

Waarschuwing voor strenge controles en boetes geen intimiderende reclame

Vz. RCC 3 juli 2014, RB 2181, dossiernr. 2014/00395 (Sociale-Hygiene.nl)
102b4430-97f4-4337-9c97-e0e9bcbba276?t=1398785402221Voorzittersafwijzing. Het betreft een aan klaagster geadresseerde brief met folder. In de aanhef van de brief staat: “Waarschuwing: strenge controles in uw gemeente”. In deze brief staan de boetes die kunnen worden opgelegd bij overtreding van de Drank- en Horecawet en wordt in dat verband voorts gezegd: “Uw gemeente kan ook tot intrekking van de vergunning of zelfs tot sluiting overgaan. Riskeer geen hoge boetes of sluiting! Controleer nu of u voldoende medewerkers heeft die in het bezit zijn van de SVH Verklaring Sociale Hygiëne.” Hierna worden dagcursussen genoemd die adverteerder aanbiedt en wordt voorts onder meer verwezen naar de “Training Hygiënecode HACCP” die in een bijgesloten folder wordt toegelicht. Klaagster stelt dat sprake is van een intimiderende en misleidende reclame voor cursussen. Er wordt gedreigd met boetes als geen cursussen worden afgenomen. De voorzitter wijst de klacht af.

Het oordeel van de voorzitter
Voor zover klaagster stelt dat de uiting misleidend is, stelt de voorzitter voorop dat bij de beoordeling van deze klacht dient te worden gelet op de totale uiting (een brief met folder) en de context waarin de bestreden mededelingen zijn geplaatst. Uitgaande hiervan acht de voorzitter het voldoende duidelijk dat de uiting strekt tot het aanprijzen van cursussen door adverteerder als commercieel bedrijf. Dat adverteerder in de uiting wijst op wettelijke verplichtingen en de mogelijkheid bij haar een wettelijk vereist certificaat (“SVH Verklaring Sociale Hygiëne”) te behalen, leidt niet tot een ander oordeel. Ook deze mededelingen strekken immers onmiskenbaar tot het aanprijzen van de diensten die adverteerder aanbiedt. In de begeleidende folder staat voorts een uitvoerige toelichting voor zover het betreft de “Training Hygiënecode HACCP” die adverteerder aanbiedt. Van misleiding is op grond van het voorgaande geen sprake.

Naar het oordeel van de voorzitter gaat de wijze waarop adverteerder op de noodzaak van het certificaat wijst en de mogelijkheid om bij haar dit certificaat te behalen, de grenzen van het toelaatbare niet te buiten. Weliswaar gaat enige dreiging uit van de verwijzing naar sancties die mogelijk zijn bij het ontbreken van het certificaat, maar het staat adverteerder vrij op deze wijze haar diensten aan te prijzen. Niet in geschil is immers dat deze sancties zullen (kunnen) volgen indien een bedrijf niet over dat certificaat beschikt, zodat daadwerkelijk een noodzaak bestaat om over het bedoelde certificaat te beschikken. Adverteerder mag hierop wijzen. Van intimidatie in de zin van artikel 14 van de Nederlandse Reclame Code is naar het oordeel van de voorzitter daarbij geen sprake.
RB 2177

Geen vlucht te boeken voor geadverteerde prijs

Vz. RCC 3 juli 2014, RB 2177, dossiernr. 2014/00326 (Transavia)
transavialogo.jpgVoorzitterstoewijzing. Misleidende reclame. Het betreft een advertentie voor een vliegreis naar Malaga voor € 55,- (te vermeerderen met € 5,- per boeking) die klager zag na een zoekopdracht met Google. De klacht is dat klager geen vlucht heeft gevonden voor € 55,-. Klager legt prints over waaruit dit laatste blijkt. Volgens klager kan geen sprake zijn van een redelijke beschikbaarheid en is de uiting misleidend. Onder verwijzing naar eerdere uitspraken stelt klager dat adverteerder weinig is gelegen zich te houden aan de regelgeving. De voorzitter acht de onderhavige reclame-uiting in strijd met het bepaalde onder V lid 1 RR 2014. De voorzitter beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Het oordeel van de voorzitter
2) Klager heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij op 16 april 2014 naar aanleiding van de zoekopdracht met de woorden “Transavia Amsterdam Malaga”, een advertentie zag voor een vlucht naar Malaga voor € 55,--. Kennelijk is op basis van die zoekopdracht op de computer van klager een cookie geplaatst waardoor hij op 24 april 2014 op www.nu.nl een vergelijkbare advertentie zag. Klager heeft hiervan een print overgelegd. Nu klager gemotiveerd heeft gesteld dat het niet mogelijk was voor dit tarief (vermeerderd met € 5,-- per boeking) een vlucht te boeken, lag het op de weg van adverteerder om aannemelijk te maken dat er sprake was van een redelijke beschikbaarheid van vluchten voor dit tarief. Nu adverteerder dit heeft nagelaten, zijn de reclame-uitingen in strijd met het bepaalde onder V lid 1 van de Reclamecode Reisaanbiedingen (RR) 2014.
RB 2172

