RB
DOSSIERS
Alle dossiers

Reclame  

RB 2464

Smartphonegebruik tijdens autorijden onverantwoord voor multifocale glazen

Vz. RCC 10 juni 2015, RB 2464; dossiernr. 2015/00557 (Eyewish placemat)
Aanbeveling. Gezondheid. Maatschappelijk (on)verantwoord. De uiting: Het betreft een “placemat” die adverteerder gebruikt bij het aanprijzen van multifocale glazen en de website www.eyewish.nl. Op de placemat wordt het kwaliteitsverschil in multifocale glazen zichtbaar gemaakt. Dit gebeurt door middel van een vanuit het gezichtspunt van een autobestuurder weergegeven (getekende) verkeerssituatie waarbij de bestuurder een smart­phone in zijn rechterhand vasthoudt naast het stuur, terwijl hij op een autoweg rijdt met een dubbel doorgetrokken streep. Ook op de website van adverteerder werden deze afbeeldingen getoond. De klacht: Klager stelt, samengevat, dat in de uitingen (placemat en website) een met artikel 61A RVV 1990 verboden handeling wordt getoond. Tevens wordt hiermee gehandeld in strijd met de huidige algemene en brede maatschappelijke opvatting met betrekking tot het niet handsfree bellen. Klager maakt verder melding van de wijze waarop adverteerder in de winkel op zijn klacht heeft gereageerd, waarbij sprake was van irritaties.

Het oordeel van de voorzitter: 1)  De voorzitter constateert dat de klacht tevens is gericht tegen de brillen- en glazenfabrikant Rodenstock. Bij e-mail van 27 mei 2015 is reeds namens de voorzitter aan klager meegedeeld dat Rodenstock niet in de onderhavige procedure als verweerder zal worden betrokken. In aanvulling hierop deelt de voorzitter mee dat op basis van de overgelegde uitingen geen aanleiding bestaat Rodenstock mede als adverteerder aan te merken.

2)  Op de placemat wordt het kwaliteitsverschil in multifocale glazen zichtbaar gemaakt door middel van afbeeldingen waarop telkens is te zien dat de bestuurder van een auto tijdens het rijden op een autoweg een smartphone in zijn rechterhand vasthoudt met de kennelijke bedoeling tijdens het rijden naar het scherm van dat toestel te kijken. Niet in geschil is dat op de placemat aldus een situatie wordt getoond die verboden is op grond van artikel 61A RVV 1990. Dit artikel verbiedt immers tijdens het rijden met een motorvoertuig een mobiele telefoon vast te houden. Bovendien wordt een zeer verkeersonveilige situatie getoond nu de bestuurder op een weg lijkt te rijden waar een maximale snelheid van 100 km/h geldt, en de afscheiding met de andere rijbaan enkel door middel van een dubbel doorgetrokken streep wordt gevormd. Ten aanzien van de website is blijkbaar sprake van een identieke uiting.

3)  De voorzitter acht de uitingen op grond van het voorgaande in strijd met artikel 3 van de Nederlandse Reclame Code (NRC). De uiting wekt onmiskenbaar de suggestie dat men dankzij de aangeprezen glazen tijdens het rijden op een autoweg zowel goed naar de weg kan kijken als goed het scherm van een smartphone kan lezen. De multifocale glazen worden specifiek voor deze situatie aangeprezen. De uiting zet daarmee aan tot gedrag in strijd met de wet (openbare orde) alsmede in strijd met de verkeersveiligheid (algemeen belang).

4)  De voorzitter is van oordeel dat adverteerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in haar reclame-uitingen voortaan andere afbeeldingen zal gebruiken. Adverteerder legt een kopie van de aangepaste placemat over waarin niet langer naar een verkeerssituatie wordt verwezen. Voorts deelt adverteerder mee dat ook haar website dienovereenkomstig zal worden aangepast. Om die reden zal de voorzitter gebruik maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 12 lid 5 van het Reglement van de Reclame Code Commissie en het College van Beroep en een aanbeveling achterwege laten.

5)  Voor zover klager verwijst naar de wijze waarop in de winkel op zijn klacht is gereageerd, merkt de voorzitter op dat dit aspect buiten het kader van de klacht over een reclame-uiting valt en om die reden niet door de voorzitter kan worden beoordeeld.
 
De beslissing van de voorzitter
Op grond van het voorgaande acht de voorzitter de bestreden reclame-uitingen in strijd met het bepaalde in artikel 3 NRC.
RB 2460

Link VVD in Google Ad leidt niet naar Stemwijzer 2015

RCC 23 juni 2015, RB 2460; dossiernr. 2015/00356 (Google adwords reclame stemwijzer 2015)
Aanbeveling. Digitale marketing communicatie. Misleiding. De uiting: Het betreft een uiting die verscheen als eerste zoekresultaat bij het invoeren van “kieskompas waterschap” op www.google.com. De eerste regel van de uiting luidt: “Stemwijzer 2015 – Provinciale Staten Verkiezing 2015”.

