RB
RB 3958
23 februari 2026
Artikel

Volg deLex op LinkedIn

 
RB 3968
17 februari 2026
Artikel

Consumentenrecht in de digitale sector op donderdag 2 april 2026: tot 1 maart met vroegboekkorting

 
RB 3970
12 februari 2026
Artikel

Laatste week vroegboekkorting voor Duurzaamheid & Recht op 26 maart 2026

 
RB 409

Snoepreclame voor kinderen

De Tweede Kamer bepaalde in haar Nota Overgewicht dat snoepreclame voor kinderen niet verboden wordt.  Volgens het CDA zijn niet de kinderen zelf, maar de ouders verantwoordelijk voor het overgewicht van hun kinderen; "Het zijn de ouders die het eten op tafel zetten, het zijn de ouders die de boodschappen doen en het zijn de ouders die besluiten wanneer er friet op het menu staat. Niet het kind van negen."

In de Kamer bestaat dus geen meerderheid voor een verbod op snoepreclame die is gericht op kinderen. Alleen PvdA en SP zijn voor een dergelijk verbod. Een ingestelde motie tijdens het Notaoverleg van 7 september verzoekt de regering zelfregulering krachtiger te stimuleren. Dit door middel van het stellen van een ultimatum "dat wanneer per 1 maart 2010 geen overeenstemming is bereikt over een reclamecode over te gaan tot een wettelijk verbod op reclame gericht op kinderen jonger dan twaalf jaar en op reclame voor ongezonde producten". Lees motie hier.

Lees hier en hier meer.

RB 408

Vertrouwen door deelname aan programma's

Het College van Beroep van de Reclame Code Commissie heeft dinsdag bepaald dat Maurice de Hond toch reclame mag maken. Eind juli oordeelde de RCC dat de reclame-uitingen van de Nederlandse Energie maatschappij in strijd waren met artikel 11.2 NRC.  Maurice de Hond zou een te groot gezag hebben als onafhankelijk deskundige en daarom niet specifiek een product mogen aanprijzen (zie eerder bericht RB400).

Het College van Beroep vernietigt de beslissingen van de RCC omdat het zij van oordeel is dat artikel 11.2 NRC niet is overtreden. Het gezag of vertrouwen waar artikel 11.2 van de NRC op doelt moet bestaan "krachtens hun deelname aan programma's". Maurice de Hond heeft zijn gezag of vertrouwen dat hij bij het publiek heeft, volgens het CvB, niet door zijn deelname aan programma's verworven en dus is de reclame-uiting van de Nederlandse Energiemaatschappij niet in strijd met de NRC.

De RCC meldt dat er tegen deze beslissing geen hoger beroep is ingesteld.

Lees hier meer.

RB 407

De gewraakte vermeldingen

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 4 mei 2009, LJN: BJ6450, A  B.V. tegen de minister van VWS.

Tabaksreclame. Tabaksfabrikant sponsort jazzweekend. Associatie met tabaksmerk door gebruik naam onderneming. Heel kort:

5.4  Het betoog van C dat uit de toevoeging “A” duidelijk blijkt dat met de vermeldingen enkel is beoogd naar de onderneming “A B.V.” te verwijzen, doet hier niet aan af. De toevoeging van het woord A neemt niet weg dat de naam van het muziekevenement (en/of dat van de hoofdsponsor) bij het publiek een associatie met het tabaksproduct van het merk “merknaam” opriep, enerzijds doordat de naam van een bekend sigarettenmerk daar in beduidende mate deel van uitmaakte en anderzijds doordat het font waarin de naam werd geschreven (alsmede het wapen dat werd gevoerd) zo sterk met dat van bedoeld sigarettenmerk overeenkwam dat slechts bij aandachtige bestudering verschil zal worden opgemerkt. De associatie die met het sigarettenmerk werd opgeroepen, heeft tot gevolg dat aan een tabaksproduct bekendheid werd gegeven dan wel dat product werd aangeprezen. Dat de gewraakte vermeldingen, naar C heeft gesteld, zijn gedaan in de context van ‘corporate communication’, in die zin dat C de intentie had als plaatselijk belangrijk werkgever aan haar omgeving te communiceren dat zij aan haar maatschappelijk verantwoordelijk ondernemerschap invulling geeft door aan het culturele leven in B bij te dragen, doet aan deze associatie met een sigarettenmerk niet af. Het bereik van de website, en dat van het evenement, was voorts geenszins beperkt tot personen die bekend zijn met de plaats die C op de arbeidsmarkt van de regio B inneemt. Aangezien sponsoring van evenementen of activiteiten een gangbare methode is om de naamsbekendheid van een product te vergroten, is aannemelijk dat menigeen bij de vermelding “A” veeleer een verband heeft gelegd met het sigarettenmerk.