België voldoet niet aan verplichtingen uit Richtlijn OHP

HvJ EU 10 juli 2014, RB 2172, zaak C-421/12 (Commissie/België) - dossier
vghhfqo8ehy8?sizew=141&sizeh=160&lm=hhcd9qOneerlijke handelspraktijken. De Commissie stelt dat België niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 3, lid 1 juncto artikel 2, sub b en d, van de richtlijn 2005/29 (oneerlijke handelspraktijken), door beoefenaars van een vrij beroep, tandartsen en kinesisten van de werkingssfeer van de wet betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming uit te zonderen.

Daarnaast bepalen de artikelen 20, 21 en 29 van diezelfde wet dat elke aankondiging van een prijsvermindering moet verwijzen naar een door de wet vastgestelde prijs, in casu de laagste prijs die is gevraagd tijdens de maand vóór de eerste dag van de betrokken aankondiging. Voorts verbieden die bepalingen, enerzijds, een prijsvermindering voor een periode van meer dan een maand aan te kondigen en, anderzijds, dergelijke aankondigingen voor minder dan een dag te doen. Volgens de Commissie verzet de richtlijn oneerlijke handelspraktijken zich tegen dergelijke strengere nationale bepalingen. Bovendien stelt de Commissie dat de in de wet betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten opgenomen verbodsbepaling op colportage en het verbod dat bepaalde producten via de ambulante handel worden verkocht, net als bij de tweede tekortkoming ook in dit geval richtlijn 2005/29 geen dergelijke verbodsbepalingen bevat en zich dus tegen die nationale bepalingen verzet.

Het Hof verklaart voor recht dat België door het handhaven van eerder genoemde bepalingen de krachtens op hem rustende verplichtingen van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken niet is nagekomen.

42      Het Koninkrijk België heeft toegegeven dat de eerste grief gegrond is, maar stelt dat de door de Commissie aangevoerde niet-nakoming in feite „gecorrigeerd” is door de gevolgen van de arresten nr. 55/2011 van 6 april 2011 en nr. 192/2011 van 15 december 2011 waarbij het Grondwettelijk Hof de artikelen 2, 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 ongrondwettig heeft verklaard.

43      In herinnering zij echter gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit normen van Unierecht (zie met name arresten Commissie/Luxemburg, C‑450/00, EU:C:2001:519, punt 8, en Commissie/Luxemburg, C‑375/04, EU:C:2005:264, punt 11).

61      Bijgevolg is een dergelijke nationale regeling, waarbij praktijken die niet zijn vermeld in bijlage I bij richtlijn 2005/29 in het algemeen worden verboden, zonder dat individueel wordt getoetst of zij „oneerlijk” zijn volgens de in de artikelen 5 tot en met 9 van die richtlijn geformuleerde criteria, niet te rijmen met de inhoud van artikel 4 van die richtlijn en is zij in strijd met de door die richtlijn nagestreefde volledige harmonisatie, ook al beoogt die regeling een hoger niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen (zie in die zin arrest Plus Warenhandelsgesellschaft, EU:C:2010:12, punten 41, 45 en 53).

72      Artikel 4 van richtlijn 2005/29 verzet zich tegen de handhaving van dergelijke strengere nationale maatregelen, behoudens het bepaalde in artikel 3, lid 5, van die richtlijn, namelijk dat „[d]e lidstaten [...] gedurende een periode van zes jaar, te rekenen vanaf 12.06.2007 op het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied nationale bepalingen [kunnen] blijven toepassen die strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van deze richtlijn en die uitvoering geven aan richtlijnen die clausules voor minimale harmonisatie bevatten”.