De klacht: Wanneer men klikt op de groot gedrukte link “Stemwijzer 2015 – Provinciale Staten Verkiezing 2015” komt men op de site www.vvd.nl terecht en is er geen stemwijzer te zien. Kennelijk probeert de VVD bezoekers naar voornoemde site te trekken door het te doen voorkomen dat de link naar de stemwijzer leidt. Klager vindt de uiting misleidend.

 Het oordeel van de Commissie: Naar het oordeel van de Commissie dient de bestreden reclame-uiting in haar geheel te worden beschouwd. De Commissie acht het voldoende duidelijk dat deze uiting reclame voor de VVD betreft, gelet op de vermelding “Ad” en de aanprijzende mededelingen “Stem 18 maart VVD. Houdt Koers!” en “de VVD houdt koers”.
Niettemin acht de Commissie de uiting niet toelaatbaar. Zij overweegt daartoe het volgende.
Door de groot gedrukte, bovenste regel van de uiting wordt de indruk gewekt dat de onder die regel opgenomen link www.vvd.nl in elk geval leidt naar de “Stemwijzer 2015” in het kader van de “Provinciale Staten Verkiezing 2015”.
Adverteerder heeft niet weersproken dat dit niet het geval is. In reactie op het bezwaar tegen de beslissing van de voorzitter heeft adverteerder onder meer meegedeeld dat het doel van de uiting is om de VVD onder de aandacht te brengen bij mensen die op zoek zijn naar informatie over de verkiezingen.
De Commissie begrijpt hieruit dat het niet de bedoeling was van adverteerder om bezoekers via de bestreden uiting kennis te laten nemen van de “Stemwijzer 2015” en/of hen in de gelegenheid te stellen om daarvan gebruik te maken. Nu gesuggereerd wordt dat die mogelijkheid wel degelijk wordt geboden, wordt naar het oordeel van de Commissie het vertrouwen in de reclame geschaad als bedoeld in artikel 5 van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Gelet op het bovenstaande wordt als volgt beslist.

De beslissing
De Commissie vernietigt de beslissing van de voorzitter. Zij acht de reclame-uiting in strijd met artikel 5 NRC en adviseert adverteerder om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Op andere blogs:
Dirkzwager

 

RB 2459

Kortewachttijdgarantie Jumbo wordt niet omzeild

RCC 24 juni 2015, RB 2459; dossiernr. 2015/00604 2015/00604/A 2015/00604/B (Kortewachttijdgarantie Jumbo)
Afwijzing. Detailhandel. Misleiding. De uiting: Het betreft de televisiecommercial van Jumbo over de ‘vierde wachtende in de rij’. In het begin van de commercial is te zien dat een jongetje en een meisje winkeltje spelen. Terwijl het meisje achter de kassa zit, staat het jongetje in de rij voor de kassa te wachten en zegt dan: “Hé, ik ben de vierde wachtende in de rij en er zit niemand aan die kassa, ik krijg de boodschappen gratis!” Het meisje rent hierop huilend naar haar moeder. De moeder van het jongetje zegt tegen hem: “Wat voor ons gewoon is, is niet voor iedereen gewoon.”
Vervolgens zegt een voice-over, terwijl te zien is dat het jongetje en het meisje met hun moeders boodschappen doen in een Jumbo-winkel: “Bij Jumbo vinden we dit heel gewoon. Want vlot winkelen is één van onze zeven zekerheden. Als u de vierde wachtende in de rij bent en er is nog een kassa onbemand…” welke zin aangevuld wordt door een winkelmedewerkster, die tegen een vierde wachtende in de rij voor een kassa zegt: “…dan zijn de boodschappen gratis.” In beeld verschijnt onder meer de mededeling: “Kijk voor de spelregels op jumbo.com”.

De klacht: De televisiereclame over gratis boodschappen klopt niet. Toen klager in een Jumbo-winkel in Groningen de vierde in de rij was en dit meldde toen hij aan de beurt was, werd door de bedrijfsleider meegedeeld dat klager naar de servicebalie kon gaan waar geen rij stond.  In de winkel wordt echter niet door middel van borden op deze mogelijkheid gewezen. Omdat Jumbo “altijd een oplossing [heeft] die nergens op de borden staat” vindt klager de commercial misleidend.

