RB
RB 3726
6 december 2022
Uitspraak

Gemeente is belastingplichtig voor reclameactiviteiten

 
RB 3725
5 december 2022
Artikel

Merken- Modellen- en Auteursrecht woensdag 7 december

 
RB 3724
30 november 2022
Artikel

Vacature: merken- en modellengemachtigde bij Bird & Bird

 
RB 1858

Niet noemen van voorwaarden inruilpremie is misleidend

Vz RCC 4 juli 2013, dossiernr. 2013/00271 (Voorwaarden inruilpremie)
Verbonden voorwaarden. Omissie. Bevestiging. Aanbeveling. Het betreft een televisiecommercial voor de Ford Focus Ecoboost waarin adverteerder onder meer meedeelt dat zij een “inruilpremie” van € 2.500,- geeft.
 
De klacht - Klager stelt, kort samengevat, dat sprake is van misleidende reclame. In de reclame-uiting wordt schriftelijk noch mondeling kenbaar gemaakt dat het kenteken van de nieuwe auto uiterlijk op 29 april 2013 op naam van de koper moet zijn gesteld, om van de inruilbonus te kunnen profiteren. Voorts zou Ford Nederland zelf het tijdstip van levering kunnen beïnvloeden, waardoor de inruilbonus niet hoeft te worden uitgekeerd.

Het oordeel van de voorzitter
De adverteerder heeft niet betwist dat aan de inruilpremie van € 2.500,- de voorwaarde is verbonden dat het kenteken uiterlijk op 29 april 2013 op naam van de koper moet zijn gesteld. Blijkens het voorgaande is sprake van een omissie als bedoeld onder artikel 8.3 aanhef en onder c van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Voorts is de voorzitter van oordeel dat de gemiddelde consument hierdoor ertoe gebracht kan worden een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet zou hebben genomen. Om die reden is de uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC. De voorzitter heeft overigens geen aanleiding te veronderstellen dat adverteerder het tijdstip van tenaamstelling van het kenteken negatief zal beïnvloeden om de inruilbonus niet te hoeven uitkeren.

De beslissing van de voorzitter
Op grond van het voorgaande acht de voorzitter de reclame-uiting in strijd met het bepaalde in artikel 7 NRC. De voorzitter beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Het bezwaar tegen de voorzittersbeslissing
Van misleiding is geen sprake. Er is sprake van een misverstand. Ten onrechte heeft klager aangenomen dat de inruilpremie slechts gold indien het kenteken van een nieuwe Ford Focus uiterlijk 29 april 2013 op naam van de koper zou zijn gesteld. Reeds op 8 maart 2013 heeft Ford in een brief aan alle dealers en verkoopmedewerkers meegedeeld dat de inruilpremies zouden worden verlengd tot en met 29 juni 2013. Verder was tijdens de TV-flight op Ford.nl de actuele einddatum van de actie te vinden. Aldus mochten alle Ford dealers, verkopers en consumenten worden geacht op de hoogte te zijn dan wel zich op de hoogte te kunnen stellen van de juiste einddatum van het inruilaanbod.

Het oordeel van de Commissie
Blijkens het bezwaar tegen de voorzittersbeslissing was aan het onderhavige inruilaanbod de voorwaarde verbonden dat het kenteken uiterlijk op 29 juni 2013 op naam van de koper zou zijn gesteld. Deze datum gold op basis van een besluit tot verlenging van de inruilpremies. Naar het oordeel van de Commissie valt uit de bestreden televisiereclame, die op zichzelf in overeenstemming dient te zijn met de Nederlandse Reclame Code (NRC), niet althans niet voldoende duidelijk op te maken dat voornoemde, beperkende voorwaarde, dat het aanbod voor een bepaalde periode gold, werd gehanteerd. De enkele vermelding “ford.nl” aan het slot van de reclame geeft wat dit betreft onvoldoende duidelijkheid. Dat klager binnen die periode aanspraak op de inruilpremie kon maken, maakt het voorgaande niet anders. Gelet op het bovenstaande is er sprake van een omissie als bedoeld in artikel 8.3 onder c NRC. Nu de gemiddelde consument er bovendien toe kan worden gebracht een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet had genomen, is de uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

De beslissing
De Commissie bevestigt de beslissing van de voorzitter.