78      Gelet op een en ander is het Koninkrijk België de krachtens de artikelen 2, sub b en d, 3 en 4, van richtlijn 2005/29 op hem rustende verplichtingen niet nagekomen, door beoefenaars van een vrij beroep, tandartsen en kinesisten uit te sluiten van de werkingssfeer van de wet van 14 juli 1991, waarbij richtlijn 2005/29 in intern recht is omgezet, door de artikelen 20, 21 en 29 van de wet van 6 april 2010 te handhaven en door artikel 4, lid 3, van de wet van 25 juni 1993 en artikel 5, lid 1, van het koninklijk besluit van 24 september 2006 te handhaven.

1) Het Koninkrijk België is

– door beoefenaars van een vrij beroep, tandartsen en kinesisten uit te sluiten van de werkingssfeer van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, zoals gewijzigd bij de wet van 5 juni 2007, waarbij richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) is omgezet in Belgisch recht;

– door de artikelen 20, 21 en 29 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming te handhaven, en

– door artikel 4, lid 3, van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten, zoals gewijzigd bij de wet van 4 juli 2005, en artikel 5, lid 1, van het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten te handhaven,

de krachtens de artikelen 2, sub b en d, 3 en 4 van richtlijn 2005/29 op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.

RB 2163

Kinderen niet aangezet tot het besturen van auto

RCC 16 juni 2014, RB 2163, dossiernr. 2014/00346E (Promovendum verzekeringen)
di69byjf7y9juegvnwjz.jpgNIB bevestigd. Afwijzing. Subjectieve normen. Het betreft de televisiecommercial voor Promovendum verzekeringen. In de commercial wordt door beeld en geluid de indruk gewekt dat twee kinderen auto’s besturen, geïrriteerd raken over elkaars rijgedrag en vervolgens met elkaar in botsing komen. Als de jongens uitstappen, blijkt dat de auto’s op een oprit van een huis staan. Een voice-over zegt: “Een ongeluk kan iedereen overkomen. Maar stel nou dat er echt iets gebeurt. Dan bent u bij Promovendum goed verzekerd.” De klacht: klager acht de commercial, waarin twee kleuters beiden achter het stuur van een motorvoertuig (op eigen terrein) volwassenen nadoen, pedagogisch slecht gekozen. Klager hoopt dat de hoogopgeleiden een betere smaak hebben. De Commissie bevestigt de beslissing van de voorzitter en wijst de klacht af.

Het oordeel van de Commissie
De Commissie begrijpt de klacht aldus dat klager de televisiecommercial in strijd acht met de goede smaak en/of het fatsoen als bedoeld in artikel 2 van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Zoals reeds door de voorzitter is overwogen, stelt de Commissie zich bij toetsing van een reclame-uiting aan criteria als de goede smaak en/of het fatsoen terughoudend op, gelet op het subjectieve karakter van die criteria. De Commissie beoordeelt of naar de huidige maatschappelijke opvattingen de uiting de grenzen van het toelaatbare te buiten gaat.

Met inachtneming van voornoemde terughoudendheid is de Commissie van oordeel dat uit de televisiecommercial voldoende blijkt dat sprake is van spelende kinderen in een gefantaseerde situatie. In de commercial worden geen contactsleutels – in of buiten het contact – getoond. Met de voorzitter is de Commissie van oordeel dat kinderen door het zien van de commercial niet zullen worden aangezet tot het daadwerkelijk rijden met een auto.
RB 2161

