Uiting 'geen zoetstoffen' misleidend wegens onjuiste indruk samenstelling product
RCC 15 september 2015, RB 2542, dossiernr. 2015/00766 (Uiting 'geen zoetstoffen' misleidend wegens onjuiste indruk samenstelling product)
Aanbeveling. Misleidende reclame. Televisiecommercial. De bestreden reclame-uitingen. Het betreft de volgende twee uitingen: I) de televisiecommercial van adverteerder waarin het product ‘Alpro Pur’Enjoy drinkyoghurt’ wordt aangeprezen. De voice-over luidt: “Nieuw: Alpro Pur’Enjoy, de eerste plantaardige variatie op drinkyoghurt. Met een natuurlijk frisse smaak en een verrassend fruitige twist. Heerlijk zijdezacht en 100% plantaardig. Dat is puur genieten. Ontdek : Alpro Pur’Enjoy Framboos-Granaatappel en Mango-Stervrucht.”. In beeld verschijnt aan het einde van de commercial, naast twee pakken van de genoemde smaakvarianten van het product, de tekst: “100% Plantaardig, Geen zoetstoffen.” II) de verpakking van het product, zoals te zien op de website van adverteerder, waarop onder meer staat: “geen zoetstoffen”. De klacht: In de commercial wordt – zo stelt klaagster - duidelijk, en vrij groot in beeld, naar voren gebracht dat er geen zoetstoffen in het product zitten. Ook op de verpakking staat: ‘geen zoetstoffen’. Klaagster is van mening dat de consument hierdoor foutief wordt geïnformeerd omdat het product volgens de ingrediënten toch suiker blijkt te bevatten.
Het oordeel van de Commissie
1. De Commissie begrijpt dat klaagster de mededeling in de bestreden uitingen die inhoudt dat het product ‘Alpro Pur’Enjoy drinkyoghurt’ geen zoetstoffen bevat misleidend acht omdat de consument hierdoor ten onrechte zal verwachten dat aan het product geen zoetstoffen - waaronder suiker - zijn toegevoegd, terwijl het product wel toegevoegd suiker blijkt te bevatten. Nu de klacht zich richt op twee verschillende uitingen, te weten de televisiecommercial (I) en de verpakking van het product (II), dienen bedoelde mededelingen per uiting afzonderlijk te worden beoordeeld.
2. Ten aanzien uiting I (de televisiecommercial)
2.1. Ten aanzien van deze uiting past de Commissie het toetsingskader toe van de artikelen 7 en 8 van de Nederlandse Reclame Code (NRC). In deze uiting wordt het product aangeprezen als een product dat “geen zoetstoffen” bevat. Klaagster is van mening dat de consument hierdoor foutief wordt geïnformeerd omdat het product toegevoegde suiker bevat. Dit laatste is niet in geschil. Adverteerder stelt echter, anders dan klaagster, dat het toegevoegde suiker niet als “zoetstof” maar als “zoetmiddel” dient te worden beschouwd en dat de consument alom bekend is met dit onderscheid. Volgens adverteerder brengt dit mee dat de consument de mededeling “geen zoetstoffen” niet zo zal interpreteren dat het product geen enkel zoetmiddel bevat. De Commissie oordeelt hierover als volgt.
2.2. De Commissie acht het, anders dan adverteerder stelt, niet vanzelfsprekend dat bij de consument geen onduidelijkheid bestaat over het onderscheid tussen “zoetstof” en “zoetmiddel”. Overigens neemt de bekendheid met dit onderscheid niet weg dat de mededeling “geen zoetstoffen” in een specifiek geval toch misleidend dient te worden geacht wegens de onjuiste indruk die deze (op zichzelf genomen wellicht juiste) mededeling wekt over de samenstelling van het product. In de onderhavige televisiecommercial wordt de nadruk gelegd op het vernieuwende van het product, het betreffende fruit dat daarin is verwerkt (met een van nature zoete smaak) en dat het product 100% natuurlijk is en geen zoetstoffen bevat. Naar het oordeel van de Commissie wekt de commercial hierdoor de indruk dat het een ‘puur’ product betreft en daaraan geen andere zoetmakers dan het gebruikte fruit zijn toegevoegd. Naar het oordeel van de Commissie zal de gemiddelde consument door de onderhavige uiting, met name door de nadruk op het betreffende fruit in het product en de mededelingen “natuurlijk frisse smaak”, “fruitige twist”, “puur genieten” in combinatie met de nadrukkelijk aanprijzing “100% natuurlijk, geen zoetstoffen” niet verwachten dat aan het product suiker is toegevoegd.
2.3. Gelet op het voorgaande acht de Commissie de bestreden uiting onduidelijk ten aanzien van de samenstelling van het product als bedoeld in artikel 8.2 aanhef en onder b NRC. Voorts is de Commissie van oordeel dat de gemiddelde consument hierdoor ertoe gebracht kan worden een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet had genomen. Om die reden is uiting I misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.
3. Ten aanzien van uiting II (de verpakking)
3.1. Op de verpakking van het product, zoals afgebeeld op de website van adverteerder, staat dat dit “geen zoetstoffen” bevat. De klacht betreft de vraag of deze aanduiding juist is, nu niet in geschil is dat aan het product suiker is toegevoegd. De Commissie past hier het toetsingskader toe van Verordening (EU) Nr. 1169/2011, waarin eisen worden gesteld aan de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. De relevante bepaling in deze Verordening is in dit geval met name artikel 7, welk artikel inhoudt dat voedselinformatie niet misleidend mag zijn en duidelijk en gemakkelijk voor de consument te begrijpen moet zijn.
