RB

Media  

RB 4013

Producent aansprakelijk voor claims van Brand Partner op Instagram

toezichthouder 22 apr 2026,, RB 4013; 2025/00594/I ((Amare tegen Brand Partner)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/producent-aansprakelijk-voor-claims-van-brand-partner-op-instagram

CVB 22 april 2026, RB4013; LS&R 2385; 2025/00594/I (Amare tegen Brand Partner). In deze zaak tussen Amare en een verkoper (Brand Partner) staat de vraag centraal of Amare als producent medeverantwoordelijk is voor een Instagram-uiting waarin voedingssupplementen worden aangeprezen met ontoelaatbare gezondheidsclaims. De zaak draait om een Instagram Story waarin verschillende Amare-producten worden gepromoot met claims over onder meer het verbeteren van het immuunsysteem en het stimuleren van de hersenfunctie. Niet in geschil is dat deze claims in strijd zijn met de Claimsverordening en daarmee met artikel 2 NRC en artikel 5.1 CAG. In beroep ligt uitsluitend de vraag voor of deze overtreding ook aan Amare kan worden toegerekend. Amare betoogt dat de verkoper een zelfstandige wederverkoper is die volledig autonoom haar marketing bepaalt. Volgens Amare ontbreekt een relevante relatie in de zin van de Reclamecode Social Media & Influencer Marketing (RSM), omdat geen sprake is van een opdracht tot het maken van reclame of een vergoeding voor het plaatsen van socialmedia-uitingen.Het College volgt dit betoog niet. Doorslaggevend is dat tussen Amare en de verkoper een doorlopende contractuele relatie bestaat, waarbij de verkoper commissies ontvangt op basis van verkoopprestaties. Deze financiële prikkel stimuleert de verkoop en maakt het inherent aannemelijk dat de verkoper reclame maakt voor de producten van Amare. Het maken van reclame wordt door het College gezien als een direct uitvloeisel van de samenwerking: om meer commissie te verdienen, zal de Brand Partner de producten actief aanprijzen. Daarbij weegt mee dat Amare zelf een eigen commercieel belang heeft bij de door Brand Partners gemaakte reclame-uitingen. Dat de verkoper zelf de inhoud van haar uitingen bepaalt, niet per afzonderlijke uiting wordt betaald en als zelfstandige ondernemer opereert, doet hier volgens het College niet aan af. Er is daarom sprake van een relevante relatie in de zin van de RSM, waardoor Amare als adverteerder wordt aangemerkt.

RB 4016

Bavaria-leeuwenhose: supporters mogen naar binnen, maar grootschalige ambush marketing mag worden verboden

Rechtspraak (NL/EU) 23 nov 2006,, RB 4016; ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ3550 (Bavaria en [appellant sub 2] tegen KNVB), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/bavaria-leeuwenhose-supporters-mogen-naar-binnen-maar-grootschalige-ambush-marketing-mag-worden-verboden

Hof Amsterdam 23 november 2006, IEF 23594; RB 4016; ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ3550 (Bavaria en [appellant sub 2] tegen KNVB). Het Hof Amsterdam bekrachtigt het kortgedingvonnis over de door Bavaria verspreide “leeuwenhose”, een oranje korte broek met Bavaria-logo. De KNVB had bezoekers bij de oefenwedstrijd Nederland-Kameroen verplicht hun leeuwenhose uit te trekken of af te staan voordat zij het stadion mochten betreden. Het hof gaat ervan uit dat de algemene voorwaarden van de KNVB van toepassing waren: bij massale kaartverkoop was terhandstelling redelijkerwijs niet mogelijk en de KNVB had op de toegangsbewijzen voldoende gewezen op de mogelijkheid om de voorwaarden te raadplegen. Het beroep van de bezoeker op vernietiging van die voorwaarden slaagt daarom niet. Tegelijkertijd volgt uit het arrest dat art. 5.3 van die voorwaarden, dat commercieel gebruik van toegangskaarten verbiedt, geen grond bood om bezoekers met een leeuwenhose uit het stadion te weren. De KNVB mag op grond van haar huisrecht wel huisregels stellen, maar kon zich in dit geval niet beroepen op niet vooraf bekendgemaakte huisregels. Omdat de KNVB bovendien had verklaard bezoekers in beginsel niet meer te zullen weigeren enkel omdat zij een leeuwenhose dragen, wijst het hof de bredere toekomstige vordering van de bezoeker en Bavaria tegen de KNVB af.