RB 1857

Vergoeding eerste spataderconsult duidt op medische behandeling

RCC 16 juli 2013, dossiernr. 2013/00265 (Bergman Clinics)
Gezondheid. Geneesmiddelen en medische behandelingen. Aanbeveling. Het betreft een televisiereclame. Daarin vertelt een vrouw dat zij zich in verband met spataderen heeft laten behandelen bij Bergman Clinics. Zij vertelt dat haar spataderen “helemaal weg” zijn en zegt: “Het wordt ook nog vergoed”. De voice-over luidt: “Ga voor specialistische spataderzorg naar Bergman Clinics. Kijk op bergmanclinics.nl. In beeld verschijnt: “Eerste spataderconsult altijd vergoed met verwijzing van uw huisarts”.

De klacht - Deze reclame, die klager zag op 8 april 2013 op Nederland 3 en RTL4, beide in het reclameblok van 19.30 uur, is in strijd met artikel 2.94 lid 2 onder a van de Mediawet. Daarin staat: “Het programma-aanbod bevat geen reclame- en telewinkelboodschappen voor: medische behandelingen”. Een paar weken eerder zag klager een soortgelijke reclame van adverteerder voor ooglaserbehandelingen. Daar heeft klager geen opname van.

Het oordeel van de Commissie
8. In de uiting wordt onder meer de aandacht gevestigd op een “eerste spataderconsult” dat “altijd” wordt “vergoed met verwijzing van uw huisarts”. Dit duidt naar het oordeel van de Commissie op een medische behandeling, die “alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar” is. In zoverre acht de Commissie de televisiereclame in strijd met artikel 2.94 lid 2 onder a Mediawet en daardoor in strijd met de wet als bedoeld in artikel 2 NRC, voor zover de uiting is uitgezonden via de publieke omroep Nederland 3.

9. Voor zover de uiting is uitgezonden op RTL4, overweegt de Commissie dat artikel 2.94 lid 2 Mediawet, waarop klager zich beroept, niet van toepassing is, omdat Hoofdstuk 2 van de Mediawet, daaronder begrepen artikel 2.94, regels bevat die betrekking hebben op publieke mediadiensten, waartoe de diensten van RTL 4 niet kunnen worden gerekend. Voor zover de klacht moet worden opgevat in die zin dat artikel 3.7 lid 2 onder a Mediawet is overtreden, voor wat betreft uitzending van de reclame op RTL4, overweegt de Commissie het volgende. De Commissie vat deze bepaling op in die zin dat deze betrekking heeft op het programma-aanbod van commerciële media-instellingen in de zin van de Mediawet. Ingevolge artikel 1.1 onder 1 Mediawet is een commerciële media-instelling een “natuurlijke persoon of rechtspersoon die een commerciële mediadienst verzorgt en die voor de toepassing van deze wet onder de bevoegdheid van Nederland valt”. Dit laatste is waar het betreft RTL4 niet het geval. Gelet op het voorgaande is artikel 3.7 lid 2 onder a Mediawet in dit geval niet van toepassing. De Commissie stelt vast dat artikel 9 lid 1 sub f van de Richtlijn Audiovisuele mediadiensten (AVMD) (“audiovisuele commerciële communicatie voor geneesmiddelen en medische behandelingen die in de lidstaat onder wiens bevoegdheid de aanbieder van mediadiensten valt, alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn, is verboden”) evenals in de artikelen 2.94 en 3.7 Mediawet, ook is geïmplementeerd in Luxemburgse mediawetgeving, waaraan -zoals bij verweer is meegedeeld- RTL 4 dient te voldoen. Artikel 27 lid 4 van de “Loi du 17 décembre 2010 portant modification de la li modifiëe du 27 juillet 1991 sur les médias électroniques” luidt: “La Communication commerciale audiovisuelle pour les médicaments et les traitements médicaux qui sont disponibles uniquement sur ordonnance est interdite”. Gegeven deze met de artikelen 2.94 en 3.7 Mediawet overeenstemmende verbodsbepaling in de Luxemburgse wetgeving, is de Commissie van oordeel dat het vertrouwen in de reclame als bedoeld in artikel 5 NRC is geschaad, voor zover de bestreden uiting is uitgezonden via RTL4.

