RB
Gepubliceerd op woensdag 7 oktober 2026
RB 4154
Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) ||
6 okt 2026,
Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 6 okt 2026,, RB 4154; 2026/00142 - CVB (klager tegen Rotterdam The Hague Airport), https://www.reclameboek.nl/artikelen/uitingen-rtha-over-nieuw-luchthavenbesluit-zijn-geen-reclame

Uitingen RTHA over nieuw luchthavenbesluit zijn geen reclame

CvB 6 oktober 2026, RB 4154; 2026/00142 - CVB (klager tegen Rotterdam The Hague Airport). De zaak betreft een publicatie van Rotterdam The Hague Airport (RTHA) in De Heraut en een brief aan omwonenden over de aanvraag van een nieuw luchthavenbesluit. In de uitingen staan onder meer de mededelingen dat RTHA een “stap naar schoner en stiller” zet, dat “minder hinder” het uitgangspunt is, dat er minder nachtvluchten komen, geen extra commerciële vluchten op fossiele brandstof worden toegestaan en dat schonere en stillere vliegtuigen tot minder geluid en uitstoot moeten leiden. Appellante stelt dat RTHA hiermee haar diensten en denkbeelden aanprijst en dat sprake is van duurzaamheidsreclame in de zin van de Code voor Duurzaamheidsreclame. De voorzitter en vervolgens de Reclame Code Commissie oordeelden echter dat de uitingen niet als reclame in de zin van artikel 1 NRC kunnen worden aangemerkt, omdat zij zijn bedoeld als informatie over de aanvraag en het daarmee samenhangende besluitvormingsproces.

Het College van Beroep bevestigt dat oordeel. Hoewel de uitingen een positieve boodschap bevatten over het aangevraagde luchthavenbesluit, is voor reclame in de zin van artikel 1 NRC vereist dat een goed, dienst of denkbeeld wordt aangeprezen. Daarvan is volgens het College geen sprake. De positief getinte mededelingen zijn in de context van de uitingen een weergave van de uitgangspunten, doelstellingen en verwachte effecten van de aanvraag. Ook de mededeling dat RTHA maatschappelijk relevant is en mensen met werk, familie en vakantie verbindt, vormt in deze context geen specifieke aanprijzing van haar diensten. De publicatie in De Heraut en de brief aan omwonenden moeten daarom worden beschouwd als feitelijke kennisgevingen over de aanvraag van het nieuwe luchthavenbesluit. Omdat geen sprake is van reclame, komt het College niet toe aan inhoudelijke toetsing van de gestelde duurzaamheidsclaims aan de Code voor Duurzaamheidsreclame. Het College bevestigt de beslissing van de Commissie dat appellante niet-ontvankelijk is in de inleidende klacht.

7.3. Als geheel genomen heeft de uiting in de Heraut blijkens het voorgaande een positieve boodschap over het aangevraagde nieuwe luchthavenbesluit. Dit besluit zal immers volgens de uiting ertoe leiden dat omwonenden minder overlast van de luchthaven zullen ervaren (“stap naar schoner en stiller”). Deze vermindering van overlast staat in de uiting centraal. Daarmee is echter niet gegeven dat de uiting reclame in de zin van artikel 1 NRC is. Hiervoor is immers noodzakelijk dat een goed, dienst of denkbeeld wordt aangeprezen. Hiervan is geen sprake. De positief getinte mededelingen over het aangevraagde luchthavenbesluit zijn een weergave van de uitgangspunten van de aanvraag voor het nieuwe besluit en kunnen niet zo ruim worden uitgelegd dat daarmee, zoals appellante stelt, RTHA (het vliegveld) zichzelf aanprijst of dat “een plan (onder het aangevraagde luchthavenbesluit)” wordt aangeprezen. De strekking van de uiting is anders. Deze strekking kan zo worden omschreven dat RTHA de noodzaak van vermindering van overlast voor omwonenden inziet en dat daarmee rekening zal worden gehouden door concreet met de aanvraag van een nieuw luchthavenbesluit te streven naar minder overlast. Gelet op deze inhoud en strekking dient de uiting te worden gezien als een feitelijke bekendmaking van de aanvraag van een nieuw luchthavenbesluit en van het daarmee beoogde effect op de leefomgeving, zonder dat daarbij sprake is van aanprijzing van een goed, dienst of denkbeeld.

7.4. De door appellante in de klacht en de grieven genoemde specifieke teksten leiden niet tot een ander oordeel. Dat RTHA zichzelf als maatschappelijk relevant aanmerkt omdat zij de luchthaven voor de regio is en zij mensen zegt te verbinden met werk, familie en vakantie, impliceert geen specifieke aanprijzing van haar diensten, maar is in de context van de bestreden uiting een verwijzing van feitelijke aard naar haar functie als vliegveld. De mededelingen dat de geluidshinder en uitstoot zullen afnemen door schonere en stillere vliegtuigen, door minder vluchten in de nacht en in de vroege ochtend, en dat de late avond wordt beschermd, dienen als toelichting in welk opzicht het aangevraagde luchthavenbesluit een verbetering voor omwonenden nastreeft. Hetzelfde geldt voor de mededelingen dat nieuwe vliegtuigen zuiniger, schoner en stiller zullen zijn en dat extra vluchten over 5 jaar volledig fossielvrij zullen zijn en er verplicht duurzamere brandstof zal worden gebruikt waardoor het vliegverkeer naar verwachting in 2035 20% minder CO-uitstoot veroorzaakt. Ook deze mededelingen, evenals de mededeling “geen extra commerciële vluchten op fossiele brandstof”, zijn een feitelijke toelichting op de doelstellingen en de verwachte effecten van het nieuwe luchthavenbesluit. Nu de uiting in de Heraut op grond van het voorgaande niet kan worden aangemerkt als reclame in de zin van artikel 1 NRC, kunnen de hiervoor genoemde mededelingen niet inhoudelijk worden getoetst.

7.5. Nu ten aanzien van de Heraut niet is voldaan aan de definitie van reclame in artikel 1 NRC, is appellante, zoals ook in eerste aanleg is geoordeeld, niet-ontvankelijk in de inleidende klacht tegen deze uiting.