5.8  Het College ziet geen grond voor het oordeel dat de omstandigheid dat C eerder dan andere tabaksfabrikanten zou worden geconfronteerd met het verbod op reclame en sponsoring doordat haar bedrijfsnaam verwijst naar de merknaam van een tabaksproduct, meebrengt dat het verbod jegens haar niet zou mogen worden toegepast. Het verbod strekt immers niet zo ver dat C de bedrijfsnaam (en “crest”) die zij van oudsher voert, niet meer mag gebruiken. Het College vermag niet in te zien dat niet van C kan worden verlangd dat zij rekening houdt met de consequenties die de verwijzing naar het gelijknamige sigarettenmerk, die haar ten opzichte van anderen overigens ook tot voordeel kan strekken, kan hebben voor de wijze waarop zij met haar bedrijfsnaam en/of -logo naar buiten treedt.

5.9  Uit het voorgaande volgt dat de minister naar het oordeel van het College bevoegd was C voor overtreding van artikel 5, eerste lid, Tabakswet een boete op te leggen.

Lees de uitspraak hier.

RB 406

De uiting is niet van haar uitgegaan

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 4 mei 2009, LJN: BJ6166, A  B.V. tegen de minister van VWS.

Tabaksreclame. Tabaksfabrikant sponsort het nationale discothekenweekend (inmiddels al weer ter ziele). Geen bewijs dat de gewraakte uiting is uitgegaan van de fabrikant.

5.4  (…) De verklaring die de medewerker van Koninklijk Horeca Nederland blijkens het proces-verbaal heeft gegeven, inhoudende dat de plaatsing van de bedrijfsnaam en het logo van A op de website dient te worden beschouwd als tegenprestatie in het kader van de strategische alliantie die partijen zijn aangegaan, heeft A ten stelligste betwist. Zoals reeds overwogen, vindt de juistheid van die verklaring van de medewerker van Koninklijk Horeca Nederland geen bevestiging in de tekst van de alliantieovereenkomst, terwijl overige gegevens en/of bescheiden die deze uitleg kunnen ondersteunen ontbreken. Dit gebrek kleeft evenzeer aan de stelling van de minister dat sprake zou zijn van een gebruik dat voortvloeit uit de wijze waarop sinds jaren aan de alliantieovereenkomst uitvoering wordt gegeven.

5.5  Gegeven het feit dat de met Koninklijk Horeca Nederland gesloten alliantieovereenkomst geen uitsluitsel biedt omtrent de betrokkenheid van A bij de hier aan de orde zijnde vermelding en in aanmerking genomen de betwisting dat de vermelding rechtstreeks of onrechtstreeks uit deze overeenkomst zou voortvloeien, dan wel dat A op enig andere wijze van die vermelding kennis heeft gedragen, is het College van oordeel dat het op de weg van de minister lag feiten en/of omstandigheden aan te dragen teneinde aannemelijk te maken dat A als overtreder van het verbod van artikel 5, eerste lid, Tabakswet dient te worden aangemerkt. Aangezien van enig overtuigend bewijs ter zake niet is gebleken, is het College, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de minister zich ten onrechte bevoegd heeft geacht A een boete op te leggen.

Lees de uitspraak hier.

RB 405

Een economische bijdrage

College van Beroep voor het Bedrijfsleven, 4 mei 2009, LJN: BJ6445, A  B.V. tegen de minister van VWS.

Tabaksreclame. Tabaksfabrikant levert economische bijdrage aan studentenvereniging B.I.L. Bijdragen aan borrel en logo met hyperlink naar rekruteringsgedeelte is namelijk geen sponsoring.

5.7  Het vorenoverwogene leidt het College, anders dan de rechtbank, tot het oordeel dat in het onderhavige geval onder de gegeven omstandigheden de door A aan het evenement geleverde economische bijdrage niet als sponsoring in de zin van de Tabakswet kan worden gekwalificeerd. Niet aannemelijk is dat A met haar bijdragen aan de bedrijvenborrel van de studievereniging en door plaatsing op de website van deze vereniging van een van haar naam en logo voorziene hyperlink naar het rekruteringsgedeelte van haar website het sponsoringverbod van artikel 5, eerste lid, Tabakswet heeft overtreden, zodat haar ten onrechte een boete is opgelegd. Gelet hierop behoeft hetgeen A overigens naar voren heeft gebracht geen verdere bespreking.