De beslissing
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen in onderdeel 8 acht de Commissie de reclame-uiting, voor zover deze is uitgezonden op Nederland 3, in strijd met artikel 2 NRC. Op grond van hetgeen is overwogen in onderdeel 9 acht de Commissie de uiting in strijd met artikel 5 NRC. Zij beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken. Voor het overige wijst de Commissie de klacht af.

RB 1856

Vóór 20:00 uur in strijd met de goede smaak

RCC 27 juni 2013, dossiernr. 2013/00400 (Even Apeldoorn bellen)
Grenzen van het toelaatbare. Kinderen. Aanbeveling. Het betreft een televisiereclame. De uiting vangt aan met beelden en geluiden van deels ontblote en getatoeëerde mensen die met kettingen aan elkaar vast lijken te liggen. Aan de muur hangt een persoon, vastgemaakt met tape. Intussen gaat de telefoon. Een persoon, naar later blijkt Anouk, deelneemster voor Nederland aan het Eurovisie Songfestival 2013, loopt naar de telefoon, waarbij zij één van de ontblote personen -die buiten bewustzijn verkeert- aan een ketting met zich mee sleept over de vloer. Daarna neemt Anouk de telefoon aan. Aan haar wordt gevraagd waar zij is, nu zij kennelijk aan de beurt is om op te treden tijdens het Songfestival. Anouk valt radeloos achterover op een bed. Tot slot verschijnt in beeld: “Even Apeldoorn bellen”.
 
De klacht - De uiting is in strijd met de goede zeden, smakeloos en bijna schokkend. Klaagster wijst op het tijdstip van uitzenden, 19.30 uur, direct na Spangas, een kinderprogramma. Klaagsters kinderen schrokken van de beelden en begrepen er niets van.

Het oordeel van de Commissie
De Commissie vat de klacht op in die zin dat klaagster de uiting in strijd acht met de goede zeden en de goede smaak, zeker gezien het tijdstip van uitzenden daarvan. Bij de beantwoording van de vraag of een reclame-uiting in strijd is met (één van) deze criteria stelt de Commissie zich terughoudend op, gelet op het subjectieve karakter daarvan. De Commissie volstaat ermee te beoordelen of naar de huidige algemene maatschappelijke opvattingen de grenzen van het toelaatbare worden overschreden, mede gelet op het publiek dat door de uiting wordt bereikt. De uiting toont beelden -van zoals adverteerder het omschrijft- “de nasleep van een “wild” feest”. De bewuste beelden acht de Commissie voor de gemiddelde volwassen kijker niet van dien aard, dat de grens van het toelaatbare wordt overschreden. Voor zover jeugdige kijkers met de uiting worden geconfronteerd, ligt dit naar het oordeel van de Commissie anders. De Commissie acht het aannemelijk dat de beelden en geluiden van deels ontblote en getatoeëerde mensen die met kettingen aan elkaar vast lijken te liggen, waarvan er één over de grond wordt gesleept, en een persoon vastgetaped is aan de muur, voor (een deel van de) jeugdige kijkers beangstigend kunnen zijn. Om die reden acht zij de uiting in strijd met de goede smaak als bedoeld in artikel 2 van de Nederlandse Reclame Code (NRC), voor zover deze wordt uitgezonden vóór 20.00 uur. 

De beslissing
De Commissie acht de reclame-uiting in strijd met artikel 2 NRC, voor zover de reclame wordt uitgezonden vóór 20.00 uur. Voor zover uitzending in de toekomst nog mocht plaatsvinden, beveelt de Commissie adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken en stelt zij als voorwaarde aan het tijdstip van uitzenden dat uitzending geschiedt na 20.00 uur. Voor het overige wijst de Commissie de klacht af.

RB 1855

Prejudiciële vraag inzake energielabels aan televisietoestellen

Prejudiciële vraag aan HvJ EU 5 juni 2013, zaak C-319/13 (Rätzke tegen S+K Handels GmbH) - dossier
Vragen gesteld door Thüringer Oberlandesgericht (Duitsland).