3.2 Op de voorzijde van de verpakking is de nadruk gelegd op de in het product aanwezige vruchten en wordt medegedeeld dat het product 100% natuurlijk is en geen zoetstoffen bevat. De mededeling “geen zoetstoffen” is met witte letters geplaatst in een zwart blaadje onder het groene blaadje met de tekst “100% natuurlijk”. Op basis van deze informatie zal de gemiddelde consument de indruk krijgen dat het een ‘puur’ product betreft waaraan geen zoetmiddelen zijn toegevoegd. Uit (Europese) jurisprudentie [HvJEG 26/10-1995, C-51/94, HvJEG 4/4-2000, C-465/98 en Hof Amsterdam 25 maart 2004] vloeit het uitgangspunt voort dat van de gemiddelde consument mag worden verwacht dat hij bij zijn aankoopbeslissing de gehele verpakking betrekt, waaronder de ingrediëntenlijst op de verpakking. Van geval tot geval dient de Commissie vervolgens te beoordelen of er al dan niet sprake is van misleiding.
3.3 De betreffende uiting van het product bevat een ingrediëntendeclaratie waarin het ingrediënt suiker is vermeld, wordt suiker genoemd in de voedingswaardetabel en is de mededeling geplaatst dat het product 30% minder suiker bevat dat dan “de marktreferenties in drinkyoghurts met fruitsmaak”. Gelet hierop is de Commissie met inachtneming van voornoemd uitgangspunt in de (Europese) jurisprudentie van oordeel dat de in 3.2 genoemde indruk dat aan het product geen zoetmiddelen zijn toegevoegd, hierdoor voldoende wordt gecorrigeerd. In zoverre wordt de klacht afgewezen.
Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist. De beslissing: De Commissie acht op grond van hetgeen in onderdeel 2 is overwogen uiting I in strijd met artikel 7 NRC. Zij beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken. Voor het overige wijst de Commissie de klacht af.
Aanbeveling. Vergelijkende reclame. De uiting: A. een uiting in de Vomar Voordeelkrant, waarin een kassabon voor bij Deen Julianadorp op 28 april 2015 gekochte artikelen wordt vergeleken met een kassabon van gelijke datum voor dezelfde (soort) artikelen van Vomar Julianadorp. Het totaalbedrag van de kassabon van Deen is € 80,24 en het totaalbedrag van de kassabon van Vomar is € 72,50. Boven de kassabonnen (en elders in de folder) staat: “Vomar Voordeelmarkt, altijd de laagste prijs”. B. een abriposter in Julianadorp, waarop onder de tekst ”Dit is de nieuwe Vomar” de onder A omschreven kassabonnen van Deen en Vomar zijn afgebeeld. C. de achterzijde van kassabonnen van Vomar waar staat: “8.000 producten voor de laagste prijs. Niet één keer, maar altijd. Dat is de nieuwe Vomar.”
Onrechtmatige publicatie. Eiser heeft in Het Parool een advertentie geplaatst voor zijn praktijk die volgens de voorzitter van de Reclame Code Commissie [
Reclamerecht. Oneerlijke handelspraktijk. Verzoeker Luc Vanderborght is sinds 1985 gevestigd als erkend tandarts en gespecialiseerd in cosmetische en implantaatbehandelingen. Hij behandelt zowel klanten uit Beglië als uit andere EULS. Hij wordt ervan verdacht tussen 1 maart 2003 en 24 januari 2014 reclame te hebben gemaakt voor zijn praktijk door middel van een reclamezuil ‘van onbescheiden afmeting’ en andere verboden reclamepraktijken (verspreiden brochures, plaatsen advertenties in dagbladen, het beloven van voordeeltjes, ‘ronselpraktijken’, het openen van een website met reclameuitingen) te hebben verricht. Al in 2003 heeft het Verbond der Vlaamse Tandartsen (VVT) een klacht tegen verzoeker ingediend wegens zijn reclameactiviteiten. Verzoeker was tot 2003 lid van deze overkoepelende organisatie en doceerde aan het nascholingsinstituut van het VVT. Deze procedure eindigt in maart 2010 door een vordering tot buitenvervolgingstelling van het Belgische OM. Maar in mei 2010 dient VVT opnieuw een klacht in omdat verzoeker niet is gestopt met zijn reclameactiviteiten, maar ‘zich steeds verder waagt en alsmaar meer stoutmoedig wordt met zijn reclamevoering’. Belgische OM heeft de onderhavige procedure op 06-02-2014 geopend. Op grond van een wet uit 1958 mag in België geen reclame voor tandartspraktijken gemaakt worden. Verzoeker stelt dat deze wet in strijd is met Europees recht (recht vrije vestiging en vrij verkeer van diensten; en de Rln 2000/31, 2005/29 en 2006/123).
Vrij verkeer van diensten. Reclame. Verzoeksters maken bezwaar tegen een besluit van 25-06-2013 van verweerster AGCOM (Autorità per le garanzie nelle comunicazioni - reclameAut) waarin deze heeft beslist dat in het vervolg ook vennootschappen met statutaire zetel buiten Italiaanse een ‘verklaring omtrent economische gegevens’ (IES) moeten verstrekken, ook als deze al wordt verantwoord in jaarrekeningen. Volgens verweerster is deze aanpassing van de wet noodzakelijk geworden nadat bij wet van 18-05-2012 is bepaald dat ondernemingen die reclamediensten aanbieden via radio en televisie, dagbladen of tijdschriften, het web of andere vaste of mobiele digitale media verplicht zijn zich in te schrijven in het register van aanbieders van communicatiediensten (ROC) en daarnaast ook omzet (op de Italiaanse markt) afkomstig van reclame online en op de diverse platformen, ook in directe vorm, met inbegrip van de middelen vergaard door middel van zoekmotoren, sociale media en deelmedia is opgenomen onder de totale omzet van het geïntegreerde communicatiesysteem.