Het oordeel van de Commissie:
De Commissie begrijpt de klacht aldus dat klager de televisiecommercial misleidend acht omdat volgens hem Jumbo in de praktijk de kortewachttijdgarantie die in de commercial wordt aangeprezen probeert te omzeilen. Klager baseert zijn klacht op een ervaring in een Jumbo-winkel waar zijn beroep op de kortewachttijdgarantie met een verwijzing naar de servicebalie, waar geen rij stond, werd afgewezen.
Deze klacht kan niet slagen. In de televisiecommercial wordt de kortewachttijdgarantie van Jumbo aangeprezen. Uit de ‘Spelregels Vlot winkelen – Hoe werkt de kortewachttijdgarantie’ op adverteerders website jumbo.com, waarnaar in de commercial wordt verwezen, blijkt dat de servicebalie, indien die in dezelfde lijn ligt als de gewone kassa’s, in het kader van de kortewachttijdgarantie als kassa meetelt. Hoewel de consument in de door klager bezochte winkel, kennelijk tegen de instructies van Jumbo in, niet uitdrukkelijk op deze regel gewezen wordt, betekent dit niet dat Jumbo in de praktijk de kortewachttijdgarantie probeert te ‘omzeilen’. Mede gelet op de in het verweer vermelde aantallen transacties die Jumbo op basis van de kortewachttijdgarantie gratis heeft verstrekt, acht de Commissie voldoende aannemelijk geworden dat het geen beleid is de kortewachttijdgarantie beperkter uit te voeren dan in de televisiecommercial wordt voorgesteld en op adverteerders website wordt toegelicht.
Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.
De beslissing
De Commissie wijst de klacht af.
RB 2458

Straling slimme meter niet ongevaarlijk

RCC 15 juli 2015, RB 2458; dossiernr. 2015/00633 (Slimme meter)
Aanbeveling. Misleiding. Digitale marketing communicatie.  De uiting: Het betreft de volgende mededeling met betrekking tot de slimme meter op de website enexis.nl, in het onderdeel ‘Veelgestelde vragen’: “Heb ik last van straling als ik in de buurt kom van mijn slimme meter?”, “Nee, u zult geen last hebben van de straling van uw slimme meter. De straling van de slimme meter is vergelijkbaar met de straling van een mobiele telefoon. Deze blijft ruim binnen de geldende richtlijnen en vormt geen gevaar voor uw gezondheid. Bij elektrische apparaten is altijd sprake van enige mate van straling.”

De klacht: De door Enexis gemaakte vergelijking van de straling van een slimme meter met die van een mobiele telefoon gaat niet op, aldus klager. De gepulste microgolfstraling in de slimme meter is wel degelijk een gevaar voor de volksgezondheid. Klager meent dat Enexis de klant hierover duidelijk moet informeren, ook omdat er mensen zijn die zeer gevoelig zijn voor deze straling. Elektromagnetische gevoeligheid is een wetenschappelijk feit. Klager wijst in dit verband op een uitspraak van Prof. Victor Moshchalkov van het Departement Natuurkunde en Astronomie aan de KU Leuven. Klager meent dat Enexis juiste informatie moet verstrekken. De verouderde richtlijnen gelden voor GSM, maar niet voor de 24/7 gepulste microgolfstraling van een slimme meter.

Het oordeel van de Commissie: 1) In de eerste plaats dient beoordeeld te worden of de bestreden uiting reclame in de zin van de Nederlandse Reclame Code (NRC) betreft, nu dit door Enexis wordt betwist.
Ingevolge artikel 1 NRC wordt onder reclame verstaan: “Iedere openbare en/of systematische directe dan wel indirecte aanprijzing van goederen, diensten en/of denkbeelden door een adverteerder of geheel of deels ten behoeve van deze, al dan niet met behulp van derden.” De bestreden uiting is opgenomen in de rubriek “veelgestelde vragen” met betrekking tot de slimme meter op de website van Enexis. Deze website heeft een aanprijzend karakter voor de door Enexis geleverde diensten en producten en dient als zodanig als reclame te worden aangemerkt. Reeds daarom moet ook de bestreden uiting die van de website deel uitmaakt als reclame in de zin van artikel 1 NRC worden beschouwd en geldt Enexis als adverteerder.
2) De Commissie begrijpt de klacht aldus dat volgens klager in de uiting onjuiste informatie wordt verstrekt over de last die kan worden ondervonden van de straling van de slimme meter. Naar het oordeel van de Commissie heeft Enexis, onder verwijzing naar de conclusie van het testrapport van TÜV Rheinland van 13 november 2012, voldoende aannemelijk gemaakt dat de berekende en gemeten blootstellingsniveaus van de meest toegepaste slimme meters binnen de gestelde normen vallen en om die reden volgens de huidige regelgeving geen gevaar voor de volksgezondheid opleveren. Deze conclusie rechtvaardigt echter niet de absolute mededeling “u zult geen last hebben van de straling van uw slimme meter”. Dat de straling binnen de gestelde normen valt, hoeft immers niet te betekenen dan men in het geheel geen last zal (kunnen) hebben van de straling.
3) Gelet op het voorgaande gaat de bestreden uiting gepaard met onjuiste informatie als bedoeld in de aanhef van artikel 8.2 NRC. Omdat de gemiddelde consument hierdoor ertoe gebracht kan worden een besluit te nemen over een transactie – het al dan niet laten plaatsen van de slimme meter, waartoe hij niet verplicht is – dat hij anders niet had genomen, is de uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC. Daarom wordt als volgt beslist.