Etikettering. Verzoeker Udo Rätzke verkoopt elektrische apparaten, vooral televisietoestellen. Zijn concurrent S+K Handels GmbH biedt begin 2012 een tv-toestel te koop aan dat niet is voorzien van een energie-etiket, zoals vereist in de bijlage bij Vo. 1062/2010. Het toestel was al in mei 2011 aan S+K geleverd. Rätzke stelt S+K in gebreke. S+K stelt op haar beurt een vordering in tot het verkrijgen van een negatieve verklaring voor recht. Rätzke stelt dan als reconventionele vordering dat S+K een verbod wordt opgelegd tv-toestellen te verkopen zonder het sinds 2011 vereiste energie-etiket. S+K meent dat voor het in mei 2011 geleverde tv-toestel het aanbrengen van een etiket niet verplicht is. De rechter stelt S+K in het gelijk. Rätzke gaat in beroep. Hij is van mening dat uit de systematiek van RL 2010/30/EU kan worden afgeleid dat leveranciers hoe dan ook verplicht zijn om vanaf 2010 tv-toestellen mét etiket te leveren, ongeacht of de groothandel die had meegeleverd. S+K wijst echter op punt 25 van de considerans van die RL waarin wordt aangegeven dat het niet de bedoeling is kleine en middelgrote ondernemingen omslachtige verplichtingen op te leggen.

De verwijzende Duitse rechter meent dat uit de bewoordingen van het betreffende artikel in Vo. 1062/2010 opgemaakt zou kunnen worden dat de handelaar alleen dan een verplichting tot etikettering heeft wanneer het etiket reeds bij de levering door de leverancier is verstrekt. De verplichting bestaat vanaf 30-11-2011. Er is geen overgangsregeling getroffen voor de handelaars die voor die datum door de groothandel geleverde toestellen na die datum aan consumenten verkopen. Hij meent dat uitlegging van artikel 4, sub a, van de Vo. van bijzonder belang is voor het oplossen van onderhavige zaak omdat de formulering vragen oproept bij handelaren. Hij stelt de volgende vraag aan het HvJEU:

Moet artikel 4, sub a, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 1062/2010 van de Commissie van 28 september 2010 houdende aanvulling van richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de energie-etikettering van televisies aldus worden uitgelegd dat op de handelaar (vanaf 30 november 2011) slechts dan een verplichting tot etikettering van televisies rust, wanneer die televisies door de leverancier overeenkomstig artikel 3, lid 1, sub a, van genoemde verordening (vanaf 30 november 2011) reeds met desbetreffend etiket zijn geleverd dan wel aldus dat ook dan op de handelaar een verplichting tot etikettering rust (vanaf 30 november 2011) voor televisies die vóór 30 november 2011 door de leverancier zonder desbetreffend etiket zijn geleverd, zodat de handelaar verplicht is om (tijdig, achteraf) etiketten voor die televisies aan te vragen?

RB 1854

De buurtfunctie van een tankstation en alcoholverkoop

Rechtbank Noord-Nederland 18 juli 2013,ECLI:NL:RBNNE:2013:4407 (Tankstation Klok Hoogeveen tegen Minister VWS)
Verbod alcohol te verstrekken en tankstations. Bij (primair) besluit van 16 maart 2012 heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 900,- wegens schending van het in artikel 22, eerste lid, onder a, van de Drank- en Horecawet neergelegde verbod om alcohol te verkopen.

Voor wat betreft het onderscheid dat het verbod maakt tussen tankstations enerzijds en wegrestaurants en supermarkten anderzijds, overweegt de rechtbank voorts als volgt. Er is gekozen om wegrestaurants niet onder het verbod te laten vallen, nu wegrestaurants over het algemeen een multifunctioneel karakter hebben. De core business van supermarkten, namelijk de verkoop van levensmiddelen, is wezenlijk anders dan die van tankstations, die zich immers primair richten op de verkoop van brandstof voor voertuigen. Uit de Handelingen 1999-2000, nr. 5 blijkt dat onderzoek is verricht naar de functie die winkels bij tankstations als buurtwinkel hebben in de binnenstad, maar dat uit dit onderzoek is gebleken dat die “buurtfunctie” beperkt is. Het beroep is ongegrond.