RB 4006

Dropshipping via Bol.com: betaling terecht opgeschort na verkoop van mogelijke namaakproducten

Rechtspraak (NL/EU) 15 apr 2026,, RB 4006; ECLI:NL:RBMNE:2026:1895 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/dropshipping-via-bol-com-betaling-terecht-opgeschort-na-verkoop-van-mogelijke-namaakproducten

Rb. Midden-Nederland 15 april 2026, IEF 23529; RB 4006; ECLI:NL:RBMNE:2026:1895 ([eiseres] tegen [gedaagde]). In deze zaak oordeelt de kantonrechter over een geschil tussen partijen die samen via een Bol.com-account producten verkochten op basis van een dropshipping-constructie. Partijen waren overeengekomen dat 20% van de winst aan de accounthouder ([gedaagde]) toekwam en 80% aan [eiseres]. [eiseres] vordert uitbetaling van haar winstdeel van ruim €6.000. De kantonrechter wijst de vordering af. Hoewel [gedaagde] erkent dat hij in beginsel een deel van de opbrengst moet afdragen, mocht hij de betaling opschorten.

RB 4005

Talpa moet [verweerster] blijven betalen, maar exclusiviteit blijft gelden

Rechtspraak (NL/EU) 9 apr 2026,, RB 4005; ECLI:NL:RBAMS:2026:3561 ([verweerster] tegen Talpa TV), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/talpa-moet-verweerster-blijven-betalen-maar-exclusiviteit-blijft-gelden

Rb. Amsterdam 5 maart 2026, RB 4005; ECLI:NL:RBAMS:2026:3561 ([verweerster] tegen Talpa TV). In dit kort geding staat een geschil centraal tussen een influencer, [verweerster] en Talpa TV over een overeenkomst voor de ontwikkeling en presentatie van een zogenoemd “juice”-programma. Talpa had de samenwerking feitelijk stopgezet en de maandelijkse vergoeding niet langer betaald. De influencer vorderde doorbetaling van het overeengekomen bedrag.

RB 3868

Rechtbank Amsterdam veroordeelt China Center Hotel tot betaling aan DPG Media na misgelopen betalingsregelingen

Rechtspraak (NL/EU) 1 nov 2024,, RB 3868; ECLI:NL:RBAMS:2024:6623 (DPG Media tegen CCH), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rechtbank-amsterdam-veroordeelt-china-center-hotel-tot-betaling-aan-dpg-media-na-misgelopen-betalingsregelingen

Rb. Amsterdam 1 november 2024, RB 3868, IT 4671; ECLI:NL:RBAMS:2024:6623 (DPG Media tegen CCH). De rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld over een geschil tussen DPG Media B.V. en China Center Hotel B.V. (CCH). DPG Media had in opdracht van CCH advertentie- en reclamecampagnes uitgevoerd en hiervoor facturen ter waarde van € 13.198,31 gestuurd. CCH had hiervan slechts € 5.539,80 betaald. Ondanks meerdere betalingsregelingen in 2022, kwam CCH haar verplichtingen niet na, wat leidde tot een rechtszaak in februari 2024. DPG Media vorderde betaling van het openstaande bedrag van € 11.704,17, vermeerderd met wettelijke handelsrente en proceskosten. CCH betwistte de hoogte van de vordering en stelde dat de specificatie van de vordering vragen opriep. De rechtbank oordeelde echter dat CCH onvoldoende verweer had gevoerd en dat de vordering van DPG Media gerechtvaardigd was. De rechtbank veroordeelde CCH tot betaling van € 10.482,35 aan DPG Media, inclusief wettelijke handelsrente vanaf 19 januari 2023 en proceskosten van € 1.452,22.

RB 3844

Commissariaat van de Media deelt eerste boete uit aan influencer op TikTok

CvdM 18 jun 2024,, RB 3844; 966787 / 974939 (Sanctiebeschikking), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/commissariaat-van-de-media-deelt-eerste-boete-uit-aan-influencer-op-tiktok

CvdM 18 juni 2024, IT 4577; 966787 / 974939 (Sanctiebeschikking). In het kader van zijn toezichthoudende taak heeft het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) onderzoek verricht naar de naleving van de Mediawet 2008 door een influencer die actief is op onder andere het platform TikTok. Sinds 1 juli 2022 kunnen TikTok-profielen ook aan de vereisten van een commerciële mediadienst op aanvraag voldoen. In deze sanctiebeschikking komt het Commissariaat tot het oordeel dat de influencer artikel 3.5b lid 1 van de Mediawet 2008 heeft overtreden. Haar wordt een boete opgelegd. Het gaat hierbij om vier video's die reclame bevatten, waarbij het niet duidelijk herkenbaar is dat het om reclame gaat. Na vaststelling van deze overtreding heeft het Commissariaat de influencer een waarschuwing gegeven. De video's zijn echter niet aangepast, hetgeen in deze sanctiebeschikking leidt tot een boete van 6075 euro. Dit is de eerste keer dat het Commissariaat een dergelijke boete aan een influencer uitdeelt sinds de nieuwe regels van 1 juli 2022.