De beslissing
De Commissie acht de reclame-uiting in strijd met het bepaalde in artikel 7 NRC. Zij beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.
RB 2457

Advertentie "duurzaamste kantoorgebouw van de wereld" toegestaan

RCC 15 juli 2015, RB 2457; 2015/00503/I ((Duurzaamste kantoorgebouw van de wereld)
Afwijzing. Vastgoed. Bijzondere reclamecode. De uiting: Het betreft een advertentie met - naast de afbeelding van het gebouw genaamd ‘The Edge’ - de tekst: “Groen licht voor het duurzaamste kantoorgebouw van de wereld”. In de advertentie staat voorts onder meer: “Bekijk het verhaal op abnamro.com/ovg” en “The Edge in Amsterdam is uitgeroepen tot het meest duurzame kantoorgebouw van de wereld volgens de BREEAM-rating. OVG Real Estate paste hierin de nieuwste technologieën toe. En heeft nu internationale erkenning gekregen. Wij zijn trots om als financier te hebben bijgedragen aan de nieuwe benchmark voor gebouwen wereldwijd.”

De klacht: Klager stelt dat de bewering “duurzaamste kantoorgebouw van de wereld” blijkbaar is gegrond op de BREEAM-methode, maar dat deze methode niet voor elk nieuw kantoorpand wordt gebruikt en verschillende landen bovendien hun eigen maat kennen. Alleen al hierom is een internationale vergelijking onmogelijk en daarmee ook de gebruikte bewering. Klager betwist tevens dat de BREEAM-methode een goede duurzaamheidsmaat is nu BREAAM-NL de mobiliteitsomvang negeert, terwijl dit wel zorgt voor milieubelasting en het bewuste kantoorpand te openen ramen kent waarbij verwarming en verkoeling wordt ontregeld. En onduidelijk is volgens klager of en zo ja in welke mate BREEAM-NL meeneemt dat snelle liften in het kantoorpand meer energie vergen dat tragere liften, de noordgevel vrijwel geheel van glas is waardoor de warmte of koelte minder goed wordt tegengehouden en deze overmaat aan glas het pand juist minder energiezuinig maakt.

Het oordeel van de Commissie: 1) De Commissie is van oordeel dat de bestreden mededeling “duurzaamste kantoorgebouw van de wereld” dient te worden aangemerkt als milieuclaim in de zin van artikel 1 van de Milieu Reclame Code (MRC), waaronder  blijkens dit artikel moeten worden verstaan: alle reclame-uitingen waarin im- of expliciet wordt gerefereerd aan milieuaspecten.
2) Krachtens artikel 3 MRC dienen milieuclaims aantoonbaar juist te zijn en worden er, naarmate milieuclaims absoluter zijn geformuleerd, zwaardere eisen gesteld aan het door de adverteerder aan te leveren bewijsmateriaal. Naar het oordeel van de Commissie zal de gemiddelde consument het begrip “duurzaamste”, zoals dit in de bestreden uiting wordt gebruikt voor het betreffende kantoorgebouw in combinatie met “van de wereld”, begrijpen als een absolute claim en aldus opvatten dat sprake is van een internationale erkenning waarbij kantoorgebouwen over de hele wereld zijn getest op duurzaamheid en waarbij het onderhavige kantoorgebouw als duurzaamste ter wereld is verkozen. De juistheid van deze absolute milieuclaim is door klager gemotiveerd bestreden en dient door adverteerders te worden aangetoond.
3) De Commissie stelt voorop dat de claim “duurzaamste kantoorgebouw van de wereld” in de uiting met zoveel woorden is beperkt tot de waardering volgens  de BREEAM-rating. Het certificaat betreffende de toekenning van een waarderingsscore volgens BREEAM van 98,36% aan het in de uiting genoemde gebouw The Edge is  na de tussenbeslissing door adverteerders overgelegd en zij hebben de BREEAM-methodiek voor de vaststelling van de duurzaamheid van (kantoor)gebouwen inhoudelijk toegelicht. Klager trekt de betekenis van deze BREEAM-rating in twijfel, zowel wat het internationaal belang van deze methodiek betreft, als wat de deugdelijkheid van de in die methodiek toegepaste criteria ter beoordeling van de duurzaamheid van gebouwen. Adverteerders hebben gemotiveerd uiteengezet dat BREEAM de oudste en momenteel meest gebruikte certificeringsmethodiek ter wereld is voor het vaststellen, beoordelen en certificeren van de duurzaamheid van (kantoor)gebouwen. De Commissie begrijpt dat er verschillende methodes zijn om de duurzaamheid van een kantoorgebouw te beoordelen en dat een andere veelgebruikte methodiek die ook door klager is aangehaald, het van oorsprong Amerikaanse LEED is. In aantallen blijkt BREEAM echter wereldwijd aanzienlijk meer te worden toegepast  en adverteerder heeft toegelicht dat onder meer voor BREEAM is gekozen omdat het gebied waar het gebouw is geplaatst wordt meegenomen in de beoordeling en sprake is van de meest uitgebreide berekenmethode. De Commissie acht het, mede gelet op de overgelegde documentatie en achtergrondinformatie, voldoende aannemelijk dat BREEAM een wereldwijd geaccepteerde en representatieve rating is waarop adverteerders zich heeft kunnen baseren in de onderhavige uiting. Daaraan doet niet af dat discussie over de in de BREEAM methodiek gehanteerde criteria mogelijk is.
4) De Commissie is van oordeel dat gelet op de overgelegde documentatie, het certificaat en de BREEAM-scores in vergelijking met andere kantoorgebouwen in voldoende mate is aangetoond dat adverteerders op het moment van publicatie van de uiting de claim kunnen voeren dat het betreffende kantoorgebouw volgens de BREEAM -rating tot het meest duurzame kantoorgebouw van de wereld is uitgeroepen.
5) Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.
De eindbeslissing
De Commissie wijst de klacht af.