Geen degelijk bewijs werking KPR behandelmethode

RCC 3 juni 2014, RB 2161, dossiernr. 2014/00339 (Krullaards Perfect Reset)
1001864_195829347248487_1567045445_n.pngAanbeveling. Misleidende reclame. Het betreft een advertentie voor Krullaards Perfect Reset in het Leids Nieuwsblad van 20 maart 2014. Onder de kop “Uw lage rug- of nekklachten binnen seconden verholpen? Het kàn nu in Leiden!” staat onder meer: “De nieuwe Krullaards Perfect Reset behandelmethode pakt snel en comfortabel een belangrijke oorzaak van de klachten aan: een scheefstand van het bekken. Doorgaans zijn er drie behandelingen nodig om een zeer hoge successcore van meer dan 90% te realiseren op het rechtzetten van het bekken en normaliseren van de wervelkolom.” De klacht is dat er geen degelijk bewijs bestaat van de medische werkzaamheid van het Krullaards Perfect Reset (hierna ook: KPR) behandelapparaat. De Commissie acht de reclame-uiting in strijd met het bepaalde in artikel 7 NRC en beveelt adverteerder niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Het oordeel van de Commissie
Adverteerder heeft ter onderbouwing van de werkzaamheid van de KPR behandelmethode verwezen naar de resultaten die blijkens overgelegde verklaringen van zes “gekwalificeerde fysiotherapeuten” in de periode januari(en/of februari) t/m april 2014 zijn behaald bij door hen uitgevoerde KPR behandelingen. Naar het oordeel van de Commissie kunnen deze - gestandaardiseerde - verklaringen van behandelaars die via een franchiseovereenkomst aan adverteerder verbonden zijn slechts tot ondersteunend bewijs van de werkzaamheid van KPR dienen, indien daarnaast de werkzaamheid en effecten van de KPR behandelmethode over een langere periode zijn geconstateerd in onafhankelijk (medisch) wetenschappelijk onderzoek. Van een dergelijk onderzoek is niet gebleken.

De Commissie komt dan ook tot de conclusie dat adverteerder de juistheid van de bestreden beweringen met betrekking tot werking van de KPR behandelmethode niet aannemelijk heeft gemaakt en dat in de uiting geen juiste informatie is verschaft over de van het gebruik van het product te verwachten resultaten als bedoeld in de aanhef en onder b van artikel 8.2 NRC. Nu de gemiddelde consument hierdoor ertoe gebracht kan worden een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen, acht de Commissie de uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.
RB 2159

Werelddealweken aanbieding geldt slechts voor beperkt aantal stoelen

RCC 16 juni 2014, RB 2160, dossiernr. 2014/00209 (KLM)
klm-werelddeal-weken.jpegAanbeveling. Prijsvermelding. Het betreft een uiting op www.klm.com. Daarin staat onder de aanhef “Retourprijzen Key West” onder meer: “Amsterdam Schiphol (AMS) Key West, Key West Intl (EYW) 1 volwassene, economy class”. Onderaan de uiting staat een overzicht met diverse retourprijzen, al naar gelang de maand van vertrek. Bij april 2014 staat: “EUR 730”. Onderaan het overzicht van prijzen staat: “Inclusief belastingen en toeslagen, exclusief (EUR 10) boekingskosten (een creditcardtoeslag kan van toepassing zijn)”. Klaagster boekte tijdens de KLM-Werelddealweken op 16 januari 2014 twee tickets voor de vlucht Amsterdam - Key West. Op grond van de aanbieding tijdens de Werelddealweken zou deze vlucht in april € 730,- (+ € 10,- boekingskosten) per ticket kosten. Na afronden van de bestelling bleek de prijs echter € 1003,48 per ticket te bedragen. Volgens KLM gaat het om een beperkt aantal stoelen, maar dan dienen de vluchten waarvoor geen stoelen meer beschikbaar zijn van de site te worden gehaald of dient de aanbieding te worden gestaakt. Zoals blijkt uit de bij de klacht overgelegde afdruk van de uiting wordt nergens een voorbehoud gemaakt betreffende een beperkt aantal stoelen. De Commissie acht de reclame-uiting in strijd met de artikelen III onder 1 RR en V onder 1 RR.