3.5. Niet betwist is dat het verstrekkingsverbod op zichzelf een gerechtvaardigd doel dient, namelijk het terugdringen van alcoholmisbruik in het verkeer. Uit de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wijziging van de Drank en Horecawet (TK 1997-1998, 25 969, nr. 3) blijkt dat het verstrekkingsverbod is ingesteld omdat de verkoop van alcoholhoudende drank door benzinestations en daaraan verbonden winkels niet is te rijmen met het bestrijden van het rijden onder invloed. Uit de MvT volgt dat het verstrekkingsverbod niet enkel ten doel heeft het directe gebruik van alcohol te beperken maar ook ten doel heeft het psychologische effect dat uitgaat van de verkoop van alcohol bij benzinestations te bestrijden. Daarbij is toegelicht dat de combinatie van alcoholverkoop op plaatsen waar benzine verkocht wordt, afbreuk doet aan het beeld omtrent alcohol en verkeer dat onder meer de overheid tracht ingang te doen vinden.

3.6. Naar het oordeel van de rechtbank is het verstrekkingsverbod geschikt om het beoogde doel te bereiken. De enkele stelling van eiseres dat het verstrekkingsverbod in het stuk van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid, getiteld ‘rijden onder invloed van alcohol’ van december 2011 niet wordt genoemd als reden voor de daling van alcoholgebruik, danwel de stelling dat ook anderszins nooit is aangetoond dat een verbod op verkoop van alcoholhoudende dranken bij pompstations leidt tot een veiligere verkeerssituatie, kan niet tot het oordeel leiden dat het verbod reeds daarom ongeschikt is om het beoogde doel, te weten terugdringing van alcoholmisbruik in het verkeer, te bereiken. Het gaat immers ook om het bereiken van een psychologisch effect, hetgeen zich moeilijk laat meten.

3.7. Naar het oordeel van de rechtbank is de maatregel voorts proportioneel te achten ten opzichte van het beoogde doel. De enkele omstandigheid dat verweerder ook andere maatregelen had kunnen nemen maakt niet dat het verstrekkingsverbod niet proportioneel is. Daarbij is van belang dat de wetgever, gelet op hetgeen is aangegeven in de MvT, namelijk dat verwacht mag worden dat het verbod zal leiden tot een bruto winstdaling van 1% bij de benzinestations - een verlies dat geen onoverkomelijke problemen zal opleveren - de gevolgen van het verstrekkingsverbod voor tankstationhouders heeft meegewogen.

3.8. Voor wat betreft het onderscheid dat het verbod maakt tussen tankstations enerzijds en wegrestaurants en supermarkten anderzijds, overweegt de rechtbank voorts als volgt.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 22 van de Drank- en Horecawet (Nota naar aanleiding van het verslag, 1998-1999, 25 696, nr. 6 en 7) blijkt dat er niet voor is gekozen om wegrestaurants onder het verbod te laten vallen, nu wegrestaurants over het algemeen een multifunctioneel karakter hebben. Er komen niet alleen chauffeurs en hun mede-passagiers, maar ook bezoekers van besloten privé-bijeenkomsten (zoals trouwerijen), met name in de zalen van de hotels langs de snelweg. Daarbij is toegelicht dat er, met name als het gaat om bijeenkomsten van persoonlijke aard (veelal trouwerijen en condoleances), minder de associatie met verkeer is dan bij alcoholverkoop in benzinestations.
Ten aanzien van de vergelijking met supermarkten is door verweerder toegelicht dat de bijzondere associatie met het verkeer die wezenlijk en direct aanwezig is bij een bezoek aan tankstations ontbreekt bij een bezoek aan supermarkten. De core business van supermarkten, namelijk de verkoop van levensmiddelen, is wezenlijk anders dan die van tankstations, die zich immers primair richten op de verkoop van brandstof voor voertuigen. Uit de Handelingen 1999-2000, nr. 5 blijkt dat onderzoek is verricht naar de functie die winkels bij tankstations als buurtwinkel hebben in de binnenstad, maar dat uit dit onderzoek is gebleken dat die “buurtfunctie” beperkt is.
RB 1853

Geen vermelding betreft nuttigen bij claim inzake ziekterisicobeperking

HvJ EU 18 juli 2013, zaak  C-299/12 (Green Swan) - dossier
Prejudiciële vragen gesteld door de Nejvyšší správní soud, Tsjechië.
Uitlegging van artikel 1, lid 3, artikel 2, lid 2, punt 6, en artikel 28, lid 2, van verordening (EG) nr. 1924/2006 inzake voedings en gezondheidsclaims voor levensmiddelen. Begrip „claim inzake ziekterisicobeperking”. Claim op de verpakking van een product waarbij wordt gesteld: „De bereiding bevat ook calcium en vitamine D3, die een risicofactor voor het ontstaan van osteoporose en breuken helpen beperken”.