RB 2456

Humoristische middelvinger toelaatbaar op abriposter

RCC 22 juni 2015, RB 2456; 2015/00506 2015/00506/A (humoristische middelvinger toelaatbaar)
Afwijzing. Buitenreclame. Subjectieve norm. De uiting: Het betreft een abriposter waarop het gezicht van een man met zweetband te zien is en een middelvinger die wordt opgestoken waarboven de aanbieding “3 maanden gratis” staat. De klacht: Klaagster is van mening dat sprake is van een agressieve uiting die ongepast en platvloers overkomt.

Het oordeel van de Commissie:
1. De Commissie vat de klacht aldus op dat klaagster de betreffende reclame-uiting in strijd acht met de goede smaak en/of het fatsoen als bedoeld in artikel 2 van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Bij de beantwoording van de vraag of een reclame-uiting in strijd is met (één van) deze criteria stelt de Commissie zich terughoudend op, gelet op het subjectieve karakter daarvan. Beoordeeld dient te worden of de onderhavige uiting naar de huidige algemene maatschappelijke opvattingen de grenzen van het toelaatbare te buiten gaat. De Commissie beoordeelt de uitingen van geval tot geval en dient daarbij de vrijheid van meningsuiting van de adverteerder die de uiting openbaart in acht te nemen.

2. De Commissie stelt voorop dat sprake was van een, in het kader van 1 april, humoristisch bedoelde actie met een knipoog naar de andere uitingen van de betreffende campagne van adverteerder ter aanprijzing van zijn sportschool. De Commissie heeft er begrip voor dat niet iedereen onderhavige vorm van humor kan waarderen. Dit kan echter gelet op het voorgaande en de door de Commissie in acht te nemen terughoudendheid, niet tot het oordeel leiden dat de uiting van dien aard is dat dat de grens van het toelaatbare wordt overschreden. Daarom wordt als volgt beslist.

De beslissing
De Commissie wijst de klacht af.
RB 2455

Billboard webcamsex.nl moreel onverantwoord

CVB 7 juli 2015, RB 2455; 2015/00507 2015/00507/A  2015/00507/B 2015/00507/C 2015/00507/D 2015/00507/E (Billboard webcamsex.nl)
Aanbeveling bevestigd. Subjectieve normen, buitenreclame. De uiting: Het betreft het aan de westzijde naast de snelweg A4, ter hoogte van knooppunt Burgerveen, geplaatste billboard waarop [naam] is afgebeeld. Zij is alleen gekleed in een slip, die zij aan de achterkant met één hand naar beneden trekt. Haar borsten gaan schuil achter de in grote letters weergegeven tekst: “webcamsex.nl”. Verder staat op de uiting: “Cam nu met [naam]”. De klacht: Klager vindt het moreel onverantwoord dat hij naar aanleiding van een billboard langs de snelweg zijn jonge kinderen (van 4, 8 en 11 jaar) moet gaan uitleggen wat webcamseks is. Niet de reclamemaker moet hierin bepalend zijn, maar de verantwoordelijke ouders. Het is moreel verval van de maatschappij dat ‘deze partijen’ zich zo ongewenst kunnen opdringen.

Het oordeel van de Commissie (bevestigd door het CVB): 1. De Commissie neemt tot uitgangspunt dat het adverteerder in beginsel toegestaan is de door haar geëxploiteerde website webcamsex.nl aan te prijzen. Daaraan doet niet af dat tegen deze dienst morele of andere bezwaren kunnen bestaan. De Commissie beoordeelt niet de bestaande dienst op zich, maar toetst of de wijze waarop daarvoor reclame wordt gemaakt in overeenstemming is met de bepalingen van de NRC. Daarbij kan (de aard van) de aangeprezen dienst wel een rol spelen.

2. Klager maakt - kort gezegd - bezwaar tegen de reclame voor webcamsex.nl op het billboard langs de snelweg omdat hij het moreel onverantwoord vindt dat (jonge) kinderen hiermee worden geconfronteerd en dat de reclame ongewenst wordt opgedrongen. De Commissie vat deze bezwaren aldus op dat klager het billboard in strijd acht met de goede smaak en/of het fatsoen als bedoeld in artikel 2 NRC. Dat klager dit artikel niet uitdrukkelijk in de klacht heeft genoemd, betekent niet dat hij om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De Commissie acht de strekking van de klacht voldoende duidelijk, en blijkens het verweer heeft adverteerder de klacht ook aldus opgevat.

