RB
DOSSIERS
Alle dossiers

Misleidende en vergelijkende reclame  

RB 4040

RCC: aanduiding 'vegan' zonder uitleg over gebruik van speurhonden onvoldoende duidelijk

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 2 jul 2026, RB 4040; 2025/00376 (Mister Kitchen’s truffle mayo), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rcc-aanduiding-vegan-zonder-uitleg-over-gebruik-van-speurhonden-onvoldoende-duidelijk

RCC 19 december 2025, RB 4040; 2025/00376 (Mister Kitchen’s truffle mayo). In deze zaak tussen klager, Mister Kitchen en Albert Heijn draait het om de vraag of de aanduidingen 'vegan', 'veganistisch' en 'vgn' misleidend zijn. De truffelmayonaise bevat echte truffel en bij het zoeken naar die truffels worden honden ingezet. De voorzitter van de Reclame Code Commissie beoordeelt of de gemiddelde consument, en in het bijzonder de gemiddelde veganistische consument, door de gebruikte aanduidingen een onjuiste indruk krijgt van de manier waarop het product tot stand komt. De voorzitter benadrukt dat zijn oordeel alleen ziet op de vier uitingen waartegen de klacht is gericht: de Instagrampost, de verpakking, de productpagina en het schaplabel. Hij gaat daarom niet in op het verzoek van klager om ook andere producten met truffel en een veganclaim te beoordelen. Volgens klager wekken de aanduidingen 'vegan', 'veganistisch' en 'vgn' ten onrechte de indruk dat bij de productie van het product op geen enkele manier dieren zijn gebruikt. Omdat honden worden ingezet om de truffels op te sporen, is daarvan volgens klager geen sprake. Mister Kitchen erkent dat honden worden gebruikt bij het zoeken naar truffels. Volgens haar bestaat internationaal echter geen overeenstemming over de vraag of truffels daardoor niet meer als vegan kunnen worden aangemerkt. Zij wijst onder meer op het ICEA-keurmerk, dat het gebruikte truffelproduct als vegan certificeert. Albert Heijn sluit zich daarbij aan. Ook andere internationaal erkende keurmerken stellen volgens haar niet als eis dat tijdens het productieproces geen dieren mogen worden ingezet voor arbeid. Daarnaast verwijst Albert Heijn naar het Voedingscentrum, dat volgens haar een beperktere uitleg van het begrip 'vegan' hanteert. De voorzitter stelt vast dat niet ter discussie staat dat de mayonaise echte truffel bevat en dat honden worden ingezet om die truffels te vinden. De kern van het geschil is daarom niet hoe het productieproces verloopt, maar welke betekenis de gemiddelde consument aan de aanduidingen 'vegan', 'veganistisch' en 'vgn' geeft. Meer specifiek gaat het om de vraag of de gemiddelde veganistische consument daaruit mag afleiden dat bij de productie van de ingrediënten helemaal geen dieren zijn betrokken, ook niet voor arbeid.

RB 4039

Verpakking van gevaarlijke stoffen mag niet lijken op voedselverpakking, ook niet bij een klein gezondheidsrisico

buitenland 2 jul 2026, RB 4039; ECLI:EU:C:2026:508 (Orkla Care AB tegen Kemikalieinspektionen), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/verpakking-van-gevaarlijke-stoffen-mag-niet-lijken-op-voedselverpakking-ook-niet-bij-een-klein-gezondheidsrisico