Het oordeel van de Commissie
Gelet op het bepaalde in artikel VI RR ligt het op de weg van adverteerder, als aanbieder, om de juistheid van de aanbieding aannemelijk te maken, indien deze wordt aangevochten. Dat heeft adverteerder naar aanleiding van de onderhavige klacht niet gedaan. Meer in het bijzonder heeft zij geen screenshots kunnen tonen van een boeking van een ticket Amsterdam - Key West voor de aanbiedingsprijs van € 730,-. Gelet hierop is artikel V onder 1 RR overtreden. Daarin staat: “Aanbieders zorgen voor een redelijke beschikbaarheid van de door hen in reclame-uitingen geboden diensten voor de genoemde prijs”. Bij verweer heeft adverteerder meegedeeld dat in een aanbieding altijd vermeld is dat het om een vanaf-prijs gaat. Ten aanzien van de onderhavige aanbieding is dit niet gebleken. In de bij de klacht overgelegde afdruk van de bestreden uiting ontbreekt de vermelding “vanaf”. Evenmin is gebleken dat elders in het boekingsproces van de onderhavige, niet onder de Werelddealweken vallende vlucht, wordt gewezen op het feit dat er sprake is van een vanaf-prijs. In zoverre acht de Commissie de uiting in strijd met artikel III onder 1 RR waarin voor zover van belang is bepaald: “Aanbieders zijn gehouden tot het hanteren van (…) duidelijke prijzen in hun reclame-uitingen”.

RB 2152

Onjuiste prijsvermelding last minute reis GoMundo

RCC 26 mei 2014, RB 2152, dossiernr. 2014/00321 (Go Mundo)
Aanbeveling. Bijzondere Reclamecode. Reizen. Duidelijke prijsvermelding. Het betreft de prijsvermelding voor een last minute reis naar hotel “Sunshine Vacation Club Corfu” op adverteerders website www.gomundo.nl (subpagina https://www.gomundo.nl/sunshine-vacation-club-corfu/corfu/griekenland/hotel). In de uiting staat onder het kopje “Prijzen”: “last minute vertrek 11 mei € 357. Toen klaagster de reis met vertrekdatum 11 mei 2014 boekte, werd uiteindelijk een prijs van €476 getoond. Desgevraagd deelde adverteerder klaagster telefonisch mee dat de wijziging van de prijs het gevolg is van wisselende tarieven van de vliegmaatschappij. Klaagster vindt dit een vreemd verhaal en vraagt zich af of dit zo kan. De Commissie acht de reclame-uiting in strijd met het bepaalde in artikel IV lid 1 RR. Zij beveelt adverteerder om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Het oordeel van de Commissie
De bestreden uiting met boekingsmodule betreft een uitnodiging tot aankoop waarop de Reclamecode Reisaanbiedingen (RR) van toepassing is. Ingevolge het bepaalde in artikel IV lid 1 RR zijn aanbieders van reisdiensten in hun uitnodigingen tot aankoop op dezelfde wijze als in reclame-uitingen conform artikel III lid 1 RR gehouden tot het hanteren van correcte en duidelijke prijzen.
Naar het oordeel van de Commissie voldoet de bestreden uiting niet aan deze verplichting ten aanzien van prijsvermelding in de uitnodiging tot aankoop. Als erkend is komen vast te staan dat de weergegeven lastminuteprijs kan verschillen van de daadwerkelijk op dat moment voor een lastminutereis geldende prijs. Ook bij de door klaagster geboekte reis met vertrekdatum 11 mei 2014 is dit het geval, nu na keuze voor de accommodatie op de webpagina een lastminuteprijs van € 357,- wordt geadverteerd, terwijl bij boeking de op dat moment werkelijk geldende prijs € 476,- blijkt te zijn. Het in artikel III lid 1 RR besloten liggende vereiste van duidelijke en correcte prijzen staat in de weg aan het vermelden van een, naar later blijkt, onjuiste lastminuteprijs. Dat deze onjuistheid het gevolg is van een - wellicht tijdelijke - technische onvolkomenheid van het systeem, ontslaat adverteerder niet van de verplichting om op de website juiste prijzen te vermelden. Hierbij is niet van belang dat de lastminuteprijs alleen wordt getoond nadat de keuze voor een bepaalde accommodatie is gemaakt. Ook op dat moment kan de getoonde lastminuteprijs de consument er immers toe brengen die accommodatie - via adverteerders website - te boeken.



RB 2148

Opname kosten ruimbagage niet vereist in geadverteerde prijs

Vz. RCC 27 mei 2014, RB 2148, dossiernr. 2014/00229 (SRC cultuurvakanties)
logo.jpgVoorzittersafwijzing. Bijzondere Reclamecode. Reizen. Het betreft de Reisgids SRC Cultuurvakanties en dan in het bijzonder de beschrijving van een pakketreis met chartervlucht naar Sardinië en Corsica op pagina’s 128 en 129 van die gids. In het informatiekader op pagina 129 staat onder meer: “Niet inbegrepen Toeslag ruimbagage transavia.com”. Klaagster stelt dat ruimbagage bij een rondreis onvermijdbaar is en dat de kosten daarvan in de geadverteerde prijs inbegrepen dienen te zijn. Volgens klaagster is het feitelijk niet mogelijk bij een rondreis te volstaan met handbagage, zodat men noodgedwongen ruimbagage dient mee te nemen. De voorzitter wijst de klacht af.