3. Bij de toetsing van een reclame-uiting aan criteria als de goede smaak en/of het fatsoen stelt de Commissie zich terughoudend op, gelet op het subjectieve karakter van die criteria. De Commissie beoordeelt of de uiting naar de huidige maatschappelijke opvattingen de grenzen van het toelaatbare overschrijdt. Hierbij wordt, zoals vermeld in de (begin 2014 aangescherpte) toelichting bij artikel 2 NRC, mede rekening gehouden met de wijze waarop de uiting is geopenbaard en het effect dat de uiting daardoor op het publiek heeft. Bij een uiting die op zodanige wijze wordt gepubliceerd dat het publiek zich niet aan confrontatie daarmee kan onttrekken, zijn de grenzen van wat toelaatbaar kan worden geacht eerder overschreden dan bij uitingen die op een andere wijze worden gepubliceerd. Met inachtneming van voornoemde terughoudendheid en rekening houdend met het feit dat de onderhavige uiting een naast de snelweg A4 geplaatst reclamebord van zeer groot formaat betreft, overweegt de Commissie als volgt.

4. Naar het oordeel van de Commissie wordt door de wijze van adverteren voor de website webcamsex.nl, een product dat voor volwassenen bedoeld is, de grens van wat naar huidige maatschappelijke opvattingen toelaatbaar is overschreden. Het langs de A4 geplaatste billboard maakt reclame voor webcamsex.nl door middel van een (deels boven het bord uitstekende) afbeelding van een schaars geklede, als pornoactrice bij het publiek bekende [naam] in een seksueel uitdagende houding, gecombineerd met de in zeer grote letters weergegeven tekst “webcamsex.nl” en “Cam nu met [naam]”. Aldus kan iedereen, ook minderjarigen, onverhoeds en ongewild worden geconfronteerd met deze in de publieke ruimte geopenbaarde uiting van zeer groot formaat waarin door afbeelding en tekst duidelijk reclame wordt gemaakt voor een erotische dienst, die niet voor minderjarigen bedoeld is. Het verweer dat door plaatsing van het billboard langs de snelweg de doelgroep van 18 jaar en ouder specifiek wordt bereikt, snijdt geen hout. In de op de snelweg rijdende auto’s zitten immers, behalve de volwassen bestuurder, dikwijls ook minderjarige passagiers.

5. Op grond van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de bestreden reclame-uiting in strijd is met het bepaalde in artikel 2 NRC. Daarom wordt als volgt beslist.

De beslissing van de Reclame Code Commissie
De Commissie acht de reclame-uiting in strijd met artikel 2 NR.

RB 2430

Suit Supply's abriposter met seksueel getinte houding mag niet

CvB RCC 18 juni 2015, RB 2430; dossiernr. 2015/00171; 00171B; 00171C; 00171D (Suit supply Into the blue)
Beslissing ingezonden door Daniël Haije, Hoogenraad & Haak. Aanbeveling gedeeltelijk vernietigd. Goede smaak en fatsoen. Het betreft abriposters in het kader van adverteerders campagne ‘Suit Supply into the blue’ ter promotie van haar voorjaars- en zomercollectie 2015. Op de drie verschillende posters zijn een man en een vrouw afgebeeld die zich onder water bevinden. De man is gekleed in een pak en heeft een zonnebril op. In twee van de drie uitingen (hierna: ‘uiting 1’ en ‘uiting 2’) is te zien dat de vrouw alleen een bikinibroekje draagt, in de derde uiting (‘uiting 3’) is het naakte bovenlichaam van de vrouw te zien. Het College vernietigt de bestreden beslissing ten aanzien van de uitingen 2 en 3 en wijst in zoverre de klacht alsnog af.

Het College bevestigt de bestreden beslissing ten aanzien van uiting 1 [klik afbeelding voor vergroting] met wijziging van gronden. Naar het oordeel van het College komt aldus in uiting 1 een beeld naar voren dat zozeer duidt op seksueel contact tussen de man en de overwegend naakte vrouw in een seksueel getinte houding, dat deze op een abriposter in het straatbeeld niet in overeenstemming is met de goede smaak en het fatsoen.

Klacht: De uitingen, waarop volledig topless vrouwen zijn afgebeeld, betreffen softporno geplaatst op drukke, openbare plaatsen. Hierdoor wordt softporno opgedrongen aan iedereen, ook aan (jonge) kinderen. Het feit dat de man op de posters volledig gekleed is afgebeeld terwijl de vrouw bijna totaal naakt is, versterkt het seksistische beeld dat sommige mensen van vrouwen hebben.