AG Szpunar 18 juni 2026, LS&R 2407; RB 4039; ECLI:EU:C:2026:508 (Orkla Care AB tegen Kemikalieinspektionen). In deze prejudiciële procedure tussen Orkla Care AB en de Zweedse Kemikalieinspektionen staat de uitleg centraal van artikel 35 lid 2 van de CLP-verordening. Aanleiding vormt een geschil over de verpakking van vloeibare wasmiddelen van Orkla Care, die volgens de Zweedse toezichthouder te veel lijkt op verpakkingen van voedingsmiddelen. De verwijzende rechter vraagt het Hof van Justitie onder meer welke beoordelingscriteria gelden bij de beoordeling of een verpakking consumenten kan misleiden, welk referentiekader daarbij moet worden gehanteerd en of rekening moet worden gehouden met de ernst van het gezondheidsrisico van de stof. Advocaat-generaal Szpunar concludeert dat de CLP-verordening een ruime bescherming van de volksgezondheid beoogt en dat verpakkingen van gevaarlijke stoffen geen gelijkenis mogen vertonen met voedselverpakkingen waardoor consumenten deze met elkaar kunnen verwarren. Orkla Care brengt vloeibare wasmiddelen op de markt in langwerpige kartonnen verpakkingen met een vierkante bodem, een gevouwen bovenzijde en een schroefdop. Nadat consumenten hadden gemeld dat deze verpakkingen deden denken aan drank- en zuivelverpakkingen, onderzocht de Zweedse toezichthouder of de verpakking voldeed aan artikel 35 lid 2 CLP. Daarbij werd niet alleen gewezen op de vorm van de verpakking, maar ook op de kleurstelling en een label waarop stond vermeld dat het product "vegan" is. Volgens de toezichthouder konden consumenten de verpakking daardoor aanzien voor een levensmiddel. Orkla Care werd daarom verboden de producten nog langer in deze verpakking op de markt te brengen. De nationale rechter stelde vervolgens meerdere prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. De advocaat-generaal stelt voorop dat de beoordeling of een verpakking lijkt op die van een levensmiddel steeds per geval moet plaatsvinden, maar wel aan de hand van uniforme Unierechtelijke criteria. Daarbij moeten alle waarneembare kenmerken van de verpakking worden betrokken, waaronder de vorm, afmetingen, inhoud, gebruikte materialen, ontwerp, etikettering, kleur en zelfs geur. De beoordeling mag zich dus niet beperken tot één afzonderlijk element van de verpakking, maar moet uitgaan van de totaalindruk die deze wekt.

RB 4024

Dexia volledig aansprakelijk wegens verboden advisering door tussenpersoon; geen aanspraak meer op afgewikkelde overeenkomst ex-echtgenote

Rechtspraak (NL/EU) 20 mei 2026, RB 4024; ECLI:NL:RBLIM:2026:5128 ([lessee 1] tegen Dexia), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/dexia-volledig-aansprakelijk-wegens-verboden-advisering-door-tussenpersoon-geen-aanspraak-meer-op-afgewikkelde-overeenkomst-ex-echtgenote

Rb. Limburg 20 mei 2026, RB 4024; ECLI:NL:RBLIM:2026:5128 ([lessee 1] en Dexia). In deze effectenleasezaak vordert de afnemer schadevergoeding van Dexia naar aanleiding van twee Capital Effect-overeenkomsten uit 1998, waarvan één op naam van zijn inmiddels ex-echtgenote stond en één op zijn eigen naam. De kantonrechter sluit aan bij de vaste Dexia-jurisprudentie en stelt voorop dat sprake is van huurkoop en dat Dexia haar bijzondere zorgplichten heeft geschonden, in elk geval haar waarschuwingsplicht, zodat zij onrechtmatig heeft gehandeld. De andere door de afnemer aangevoerde grondslagen — dwaling, misleidende reclame, misbruik van omstandigheden en vernietigbaarheid op grond van de Wck — leiden niet tot toewijzing. De kantonrechter motiveert dat niet afzonderlijk, maar verwijst naar de vaste rechtspraak over effectenlease en overweegt dat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die een afwijking daarvan rechtvaardigen. De zaak wordt daarom niet beslist op de grond dat Dexia door reclame-uitingen een onjuiste of misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven, maar op de schending van haar zorgplicht en vooral op het contracteren ondanks verboden advisering door een tussenpersoon.