Het Hof verklaart voor recht:
1) Artikel 2, lid 2, punt 6, van verordening (...) moet aldus worden uitgelegd dat een gezondheidsclaim, om als „claim inzake ziekterisicobeperking” in de zin van die bepaling te worden aangemerkt, niet noodzakelijkerwijs uitdrukkelijk hoeft te vermelden dat het nuttigen van een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan een risicofactor voor het ontstaan van een ziekte bij de mens „in significante mate” beperkt.

2) Artikel 28, lid 2, van verordening nr. 1924/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 116/2010, moet aldus worden uitgelegd dat een commerciële mededeling op de verpakking van een levensmiddel een handelsmerk of merknaam in de zin van die bepaling kan vormen op voorwaarde dat zij als een dergelijk merk of een dergelijke naam beschermd wordt door de toepasselijke voorschriften. Het is aan de verwijzende rechter, aan de hand van alle gegevens feitelijk en rechtens van de bij hem aanhangige zaak na te gaan of een dergelijke mededeling inderdaad een handelsmerk of merknaam is waarvoor die bescherming geldt.

3) Artikel 28, lid 2, van verordening nr. 1924/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 116/2010, moet aldus worden uitgelegd dat het enkel verwijst naar levensmiddelen die zijn voorzien van een als een voedings- of gezondheidsclaim in de zin van deze verordening te beschouwen handelsmerk of merknaam en die in die vorm reeds vóór 1 januari 2005 bestonden.

Prejudiciële vragen
1) Is de gezondheidsclaim "De bereiding bevat ook calcium en vitamine D3, die een risicofactor voor het ontstaan van osteoporose en breuken helpen beperken", een claim inzake ziekterisicobeperking in de zin van artikel 2, lid 2, punt 6, van verordening (EG) nr. 1924/2006 van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen2, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 116/2010 van de Commissie van 9 februari 2010, hoewel deze claim niet uitdrukkelijk impliceert dat de consumptie van die bereiding een risicofactor voor het ontstaan van de vermelde ziekte in significante mate beperkt?

2)Omvat het begrip handelsmerk of merknaam in de zin van artikel 28, lid 2, van verordening (EG) nr. 1924/2006 van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 116/2010 van de Commissie van 9 februari 2010, ook een commerciële mededeling op de verpakking van het product?

3) Moet de overgangsbepaling van artikel 28, lid 2, van verordening (EG) nr. 1924/2006 van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 116/2010 van de Commissie van 9 februari 2010, aldus worden uitgelegd dat zij verwijst naar levensmiddelen (zonder onderscheid) die bestonden vóór 1 januari 2005 of dat zij verwijst naar levensmiddelen waaraan een handelsmerk of merknaam was verbonden en die in die vorm bestonden voor die datum?

 

RB 1852

Gezamenlijke aanbiedingen waarvan minstens een bestanddeel een financiële dienst is

HvJ EU 18 juli 2013, zaak C-265/12 (Citroën Belux) - dossier
Prejudiciële vragen gesteld door het Hof van beroep te Brussel, België.
Uitlegging van artikel 56 VWEU en artikel 3, lid 9, van Richtlijn oneerlijke handelspraktijken. Nationale regeling inzake consumentenbescherming die, onder voorbehoud van limitatief opgesomde uitzonderingen, op algemene wijze elk gezamenlijk aanbod bestaande uit ten minste één financiële dienst verbiedt.

Het Hof verklaart voor recht:

Artikel 3, lid 9, van de [richtlijn oneerlijke handelspraktijken], en artikel 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een bepaling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die – onder voorbehoud van in de nationale wettelijke regeling limitatief opgesomde gevallen – gezamenlijke aanbiedingen aan de consument waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is, op algemene wijze verbiedt.

Prejudiciële vragen:
Moet artikel 3.9 van richtlijn 2005/29/EG2 zo worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling, zoals artikel 72 WMPC, die - onder voorbehoud van de limitatief in de wet opgesomde gevallen - op algemene wijze elk gezamenlijk aanbod aan de consument verbiedt zodra minstens één bestanddeel een financiële dienst uitmaakt?