 Het verweer is opgebouwd als volgt:
I. de RCC gaat ten onrechte uit van een wijziging in de maatschappelijke opvattingen
II. de RCC gaat ten onrechte uit van een 'functioneel bloot-criterium',
III. de RCC overweegt ten onrechte dat de naaktheid van de vrouw prominent in beeld wordt gebracht,
IV. de RCC hanteert ten onrechte een strengere maatstaf voor buitenreclame.

Beroep op een analogie met artikel 430a WvSr kan buiten beschouwing blijven.

Ten aanzien van uiting 1
14. De compositie en belichting benadrukken in deze uiting de naaktheid van de vrouw. In uiting 1 is zij frontaal afgebeeld, waarbij het meeste licht valt op haar naakte bovenlichaam dat hierdoor in het geheel van de uiting lijkt op te lichten. Daaraan draagt bij dat sprake is van een relatief donkere achtergrond. De man is gekleed in donkere kleding en valt optisch aanzienlijk minder op tegen de relatief donkere achtergrond. Voor wat betreft de houding van de vrouw valt op dat zij haar armen langs haar hoofd houdt terwijl zij zich uitstrekt en enigszins naar achteren lijkt te buigen. Haar ogen zijn gesloten en haar mond is wijd geopend. Deze houding kan in de compositie van de uiting seksuele overgave aan de man uitdrukken, mede gelet op haar geprononceerde naaktheid en het feit dat de man haar ter hoogte van haar linkerzij vasthoudt, blijkbaar op haar onbedekte huid. De gelaatsuitdrukking van de vrouw kan overkomen als een uitdrukking van seksueel genot. Hetgeen Suit Supply aanvoert over de specifieke filosofie achter de fotoreportage, kan niet tot een ander oordeel leiden, nog daargelaten dat het publiek dat op straat met uiting 1 wordt geconfronteerd niet bekend kan worden geacht met die filosofie en zich enkel op basis van de uiting een beeld kan vormen. Naar het oordeel van het College komt aldus in uiting 1 een beeld naar voren dat zozeer duidt op seksueel contact tussen de man en de overwegend naakte vrouw in een seksueel getinte houding, dat deze op een abriposter in het straatbeeld niet in overeenstemming is met de goede smaak en het fatsoen. Deze constatering en een bijpassende aanbeveling acht het College, in het licht van de klacht en gezien hetgeen hiervoor in 9 tot en met 12 is overwogen over de beoordelingsmarge van het College, noodzakelijk in verband met de bescherming van de gezondheid of de goede zeden en de bescherming van de rechten van anderen. Het College onderschrijft ten aanzien van uiting 1 dus het oordeel van de Commissie dat de uiting in strijd met artikel 2 NRC is, zij het op andere gronden.

Ten aanzien van uiting 2

15. In deze uiting valt naar het oordeel van het College de nadruk op het naakte bovenlichaam van de vrouw nu hierop het meeste licht valt. Zoals hiervoor in 11 is overwogen, is dit enkele gegeven onvoldoende om de uiting in strijd met de goede smaak en het fatsoen te achten. De vrouw is zijdelings afgebeeld en reikt haar rechterhand naar de man die daarop lijkt te reageren. Deze interactie wekt niet de indruk van een seksueel georiënteerd contact. Ook verder is geen sprake van een compositie die op sexualiteit duidt. Wel geldt dat het publiek in het straatbeeld met deze uiting in de vorm van een abriposter wordt geconfronteerd. Anders dan Suit Supply stelt, kan het publiek zich bij een op een dergelijke wijze gepubliceerde uiting niet aan confrontatie daarmee onttrekken. Weliswaar kan men, indien men dat wenst, zijn blik afwenden, maar dit zal men doen nadat men de uiting al gezien heeft. Het College oordeelt evenwel dat de uiting, door de daarin getoonde niet seksueel georiënteerde interactie tussen man en vrouw, niet van dien aard is dat deze niet in overeenstemming zou zijn met de goede smaak en het fatsoen. Het College is daarom, anders dan de Commissie, van oordeel dat de inleidende klacht tegen uiting 2 geen doel treft en zal om die reden de klacht in zoverre alsnog afwijzen.

Ten aanzien van uiting 3

16.In deze uiting staat naar het oordeel van het College de man meer centraal dan in uitingen 1 en 2. De man is in uiting 3 frontaal afgebeeld en de zijdelings gefotografeerde vrouw speelt in het totaal van de uiting een aanzienlijk minder grote rol dan in de andere uitingen. De vrouw kijkt de man onderzoekend aan. Er is geen sprake van enige vorm van seksuele interactie en het naakte bovenlichaam van de vrouw is in deze uiting minder prominent in beeld dan bij uitingen 1 en 2. Het College oordeelt dat de uiting, door de daarin getoonde niet seksuele interactie tussen man en vrouw, niet van dien aard is dat deze niet in overeenstemming zou zijn met de goede smaak en het fatsoen, zodat ook op dit punt anders wordt beslist dan de Commissie en in zoverre de klacht alsnog zal worden afgewezen.

Conclusie
Het College vernietigt de bestreden beslissing ten aanzien van de uitingen 2 en 3 en wijst in zoverre de klacht alsnog af. Het College bevestigt de bestreden beslissing ten aanzien van uiting 1 met wijziging van gronden.