RB 4023

Geen ongeoorloofde vergelijkende reclame bij pleidooi voor brandveiligheidstoetsing op gevelsysteemniveau

Rechtspraak (NL/EU) 12 jun 2026, RB 4023; ECLI:NL:HR:2026:919 (Rockwool tegen Kingspan), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-ongeoorloofde-vergelijkende-reclame-bij-pleidooi-voor-brandveiligheidstoetsing-op-gevelsysteemniveau

HR 12 juni 2026, IEF 23620; RB 4023; ECLI:NL:HR:2026:919 (Rockwool tegen Kingspan). In dit arrest beoordeelt de Hoge Raad het cassatieberoep van Rockwool tegen het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 24 september 2024 [IEF 22293], voor zover dat betrekking had op opmerkingen van een Kingspan-medewerker tijdens de NEN Studiedagen Brandveiligheid Gevels. Rockwool, producent van steenwolisolatie met Euro-brandklasse A1, stelde dat Kingspan, producent van kunststofisolatie met Euroklasse B of lager, zich met die opmerkingen schuldig had gemaakt aan ongeoorloofde vergelijkende reclame. De Kingspan-medewerker had betoogd dat de brandveiligheid van gevels niet uitsluitend moet worden beoordeeld aan de hand van de brandklasse van afzonderlijke materialen, maar op het niveau van het volledige gevelsysteem. Daarbij wees hij op BS8414-systeemtests waaruit bleek dat een gevelsysteem met materialen met Euroklasse C en B een test kon doorstaan, terwijl een gevelsysteem met materialen met Euroklasse A1 en A2, waaronder Rockwool Duoslab-isolatie, een test had gefaald. Volgens Rockwool werden daarmee producten uit verschillende productgroepen op niet-objectieve wijze vergeleken en testresultaten ten onrechte als gelijkwaardig gepresenteerd. De rechtbank volgde Rockwool op dit punt, maar het hof oordeelde dat de opmerkingen wel vergelijkende reclame in de zin van art. 6:194a BW vormden, omdat zij mede de afzet van Kingspan-producten bevorderden, maar niet ongeoorloofd waren.

RB 4020

Hoge Raad laat Dynamic Security van HP in stand: geen misbruik van machtspositie

Rechtspraak (NL/EU) 5 jun 2026, RB 4020; ECLI:NL:HR:2026:847 ((Digital Revolution tegen HP)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hoge-raad-laat-dynamic-security-van-hp-in-stand-geen-misbruik-van-machtspositie

HR 5 juni 2026, IEF 23605; ECLI:NL:HR:2026:847 (Digital Revolution tegen HP). De Hoge Raad heeft in het langlopende geschil tussen Digital Revolution (123inkt) en HP over HP's zogenoemde Dynamic Security-technologie het principale cassatieberoep van Digital Revolution verworpen. Het (deels) voorwaardelijke incidentele cassatieberoep van HP slaagde gedeeltelijk. Het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 november 2024 is vernietigd en de zaak is verwezen naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling. De zaak draaide onder meer om de vraag of HP met Dynamic Security misbruik maakt van een machtspositie op de markt voor printercartridges. Ook stond ter discussie of partijen zich schuldig maakten aan misleidende handelspraktijken en ongeoorloofde vergelijkende reclame. Volgens Digital Revolution belemmert HP via Dynamic Security de concurrentie op de secundaire markt (aftermarket) voor cartridges. Firmware-updates wijzigen regelmatig de beveiligingscode, waardoor bepaalde cartridges van derden, waaronder de huismerkcartridges van Digital Revolution, door de printer worden geweigerd. Volgens Digital Revolution levert dat misbruik van een machtspositie op in strijd met artikel 102 VWEU en artikel 24 Mededingingswet. HP stelde daartegenover dat Dynamic Security namaakcartridges tegengaat, printers beschermt tegen schade en de kwaliteit en veiligheid van het printsysteem bewaakt. De Hoge Raad benadrukt, onder verwijzing naar artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1/2003, dat een partij die een schending van artikel 102 VWEU en artikel 24 Mededingingswet stelt, de relevante economische feiten en omstandigheden moet aanvoeren en bij betwisting moet onderbouwen. Alleen dan ontstaat een voldoende onderbouwd economisch debat tussen partijen. Daarbij moet de relevante markt worden afgebakend aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden. In deze zaak lag het op de weg van Digital Revolution om die feiten en omstandigheden over de gestelde (after)markt voor cartridges aan te voeren. De Hoge Raad volgt het hof in zijn oordeel dat Digital Revolution daarvoor onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd. Digital Revolution voerde aan dat de cartridges voor ieder model HP-printer een afzonderlijke productmarkt vormen. Volgens de Hoge Raad mocht het hof echter oordelen dat deze marktafbakening onvoldoende feitelijk was uitgewerkt. Daarbij speelt ook een rol in hoeverre de concurrentiedruk op de primaire markt voor printers doorwerkt naar de aftermarket voor cartridges.