Moet artikel 56 VWEU, betreffende de vrijheid van dienstverlening, zo worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling, zoals artikel 72 WMPC, die - onder voorbehoud van de limitatief in de wet opgesomde gevallen - op algemene wijze elk gezamenlijk aanbod aan de consument verbiedt zodra minstens één bestanddeel een financiële dienst uitmaakt?

RB 1851

Parodie tabaksreclame: Door ontbreken intentie geen sluikreclame

CBB 18 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:65 (Stichting Het Ketelhuis tegen Minister VWS)
Uitspraak ingezonden door Joran Spauwen, Kennedy Van der Laan. Zie eerder IEF 10022.
Reclamerecht. Merkenrecht. Parodie op onderscheidend teken van sigarettenfabrikant. Tabakswet. Rechtspraak.nl: Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 5a, tweede lid, van de Tabakswet beoogt om het omzeilen van het reclame- en sponsoringsverbod te voorkomen. De poster van Het Ketelhuis is geen sluikreclame voor een sigarettenmerk. Met de poster beoogt Het Ketelhuis reclame te maken voor haar zelf en de Nederlandse film. De poster vormt een parodie op tabaksreclame. Het ontbreken van de intentie om het reclameverbod te omzeilen is een element dat voor de beoordeling van de onderhavige zaak mede van belang is.

5.1 In de hiervoor reeds genoemde Nota van wijziging bij de Wijziging van de Tabakswet is ten aanzien van artikel 5a, tweede lid, van die wet het volgende vermeld (blz. 25)

5.2 Het College is met de rechtbank van oordeel dat uit de hiervoor aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 5a, tweede lid, van de Tabakswet beoogt om het omzeilen van het reclame- en sponsoringverbod te voorkomen. Mede gelet op de door de wetgever uitdrukkelijk genoemde voorbeelden van producten die onder het verbod van de wetsbepaling vallen, acht ook het College de poster van Het Ketelhuis geen sluikreclame voor “Lucky Strike” sigaretten en shag, dan wel voor tabaksproducten meer in het algemeen. Met de poster beoogt Het Ketelhuis reclame te maken voor haar zelf en de Nederlandse film. De poster vormt – gelet op de rode, met ringen omgeven cirkel, de zwarte waarschuwingsstempel en de verdere opmaak – een parodie op tabaksreclame.
Het College kan de minister niet volgen in zijn, niet nader toegelichte en onderbouwde, stellingen dat de poster onvermijdelijk de behoefte aan het roken van sigaretten van het merk “Lucky Strike” stimuleert, en dat het oordeel van de rechtbank de handhaving van het reclameverbod onmogelijk maakt en daarmee het verbod tot een dode letter. De rechtbank heeft eveneens op goede gronden ook aandacht besteed aan de omstandigheid dat het niet de bedoeling van Het Ketelhuis is geweest om enige vorm van tabaksreclame te maken. Alhoewel, zoals de minister terecht heeft opgemerkt, de intentie om het reclameverbod te omzeilen niet bewezen hoeft te worden, vormt het ontbreken van deze intentie, in het licht van hetgeen de wetgever met artikel 5a, tweede lid, van de Tabakswet heeft beoogd, een element dat voor de beoordeling van de onderhavige zaak mede van belang is.

6 De beslissing
Het College bevestigt de aangevallen uitspraak;

Lees de uitspraak ECLI:NL:CBB:2013:65 (pdf)

Op andere blogs:
Hoogenraad & Haak (noot: Filmhuisposter is geen tabaksluikreclame)
Mediareport (In hoger beroep bevestigd: sigarettenparodie mag)
Wieringa advocaten (Poster van bioscoop is géén tabaksreclame)

RB 1850

Poster met seksuele lading over de grens van het toelaatbare

RCC 8 juli 2013, dossiernr. 2013/00445 (Willie.nl)
Seksuele lading. Grenzen van het toelaatbare. Openbaar. Aanbeveling. Het betreft de poster met de tekst “W!llie.nl Partner in stoute spelletjes” en “Kijk op www.willie.nl”. Op de poster tilt een man met ontbloot bovenlijf en in de boeien geslagen handen, een vrouw, die alleen een kanten slipje en zogenaamde hold-ups draagt, zó hoog op dat zijn mond ter hoogte van haar heupen komt. Hij drukt haar tegen zich aan, met op elke bil een hand.