Op andere blogs:
Dirkzwager

RB 2429

Filmpromo RTL7 in strijd met goede smaak en fatsoen

RCC 8 juni 2015, RB 2429, dossiernr. 2015/00520 (RTL7 promot Clint Eastwood)
Strijd met goede smaak en fatsoen. Uiting: Het betreft een promo waarin het filmaanbod, te weten de film “High Plains Drifter” met acteur Clint Eastwood, van RTL7 wordt aangekondigd. Klacht: Klaagster is van mening dat de betreffende reclame van RTL7 voor de programmering van het filmaanbod ongepast is. Uit de beelden blijkt sprake te zijn van een verkrachting terwijl de zender meldt: “een echte man neemt wat hij wil”. De beelden van de man die een jongedame meesleurt in een schuur terwijl zij heel hard nee schreeuwt, waarna deze jongedame verwart op de grond van de schuur ligt terwijl Clint Eastwood zijn broek aan of uit doet normaliseert en/of verheerlijkt verkrachting.

3. De uiting heeft tot doel om kijkers aan te zetten de betreffende film op RTL7 te gaan zien. De wijze waarop verweerder heeft gekozen om deze boodschap over te brengen is indringend, met name waar het de beelden betreft van het onmiskenbaar tegen haar wil – ze schreeuwt en zegt: ‘let go of me’ - meeslepen van de vrouw de schuur in, haar daarna (gedeeltelijk) ontklede lichaam en het vastmaken door de man van zijn broek. Naar het oordeel van de Commissie - voornoemde terughoudendheid in acht genomen - zijn deze beelden gelet op de duidelijke suggestie van aanranding, in combinatie met de voice-over teksten : “RTL7 weet precies wat vrouwen willen, mannen zoals mannen bedoeld zijn”, ”..neemt wat hij wil” en “een man der mannen” dermate vrouwonvriendelijk en ongepast, dat de commercial in strijd met de goede smaak wordt geacht. De Commissie overweegt hierbij dat in de uiting door de combinatie van beelden en mededelingen in verband met de aanprijzing van de zender zelf en van bedoelde film en het filmaanbod van verweerder een denkbeeld over de verhouding tussen mannen en vrouwen wordt verkondigd dat onmiskenbaar seksistisch van aard is en indruist tegen hetgeen maatschappelijk gezien aanvaardbaar is gezien de gelijkheid en de gelijkwaardigheid van man en vrouw.
4. Gelet op het voorgaande acht de Commissie de commercial in strijd met de goede smaak.
RB 2428

Uiting Gentiaan Violet bevat medische claims

RCC 4 juni 2015, RB 2428; dossiernr. 2015/00278 (Gentiaan Violet)
Aanbeveling (Gedeeltelijk). Medische claims. Artikel 2 NRC en 4 CPG. Het betreft een uiting op www.borstvoeding.com. Daarin staat onder de aanhef:“Gentiaan Violet door Stefan Kleintjes”, waar er sprake is van reclame inhoudende medische claims voor producten met Gentiaan Violet van Eurolac. Mede doordat een link is opgenomen naar de webwinkel van Eurolac is de uiting aan te merken als reclame voor producten met Gentiaan Violet van Eurolac.

“Een beetje ouderwets middel volgens sommigen, maar het is effectief en goedkoop. Effectiever dan schimmelwerende middelen” en:

“Gentiaan Violet is een paarse inkt, een effectief middel ter bestrijding van schimmels en bacteriën die huidinfecties veroorzaken, bijvoorbeeld spruw in de mond van de baby, op tepels en tepelhoven, vaginale schimmelinfecties en kalknagels of infecties met stafylokokken op beschadigde en broeierige huid”.

Door de hierboven aangehaalde teksten wordt Gentiaan Violet gepresenteerd als geschikt voor: het genezen of voorkomen van een ziekte, gebrek of wond bij de mens als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder b van de Geneesmiddelenwet. Nu het -zoals de Keuringsraad KOAG/KAG heeft meegedeeld- gaat om een product dat niet is geregistreerd als geneesmiddel is de uiting in strijd met artikel 84 lid 2 Geneesmiddelenwet en met het op deze wetsbepaling gebaseerde artikel 4 CPG. Artikel 4 CPG luidt:

“Het is verboden reclame te maken voor geneesmiddelen waarvoor de wettelijk vereiste handelsvergunning niet is afgegeven”.

Klaagster heeft zich ook beroepen op de artikelen 11, 13, 14 en 15 CPG. Deze (op de Geneesmiddelenwet gebaseerde) artikelen hebben betrekking op reclame voor een geneesmiddel waarvoor de wettelijk vereiste handelsvergunning wel is afgegeven en waarvoor op zichzelf genomen reclame mag worden gemaakt. Nu daarvan geen sprake is, acht de Commissie deze bepalingen in dit geval niet van toepassing, zodat de klacht op dit punt faalt.