RB 4012

“Laat je (b)likkuh”: geen strijd met Nederlandse Reclame Code

toezichthouder 16 apr 2026, RB 4012; 2026/00112 ((klacht tegen Stëlz)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/laat-je-b-likkuh-geen-strijd-met-nederlandse-reclame-code

SRC 16 april 2026, IEF 23567; RB 4012; 2026/00112 (klacht tegen Stëlz). In deze zaak staat een klacht centraal over een billboardposter van Stëlz hard iced tea, waarop een vrouw in carnavalskleding lachend en knipogend een blikje vasthoudt, met daarbij de slogan “laat je (b)likkuh!” en een illustratie van een mond met uitgestoken tong. De poster was geplaatst in de openbare ruimte en voorzien van onder meer de aanduiding “vastelaovend” en het NIX18-logo. Klager stelt dat de slogan een seksueel suggestieve woordspeling vormt op het woord “likken”, die in combinatie met de beeldtaal een expliciete seksuele lading krijgt. Volgens klager leidt dit bovendien tot objectivering van vrouwen, nu de knipogende vrouw onderdeel wordt van deze dubbelzinnige boodschap. Daarbij wordt benadrukt dat de uiting zich in de openbare ruimte bevindt (bushokjes) en daarmee ook zichtbaar is voor minderjarigen. In het licht van de maatschappelijke discussie over seksisme en straatintimidatie acht klager de uiting in strijd met de normen van goede smaak en fatsoen als bedoeld in de Nederlandse Reclame Code. Adverteerder betwist dit en voert aan dat sprake is van een carnavaleske woordspeling waarin het woord “blik” centraal staat, passend binnen een traditie van dubbelzinnige en speelse humor tijdens carnaval. Van een expliciete seksuele boodschap is volgens adverteerder geen sprake. De vrouw wordt neergezet als een zelfverzekerde deelnemer aan een feestelijke setting, zonder dat sprake is van seksuele objectivering of een suggestieve lichaamshouding. Bovendien maakt de uiting deel uit van een bredere campagne waarin zowel mannen als vrouwen voorkomen in een vergelijkbare setting met vergelijkbare humoristische woordspelingen.

RB 4011

CvB: “één op de vier kreupele melkkoeien” onvoldoende onderbouwd

Rechtspraak (NL/EU) 22 apr 2026, RB 4011; 2025/00515 (([klager] tegen Wakker dier)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/cvb-een-op-de-vier-kreupele-melkkoeien-onvoldoende-onderbouwd

CvB 22 april 2026, RB 4011; 2025/00515 ([klager] tegen Wakker dier). In deze zaak tussen een klager en Wakker Dier staat de vraag centraal of een radiocommercial, waarin wordt gesteld dat “één op de vier melkkoeien in Nederland kreupel is en strompelt naar de melkmachine”, misleidend is. De uiting maakt onderdeel uit van de zogenoemde sloopmelkcampagne en beoogt aandacht te vragen voor dierenwelzijn in de melkveehouderij. De klacht richt zich met name op de feitelijke juistheid van het genoemde percentage. Volgens klager is de stelling niet verifieerbaar en strookt deze niet met de praktijk. Wakker Dier voert aan dat de uiting is gebaseerd op een meta-analyse van 53 onderzoeken naar kreupelheid bij melkkoeien in Noordwest-Europa, waaruit een gemiddelde prevalentie van circa 28% volgt. In de commercial is dit percentage naar beneden afgerond naar “één op de vier” (25%) om voorzichtigheid te betrachten. De Reclame Code Commissie plaatst de uiting uitdrukkelijk in de context van een ideële, opiniërende campagne en erkent dat Wakker Dier ruime vrijheid van meningsuiting heeft in het maatschappelijk debat. Die vrijheid neemt echter niet weg dat concrete feitelijke claims de toets aan de Nederlandse Reclame Code moeten doorstaan. De Commissie oordeelt dat uit de meta-analyse niet voldoende duidelijk volgt dat het door Wakker Dier genoemde percentage specifiek voor Nederland geldt. Het onderzoek ziet op 11 landen in Noordwest-Europa en de prevalentie is – met name bij de “conservatieve” definitie van kreupelheid – sterk variabel. De specifieke Nederlandse situatie valt op basis van de publicatie niet goed te beoordelen. Dat Wakker Dier een “veiligheidsmarge” hanteert door van 28% naar 25% (één op vier) te gaan, verandert hier niets aan. De Commissie acht de uiting daarom in strijd met artikel 5 NRC, omdat zij het vertrouwen in reclame schaadt. In beroep bevestigt het College van Beroep dit oordeel. Het College stelt voorop dat Wakker Dier als maatschappelijke organisatie een ruime vrijheid heeft om een mening te verkondigen in het kader van een publiek debat. Die vrijheid wordt echter begrensd wanneer in reclame concrete, cijfermatige feiten worden gepresenteerd: dan moet de juistheid van die feiten tegenover een gemotiveerde betwisting aannemelijk worden gemaakt.