De klacht - De uiting is aangebracht in een bushokje in Wormer waarin veel treinreizigers, waaronder moeders met kinderen, wachten. Klaagster, zelf moeder van nog jonge kinderen, vindt het onplezierig met deze poster, waarin de vrouw wordt afgebeeld als lustobject, te worden geconfronteerd. De foto is pornografisch, waardoor de uiting aanstootgevend is en in strijd is met de goede smaak, het fatsoen en de goede zeden.

Het oordeel van de Commissie
Bij de beantwoording van de vraag of een reclame-uiting in strijd is met de door klaagster genoemde criteria, stelt de Commissie zich terughoudend op, gezien het subjectieve karakter daarvan. Het betreft criteria bij de interpretatie waarvan persoonlijke opvattingen een belangrijke rol spelen. Daarom wordt in een dergelijk geval volstaan met de beantwoording van de vraag of in de uiting naar de huidige algemene maatschappelijke opvattingen de grenzen van het toelaatbare zijn overschreden. Daarvan is, naar het oordeel van de Commissie, in deze poster sprake. De Commissie acht de op de poster staande foto niet pornografisch, maar de daarop getoonde situatie heeft onmiskenbaar een seksuele lading. Gelet hierop en nu de poster langs de openbare weg is aangebracht, in dit geval in een bushokje, zodat men ongewild en onontkoombaar en mogelijk voor langere tijd met de poster worden geconfronteerd, acht de Commissie deze in strijd met de goede smaak en het fatsoen als bedoeld in artikel 2 van de Nederlandse Reclame Code (NRC).

De beslissing
Op grond van het vorenstaande acht de Commissie de reclame-uiting in strijd met artikel 2 NRC en beveelt zij adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

RB 1849

HvJ EU staat lager maximumpercentage reclamezendtijd voor betaalzenders toe

HvJ EU 18 juli 2013, zaak C-234/12 (Sky Italia) - dossier
Prejudiciële vragen gesteld door Tribunale Amministrativo Regionale Per il Lazio, Italië.
Mediarecht. Inzake betaalzenders en minder reclametijd per uur dan vrij toegankelijke zenders. Uitlegging van artikel 4 van richtlijn 2010/13/EU inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten. Uitlegging van de artikelen 49, 56 en 63 VWEU en van artikel 11 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 10 EVRM zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de rechten van de mens – Maximumpercentage voor reclamezendtijd – Nationale regeling die voorziet in een lager maximumpercentage voor betaalzenders dan voor andere televisiezenders.

Uit het persbericht: The Italian rule on television advertising, which lays down lower hourly limits for advertising for pay-TV broadcasters than for free-to-air TV broadcasters, is, in principle, compatible with European Union law. The principle of proportionality must however be observed.

Het Hof verklaart voor recht:

Artikel 4, lid 1, van [de richtlijn audiovisuele mediadiensten], alsook het beginsel van gelijke behandeling en artikel 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij in beginsel niet in de weg staan aan een nationale regeling zoals die aan de orde in het hoofdgeding, die voor betaalzenders kortere maximumzendtijden voor televisiereclame vastlegt dan voor vrij toegankelijke zenders, mits – hetgeen ter beoordeling is van de verwijzende rechterlijke instantie – het evenredigheidsbeginsel wordt geëerbiedigd.

Gestelde vragen:

Moeten artikel 4 van richtlijn 2010/13/EU, het algemene gelijkheidsbeginsel en de voorschriften van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie inzake het vrije verkeer van diensten, het recht van vestiging en het vrije verkeer van kapitaal, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de in artikel 38, lid 5, van decreto legislativo nr. 177/2005 vastgestelde regeling, die aan betaalzenders minder reclamezendtijd per uur toekent dan aan vrij toegankelijke zenders?

Staan artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, uitgelegd in het licht van artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, en in het bijzonder het beginsel van pluralisme op informatiegebied, in de weg aan de in artikel 38, lid 5, van decreto legislativo nr. 177/2005 vastgestelde regeling, die aan betaalzenders minder reclamezendtijd per uur toekent dan aan vrij toegankelijke zenders, waardoor de mededinging wordt verstoord en op de markt voor televisiereclame gemakkelijker machtsposities kunnen worden gecreëerd of versterkt?