28 mei 2026,
RCC: duurzaamheidsclaims Blooming Good over kunstbloemen in strijd met CDR
RCC 28 mei 2026, RB 4138; 2026/00204 (klager tegen Blooming Good). De Reclame Code Commissie beoordeelt drie duurzaamheidsclaims waarmee Blooming Good haar kunstbloemen op haar website aanprijst. De mededeling dat men met Blooming Good “de duurzaamste keuze in Nederland op zowel vers- als kunstbloemen gebied” maakt, is een duurzaamheidsclaim in de zin van art. 1 CDR. Op grond van art. 4 CDR moeten duurzaamheidsclaims aantoonbaar juist zijn en rust de bewijslast daarvan op de adverteerder. Naarmate een claim absoluter is geformuleerd, worden zwaardere eisen aan het bewijs gesteld. Volgens de Commissie wekt de claim bij de gemiddelde consument de indruk dat de kunstbloemen van Blooming Good duurzamer zijn dan alle andere soorten bloemen. Blooming Good heeft dat niet aangetoond en geen toereikend bewijs geleverd voor de absoluut geformuleerde duurzaamheidsclaim. De uiting is daarom in strijd met art. 4 CDR. Dat Blooming Good heeft meegedeeld de tekst te zullen wijzigen in “een duurzame keuze”, is voor de Commissie onvoldoende reden om een aanbeveling achterwege te laten.
Ook de mededeling dat zijdebloemen minder water en geen pesticiden vereisen en bovendien langer meegaan, waardoor kunstbloemen “een prachtig alternatief” zijn, kan volgens de Commissie niet door de beugel. De gemiddelde consument zal deze uiting begrijpen als een vergelijking van de milieu-impact van kunstbloemen met die van verse bloemen en daaruit afleiden dat kunstbloemen uit milieuoogpunt de betere keuze zijn. Voor een dergelijke vergelijking verlangt art. 7 CDR dat objectief vergelijkbare producten op objectieve wijze worden vergeleken aan de hand van wezenlijke, relevante, controleerbare en representatieve kenmerken. Daaraan is niet voldaan. Blooming Good verwijst naar onderzoek van Anthesis waaruit volgens haar volgt dat de productie van onder meer kunstrozen tot 70% minder CO₂-uitstoot veroorzaakt dan verse rozen die gekoeld worden ingevlogen. Volgens de Commissie toont dit echter nog niet aan dat de productie van kunstbloemen geen negatieve impact op het milieu heeft, zodat de vergelijking niet representatief is en in strijd is met art. 7 CDR. De aanduidingen “duurzame kunstbloemen”, “duurzame bloemervaring” en “op een verantwoorde manier” zijn daarnaast milieuclaims in de zin van art. 1 CDR. Omdat uit de reclame niet blijkt welke specifieke betekenis Blooming Good aan “duurzaam” en “verantwoord” geeft en op welke eigenschappen van het product of productieproces deze claims betrekking hebben, zijn zij onvoldoende concreet en gespecificeerd en daardoor misleidend in de zin van art. 3.1 CDR. De enkele verwijzing naar gerecyclede materialen is daarvoor onvoldoende. Dat Blooming Good met “duurzaam” uitsluitend zou doelen op de lange levensduur van haar kunstbloemen, maakt dit niet anders, omdat die betekenis niet uit de uiting zelf blijkt. De Commissie beveelt Blooming Good aan niet meer op dergelijke wijze reclame te maken.
Door in de uiting te stellen dat Blooming Good “de duurzaamste keuze in Nederland op zowel vers- als kunstbloemen gebied” is, wordt bij de gemiddelde consument de indruk gewekt dat de kunstbloemen van Blooming Good duurzamer zijn dan alle andere (soorten) bloemen, en dit heeft Blooming Good in het kader van deze procedure niet aangetoond. Nu Blooming Good geen (toereikend) bewijs heeft geleverd om de juistheid van deze absoluut verwoorde duurzaamheidclaim aan te tonen, acht de Commissie de bestreden uiting in strijd met artikel 4 CDR. De Commissie heeft kennis genomen van de mededeling van Blooming Good dat zij reeds heeft besloten om de uiting aan te passen naar “een duurzame keuze”, maar ziet in deze enkele mededeling zonder nadere onderbouwing daarvan onvoldoende aanleiding een aanbeveling achterwege te laten of te doen voor zover nog nodig.