RB 4009

Rb Den Haag: de term “glasvezel-kabel(netwerk)’ in de zaak tussen KPN en Ziggo is niet misleidend

Rechtspraak (NL/EU) 15 apr 2026, RB 4009; ECLI:NL:RBDHA:2026:8997 ((KPN tegen Ziggo)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-de-term-glasvezel-kabel-netwerk-in-de-zaak-tussen-kpn-en-ziggo-is-niet-misleidend

Rb. Den Haag 15 april 2026, RB 4009; IT5270; ECLI:NL:RBDHA:2026:8997 (KPN tegen Ziggo). In deze procedure bij de Rechtbank Den Haag staat de vraag centraal of de wijze waarop Ziggo haar netwerk aanduidt als “glasvezel‑kabel(netwerk)” en haar diensten promoot, misleidend is in de zin van de regels inzake oneerlijke handelspraktijken en vergelijkende reclame. KPN stelt dat Ziggo ten onrechte de indruk wekt dat sprake is van een volledig glasvezelnetwerk en dat consumenten daardoor worden misleid bij de keuze voor een internetabonnement. Daarnaast verwijt KPN Ziggo dat zij haar netwerk en diensten op onjuiste wijze vergelijkt met die van KPN. De rechtbank wijst de vorderingen van KPN af. Zij stelt voorop dat de beoordeling van misleiding plaatsvindt vanuit het perspectief van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument. Tegen die achtergrond oordeelt de rechtbank dat de aanduiding “glasvezel‑kabel(netwerk)” op zichzelf niet misleidend is. Van belang is dat Ziggo in haar communicatie duidelijk maakt dat het gaat om een hybride netwerk, waarbij glasvezel wordt gecombineerd met een kabelverbinding tot aan de woning. De enkele omstandigheid dat KPN een volledig glasvezelnetwerk aanbiedt, betekent niet dat Ziggo deze terminologie niet mag gebruiken. Ook de door KPN bestreden 97%-claim van Ziggo, inhoudende dat 97% van het internetsignaal via glasvezel en 3% via coax loopt, houdt stand.

RB 4007

Uitspraak ingezonden door Sophie Wiegant en Thera Adam‑van Straaten, Eversheds Sutherland.

Vordering tot verbod en rectificatie van uitingen over IVD MammaPrint afgewezen

Rechtspraak (NL/EU) 24 apr 2026, RB 4007; C/13/785453 ((Agendia tegen Exact Sciences c.s.)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/vordering-tot-verbod-en-rectificatie-van-uitingen-over-ivd-mammaprint-afgewezen