Het oordeel van de voorzitter
Adverteerder stelt terecht dat het aan de consument is om te kiezen of hij al dan niet ruimbagage meeneemt. Deze kostenpost is derhalve naar zijn aard vermijdbaar. Dat consumenten in veel gevallen bij een rondreis wel ruimbagage zullen meenemen, is onvoldoende om de daaraan verbonden kosten als onvermijdbaar aan te merken. Dit impliceert dat adverteerder, zoals zij in het onderhavige geval ook heeft gedaan, kan volstaan met een vermelding waaruit blijkt dat eventuele ruimbagage afzonderlijk in rekening zal worden gebracht en een verwijzing naar de website waar de daaraan verbonden kosten zijn te vinden. De voorzitter heeft ambtshalve geconstateerd dat deze kosten (met enige moeite) op de in de uiting genoemde website (www.transavia.com) zijn te vinden en dat de hoogte daarvan varieert naar gewicht. Op grond van het voorgaande kan de klacht niet slagen.
RB 2146

Hoge Raad: Telefoonabonnement met gratis telefoon is een consumentenkrediet

HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1385 (telefoonabonnement met 'gratis' telefoon)
mobile_256.pngDe Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vraag aldus dat een telefoonabonnement inclusief toestel zoals hiervoor in 3.2 omschreven, ter zake van de verkrijging van de mobiele telefoon in beginsel dient te worden aangemerkt als
a.    een koop en verkoop op afbetaling als bedoeld in art. 7A:1576 lid 1 BW;
b.    een krediettransactie als bedoeld in art. 1, aanhef en onder a, sub 2e, Wck (oud) indien de overeenkomst is gesloten voor 25 mei 2011;
c.    een kredietovereenkomst als bedoeld in art. 7:57 lid 1, aanhef en onder c, BW indien de overeenkomst is gesloten op of na 25 mei 2011, tenzij sprake is van een krediet zonder rente en kosten als bedoeld in art. 7:58 lid 2, onder e, BW,
een en ander tenzij de aanbieder stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat de door de consument verschuldigde abonnementskosten niet (mede) strekken tot afbetaling van de telefoon.

Gestelde vraag: De kantonrechter heeft als prejudiciële vraag gesteld of telefoonabonnementen, waarbij een ("gratis") telefoon aan de consument ter beschikking wordt gesteld, zijn te kwalificeren als een consumentenkrediet als bedoeld in de Wck (tot 25 mei 2011) dan wel als bedoeld in titel 2A van boek 7 BW (vanaf 25 mei 2011), ofwel dat dergelijke overeenkomsten zijn te kwalificeren als koop op afbetaling als bedoeld in artikel 7A:1576 e.v. BW

RB 2134

Aromed.nl claims over voedingssupplementen, blessure olie en neus inhaler misleidend

Vz. RCC 19 mei 2014, RB 2134, dossiernr. 2014/00128 (www.aromed.nl)
3000540492.pngVoorzitterstoewijzing. Gezondheid. Misleidende reclame. Het betreft de website www.aromed.nl, waarbij de klacht is toegespitst op de aanprijzing van de voedingssupplementen WIN CoQ10 en WinOmega3 Complex alsmede op de aanprijzing van de producten Symphita blessure olie en Mentha neus inhaler.De klacht: de Keuringsraad KOAG KAG stelt, kort samengevat, dat de bestreden passages van de onderhavige website in strijd zijn met de Geneesmiddelenwet respectievelijk de Warenwet en Verordening (EG) 1924/2006 (hierna: de Claimsverordening). Hierdoor is de uiting in strijd met artikel 2 van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Voorts stelt de Keuringsraad KOAG KAG dat de uitingen tevens misleidend zijn op grond van artikel 7 NRC in verbinding met artikel 8.2 aanhef en onder a en b NRC. De voorzitter acht de reclame-uiting in strijd met het bepaalde in artikel 2 NRC en beveelt de adverteerder om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Het oordeel van de voorzitter
1) De voorzitter is, ook na het gevoerde verweer, van oordeel dat de klacht de Commissie aanleiding zal geven een aanbeveling te doen. Hij overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van het voedingssupplement WIN CoQ10