5.8  Mitsdien zal het College de aangevallen uitspraak, voorzover de rechtbank heeft geconcludeerd dat A het in artikel 5, eerste lid, van de Tabakswet neergelegde sponsoringverbod heeft overtreden, vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van A gegrond verklaren, het bestreden besluit van 8 september 2006 vernietigen en het boetebesluit van 15 april 2005 herroepen.

Lees de uitspraak hier.

RB 404

Misleiding omtrent de prijs

Reclame Code Commissie, 6 augustus 2009, Dossier 2009/000384. Uitspraak van de RCC in de zaak tegen Hilversumse Media Compagnie CV.

De RCC heeft geoordeeld dat de reclame voor de TV krant misleidend is omdat deze onjuiste informatie bevat over de prijs van een abonnement. De reclame wekt de indruk dat een abonnement slechts € 0,25 per week kost terwijl deze prijs gedurende de minimale duur van het abonnement ook hoger ligt.

Lees hier meer

Bron: RCC

RB 403

Voedingsclaims

Voedingsclaims op verpakkingen moeten voldoen aan de eisen uit de Europese Claimsverordering. De overgangstermijn is op 31 juli 2009 verstreken. De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) heeft een onderzoek ingesteld om te bekijken of de levensmiddelenfabrikanten zich aan de wet houden. Uit het onderzoek bleek dat op 57% van de geëtiketteerde voedingsmiddelen minimaal één voedingsclaim niet conform de nieuwe verordening was vermeld.

De VWA meldt dat zij vanaf 1 augustus 2009 producenten direct schriftelijk gaat waarschuwen wanneer voedingsclaims niet aan de verordening voldoen.

Lees hier en hier meer.

Bron: Hoogenhaak.nl, VWA

RB 402

Vals spel dus

Vorige week is er massaal geklaagd door consumenten bij de Reclame Code Commissie over reclame-uitingen van de Staatsloterij voor de jackpot van € 27,5 miljoen. De Commissie had een recordaantal van ruim 60 klachten ontvangen. De klachten komen erop neer dat de reclame misleidend zou zijn, omdat niet is gewezen op de mogelijkheid dat de jackpot op een eenvijfde lot kan vallen.

De Commissie heeft de behandelde klachten gegrond verklaard. Steeds meer mensen kopen een éénvijfde lot waardoor de kans dat de jackpot volledig wordt uitgekeerd kleiner wordt dan 50%.  "De Commissie acht het onder deze omstandigheden onjuist dat in de reclame-uitingen een rechtstreeks verband wordt gelegd tussen het gegarandeerd vallen van de jackpot van € 27,5 miljoen en de omvang van de jackpot. De Commissie is van oordeel dat de consument had moeten worden geïnformeerd over het feit dat er een aanzienlijke kans bestaat dat niet de volledige jackpot zou worden uitgekeerd."

Het Algemeen Dagblad berichtte vrijdag 14 augustus dat het staatsbedrijf bekijkt of weer éénvijfde loten kunnen worden geïntroduceerd die samen een heel lot vormen. Op deze wijze kunnen dan weer vijf deelnemers ieder een vijfde lot kopen. Verder wil de Staatsloterij nog geen commentaar geven op de uitkomst, maar overweegt beroep aan te tekenen.

Lees RCC uitspraak hier.

Stichting Loterijverlies.nl maakt deze uitspraak van de RCC onderdeel van haar rechtszaak die ze namens 22.000 spelers tegen de Staatsloterij voert. Op haar website roept de Stichting consumenten op zich te melden voor haar collectieve procedure tegen de Staatsloterij. Misleidende reclame en vals spel dus, aldus de Stichting.

Lees hier, hier en hier meer.

Bronnen: AD, RCC

RB 401

Dateren van jaren her

Rechtbank Amsterdam 6 augustus 2009, KG ZA 09/1404. Ushio Europe B.V. tegen Philips Lighting B.V. en Koninklijke Philips Electronics N.V. (Met dank aan mr. L. Bakers en C.J.S. Vrendenbarg, BINGH Advocaten)

Ongeoorloofde vergelijkende reclame. Specialistische markt, claims niet gebaseerd op onafhankelijk onderzoek.