Rb. Amsterdam 24 april 2026, IEF 23530; RB 4007; C/13/785453 (Agendia tegen Exact Sciences c.s.). Exact Sciences, een dochtervennootschap van Genomic Health (tezamen: Exact Sciences c.s.), biedt een in vitro diagnostische test (IVD) aan onder de naam Oncotype DX. Agendia biedt een IVD aan onder de naam MammaPrint. Beide testen ondersteunen de besluitvorming over het al dan niet ondergaan van chemotherapie bij borstkanker. Exact Sciences c.s. vorderde bij dagvaarding van 20 november 2025 in kort geding een verbod op en rectificatie van uitingen van Agendia over MammaPrint wegens vermeend misleidende (vergelijkende) reclame in de zin van Verordening (EU) 2017/746 en de artikelen 6:194 en 6:194a BW. Bij vonnis van 17 december 2025 werden deze vorderingen afgewezen. Onder meer omdat het kort geding zich niet leent voor het beslechten van een wetenschappelijke discussie en spoedeisend belang ontbrak. In een opvolgend kort geding stelde Agendia dat Exact Sciences c.s. in die eerdere procedure zelf onrechtmatige uitlatingen over MammaPrint had gedaan, onder meer door te suggereren dat MammaPrint een risico voor de volksgezondheid zou vormen en dat Oncotype DX aantoonbaar beter presteert dan MammaPrint zonder afdoende wetenschappelijk bewijs.

RB 4003

Uitlatingen over brandveiligheid van isolatiemateriaal deels ongeoorloofd en misleidend

Rechtspraak (NL/EU) 5 okt 2022, RB 4003; ECLI:NL:RBGEL:2022:5713 (Rockwool tegen Kingspan), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/uitlatingen-over-brandveiligheid-van-isolatiemateriaal-deels-ongeoorloofd-en-misleidend

Rb. Gelderland 5 oktober 2022, IEF 23491; RB 4003; ECLI:NL:RBGEL:2022:5713 (Rockwool tegen Kingspan). De rechtbank beoordeelt een wederzijds geschil tussen Rockwool en Kingspan over uitlatingen over de brandveiligheid van steenwol- en kunststofisolatie in de nasleep van de brand in de Grenfell Tower. De rechtbank zet eerst uiteen dat voor misleidende reclame (art. 6:194 BW) en ongeoorloofde vergelijkende reclame (art. 6:194a BW) onder meer vereist is dat sprake is van een openbaar gemaakte mededeling die de relevante doelgroep kan misleiden en haar economisch gedrag kan beïnvloeden; maatgevend is daarbij de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone beroeps- of bedrijfsbeoefenaar, hier vooral aannemers en architecten. In conventie krijgt Rockwool slechts gedeeltelijk gelijk, en wel alleen tegenover Kingspan Insulation B.V.. De rechtbank oordeelt dat de website-uiting van Kingspan Insulation dat het classificeren van een materiaal als onbrandbaar niet betekent dat het materiaal niet brandt, kwalificeert als ongeoorloofde vergelijkende reclame, omdat daarin impliciet naar steenwolproducten van Rockwool wordt verwezen en de formulering, zonder voldoende nuancering, misleidend is. Hetzelfde geldt voor de uitlatingen tijdens de NEN Studiedagen, voor zover daarin werd gesteld dat een combinatie van A1-isolatiemateriaal en A2-gevelbekleding een brandtest had gefaald zonder dat daaraan onderling identieke en objectief vergelijkbare brandtests ten grondslag lagen. De overige verwijten van Rockwool slagen niet: de tweede website-uiting kon niet aan de gedagvaarde Kingspan-vennootschappen worden toegerekend omdat zij afkomstig was van Kingspan Unidek, de Position Paper werd niet misleidend geacht omdat daarin feitelijk en op basis van objectief vergelijkbare DCLG-tests werd gerapporteerd, de bedrijfsfilm werd niet aan de gedagvaarde Kingspan-entiteiten toegerekend, en voor het gevorderde algemene gebod om op verzoek feitelijke onderbouwing van toekomstige uitingen te verstrekken biedt art. 6:195 lid 1 BW jo. art. 3:296 BW volgens de rechtbank geen grondslag. De rechtbank verklaart daarom voor recht dat Kingspan Insulation onrechtmatig heeft gehandeld, verbiedt die specifieke uitingen, wijst een dwangsom toe en kent schadevergoeding op te maken bij staat toe; de gevorderde rectificatie wordt afgewezen. Kingspan Insulation wordt in conventie veroordeeld in de proceskosten van € 1.906,10.