2.1) Niet weersproken is dat de volgende mededelingen over dit voedingssupplement als medische claims dienen te worden beschouwd die zijn verboden op grond van artikel 20 lid 2 sub a van de Warenwet respectievelijk in strijd zijn met artikel 84 Geneesmiddelenwet:

• “WIN CoQ10 is een voedingssupplement (…) waarvan is aangetoond dat het helpt bij het verlagen van de bloeddruk en verbeteren van de symptomen in verband met hartaandoeningen.”

• “Waarschijnlijk helpt het ook bij het verbeteren van de hersenfunctie”

• “Het beschermende effect van WIN’s CoQ10 op het hart kan de veroudering van de met het hart- en vaatstelsel geassocieerde cellen vertragen.”

• “Indicatie Verminderde geheugen.”

2.2. Met betrekking tot de volgende mededelingen staat als onweersproken vast dat deze in strijd met artikel 10 lid 1 van de Claimsverordening zijn, nu de claims niet door de Europese Commissie zijn geautoriseerd en op de lijst met toegestane claims zijn geplaatst:

• “Eigenschappen Bevordert een gezond hart, Bloedsomloop regulerend, Energie regulerend, Energieproductie ondersteunend, Gunstige invloed bloeddruk, Immuunsysteem stimulerend, Neurologische functies in stand houdend.

• “Indicatie (…) Vermoeidheid.”

Ten aanzien van het voedingssupplement WinOmega3 Complex

3.1) Niet weersproken is dat de volgende mededelingen over dit voedingssupplement als medische claims dienen te worden beschouwd die zijn verboden op grond van artikel 20 lid 2 sub a van de Warenwet respectievelijk in strijd zijn met artikel 84 Geneesmiddelenwet:

• “(…) ter bevordering van een gezonder hart, gezondere gewrichten (…), verbeterde vertering.”

• “(…) voor een optimaal gunstig effect op de normale ontstekingsreactie van het lichaam.”

3.2. Met betrekking tot de volgende mededelingen staat als onweersproken vast dat deze in strijd zijn met artikel 10 lid 1 Claimsverordening, nu de claims voor “omega3” niet door de Europese Commissie zijn geautoriseerd en op de lijst met toegestane claims zijn geplaatst, terwijl met betrekking tot de claims die wel zijn toegelaten voor EPA en DHA in de uiting een koppeling met specifieke nutriënten ontbreekt evenals de verplichte vermeldingen voor het gebruik van de claim:

• “Indicatie: bloeddruk, gewricht bewegelijkheid, gewrichtsfunctie.”

• “Eigenschappen: Beschermend, Bevorderend een gezond hart, Cognitieve helderheid stimuleren, Gezond cholesterolniveau bevorderend, Gunstige invloed bloeddruk, Ondersteunt hart en bloedvaten, Soepele gewrichten ondersteunend, Spijsverteringskanaal stimulerend.”

Ten aanzien van Symphita blessure olie

4) Niet weersproken is dat de volgende mededelingen over dit product als medische claims dienen te worden beschouwd die zijn verboden krachtens artikel 84 Geneesmiddelenwet:

• “(…) werkt helend”

• “(…) waardoor de doorbloeding verbetert”

• ”Indicatie (…) Spierblessures, Sportblessures.”

Ten aanzien van Mentha neus inhaler

5) Niet weersproken is dat de volgende mededelingen over dit voedingssupplement als medische claims dienen te worden beschouwd die zijn verboden op grond van artikel 84 Geneesmiddelenwet:

• “Indicatie (…) Verstopte neus, Volle bijholte.”

Conclusie
6) De gewraakte mededelingen dienen op grond van het voorgaande in strijd met de wet en daarmee in strijd met artikel 2 NRC te worden geacht. Gelet hierop doet niet meer ter zake of de uitingen oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC zijn, zodat op deze grondslag niet afzonderlijk hoeft te worden beslist.