RB 3750

Geen bepaalde stereotypering van een bevolkingsgroep in televisiecommercial

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 10 jan 2023,, RB 3750; (klager tegen Lidl), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-bepaalde-stereotypering-van-een-bevolkingsgroep-in-televisiecommercial

RCC 10 januari 2023, RB 3750; Dossiernr. 2023/00001(klager tegen Lidl) Er is een klacht ingediend over een televisiecommercial van Lidl waarin een man voorkomt met een accent uit het oosten van het land. De klager vindt dat het personage stigmatiserend wordt neergezet als dom, conservatief en klein van geest. De voorzitter van de Reclame Code Commissie heeft de klacht beoordeeld en oordeelt dat er geen sprake is van een beledigende stereotypering van een bepaalde bevolkingsgroep. Daarnaast heeft de commercial geen grenzen overschreden en wordt de klacht daarom afgewezen.

RB 3747

Advertentie op Booking.com is misleidend

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 9 jan 2023,, RB 3747; (Klager tegen Booking.com), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/advertentie-op-booking-com-is-misleidend

RCC 9 januari 2023, RB 3747; dossiernr. 2022/00556 (Klager tegen Booking.com) Op de website van Booking.com wordt geadverteerd met de accommodatie ‘Guests House, Dunboyne Castle The Court – Dublin, Ireland’. Klager voert aan dat deze advertentie misleidend is, nu de accommodatie niet in Dublin ligt. Booking.com stelt dat de teksten en foto’s van de accommodaties zijn verstrekt door de accommodaties en zij ervoor verantwoordelijk zijn dat de informatie juist is. Booking.com controleert dit niet, maar neemt wel maatregelen als bepaalde informatie onjuist is. De voorzitter oordeelt dat het de verantwoordelijkheid is van Booking.com om ervoor te zorgen dat de informatie op haar website correct en niet misleidend is. Verder oordeelt de voorzieningenrechter dat de uiting misleidend en daardoor oneerlijk is. De uiting bevat namelijk onjuiste informatie over de voornaamste kenmerken van de te boeken accommodatie die de gemiddelde consument ertoe kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.

RB 3722

Uitspraak ingezonden door Kristel Plug, Olivier Schotel en Sanne Knopper, De Roos Advocaten.

"Het weerbericht van de toekomst" niet in strijd met NRC

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 3 okt 2022,, RB 3722; (Milieudefensie), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/het-weerbericht-van-de-toekomst-niet-in-strijd-met-nrc

SRC 3 oktober 2022, IEF 21091, RB 3722; 2022/00337 (Milieudefensie) Milieudefensie heeft het weerbericht van de toekomst gemaakt, in het kader van haar campagne ‘Geen geld naar vervuilende bedrijven’. Het doel van het betreffende weerbericht is tweeledig. Aan de ene kant creëert Milieudefensie bewustwording voor het probleem van klimaatverandering en aan de andere kant roept zij het publiek op om in actie te komen tegen grote vervuilende bedrijven die geen adequaat klimaatplan hebben. Meer specifiek wordt het publiek aangespoord om de website van Milieudefensie te bezoeken, waar meer informatie te vinden is en een petitie over dit onderwerp getekend kan worden. 

RB 3559

Prejudiciële vragen over reclametijd

EU 21 apr 2021,, RB 3559; (Reti Televisive Italiane), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/prejudici-le-vragen-over-reclametijd

Consiglio di Stato 21 april 2021, IEF 20209, RB 3559, IEFbe 3285, IT 3668; C-255/21 (Reti Televisive Italiane) Verzoek om een prejudiciële beslissing. Via MinBuza: De Italiaanse toezichthouder heeft drie zenders van RTI sancties opgelegd wegens het overtreden van de regels omtrent maximale reclametijd per klokuur. Volgens RTI werd in deze tijd ook zelfpromotie gepresenteerd, die bij de berekening niet mee hoeven worden genomen. In het geschil is dan ook aan de orde de vraag of het aanprijzen door de moedermaatschappij van (radio)programma's van de dochter-onderneming rechtmatig is. De verwijzende rechter verwijst in dit verband naar een besluit van de AGCOM, volgens welke de concentratie van televisie- en radio-uitzendingen ertoe kan leiden dat concurrenten worden uitgesloten van de markt. Er worden verschillende prejudiciële vragen gesteld over deze kwestie. De belangrijkste ziet op de vraag of het bestaan van diverse vormen van communicatie ondergebracht in onderling verbonden ondernemingsgroepen ertoe kan leiden dat de omroeporganisatie als groep aan te merken is als één economische eenheid. De overige vragen zien op de maximumzendtijd voor reclame en de gevolgen hiervan als de verschillende ondernemingen inderdaad als één economische eenheid beschouwd moeten worden.