Ushio biedt onder meer xenon lampen aan van het type UXL die specifiek gericht zijn op toepassing in bioscopen. Ushio heeft Philips gesommeerd haar claim in diverse reclames dat de Philips Helios Xenon lamp 30% meer licht geeft dan de standaardlampen, waarmee volgen Ushio geduid wordt op de standaardlampen van Ushio en andere misleidende reclames niet meer te uiten, aangezien deze claim volgens Ushio niet juist is. Ushio vordert onder meer dergelijke reclameclaims te staken en een rectificatie. Ushio stelt onder meer dat de markt voor xenon lampen een zeer specifieke is en er maar een gering aantal spelers op die markt is. Howel Ushio niet specifiek wordt genoemd door Philips, zal deze vergelijking vanwege het specialistische karakter van de branche en het aanzienlijke marktaandeel van Ushio (45%) worden herleid tot producten van Ushio. De rechtbank gaat hierin mee en stelt dat er derhalve sprake is van vergelijkende reclame in de zin van artikel 6:194a BW.

Philips zal derhalve moeten aantonen dat haar lampen 'up to' 30% meer licht produceren dan de (voor hetzelfde doel, te weten licht voor projectie op bioscoopschermen bestemde) standaardlampen. "Weliswaar kan vanwege de nuancering 'up to' worden aangenomen dat Philips niet hoeft aan te tonen dat in alle gevallen sprake is van 30% meer licht, maar wel dat dit percentage op zijn minst (eenmalig) moet voorkomen in de tests en dat daarnaast een percentage tussen de 20 en de 30 met een zekere regelmaat geconstateerd wordt.[...] Ushio heeft echter terecht betoogd dat aan deze tests in het kader van het onderhavige geschil geen betekenis toekomst, nu de testresultaten op één na dateren van jaren her, de tests intern (door LTI en Philips zelf) zijn uitgevoerd (en dus niet gebaseerd op onafhankelijk onderzoek) en bovendien geen vergelijking bevatten met de huidige Ushio lampen.

"Philips heeft betoogd dat de vordering om het doen van voornoemde uitingen te staken en gestaakt te houden niettemin dient te worden afgewezen, aangezien zij de desbetreffende claims reeds van haar website heeft verwijderd. Nu Philips evenwel geen onvoorwaardelijke toezeggingen heeft gedaan in dat verband en daarnaast niet uitgesloten moet worden geacht dat de claims nog in door haar verspreide brochures circuleren, heeft Ushio, anders dan Philips heeft betoogd, nog een voldoende (spoedeisend) belang bij het door haar gevraagde verbod."

Lees het vonnis hier.

RB 400

Verboden om reclame te maken voor Maurice de Hond

Reclame Code Commissie, 27 juli 2009, Dossier 2009/000385. Uitspraak van de RCC in de zaak tegen de Nederlandse Energie maatschappij (NEM). De RCC heeft geoordeeld dat de reclamecampagne waarin Maurice de Hond de energiemaatschappij aanprijst niet geoorloofd is.

De bestreden reclamecampagne bevat advertenties en een televisiereclame waarin Maurice de Hond stelt dat uit zijn onderzoek blijkt dat 94% van de huishoudens teveel betaalt voor energie.

De RCC oordeelt dat de reclame-uitingen in strijd zijn met artikel 11.2 NRC. Dit artikel bepaalt dat het verboden is om reclame te maken voor personen die "krachtens hun deelname aan programma's geacht kunnen worden gezag, respectievelijk vetrouwen te hebben bij een bepaalde publieksgroep". In de reclame wordt onmiskenbaar op het vertrouwen ingespeeld, De Hond verwijst immers naar zijn eigen onderzoek. De opiniepeiler heeft volgens de Commissie een te groot gezag als onafhankelijk deskundige en mag daarom niet specifiek een product aanprijzen.

De Volkskrant meldt dat Maurice de Hond verbaasd is.op de uitspraak. Hij wijst er in de krant op dat hij in zijn onderzoek niet in alle gevallen concludeert dat de Nederlandse Energie Maatschappij de goedkoopste is. "In reclames wordt zo vaak verwezen naar onafhankelijk onderzoek. Dat zou toch moeten kunnen?"

Het energiebedrijf was toch al van plan half augustus met de reclame te stoppen maar heeft inmiddels beroep aangetekend tegen de uitspraken.

Lees uitspraak hier en hier.

Bron: RCC, ANP, Volkskrant