RB
Gepubliceerd op maandag 24 augustus 2026
RB 4103
Rechtspraak (NL/EU) ||
24 nov 1966,
Rechtspraak (NL/EU) 24 nov 1966,, RB 4103; ECLI:NL:PHR:1967:AB7141 ([eiser] tegen [verweerder]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/p-g-cassatieklachten-over-resterende-koopprijs-en-beroep-op-wanprestatie-falen

P-G: cassatieklachten over resterende koopprijs en beroep op wanprestatie falen

Parket bij de Hoge Raad 6 januari 1967, RB 4103; ECLI:NL:PHR:1967:AB7141 ([eiser] tegen [verweerder]). De zaak betreft een geschil over de koop van een wagen. De koper stelde onder meer dat de verkoper had gegarandeerd dat hij voor een 5-tonsvergunning zou zorgen en dat was afgesproken dat ƒ 3.500 van de koopprijs zou worden ingehouden zolang die vergunning niet was verleend. Daarnaast had de koper zich beroepen op bedrog, dwaling en wanprestatie. Het hof had geoordeeld dat de door de koper ingenomen stelling over een aanvullende overeenkomst en zijn daarmee samenhangende houding onverenigbaar waren met zijn beroep op bedrog, dwaling en wanprestatie en dat hij het daarop gebaseerde „reclamerecht” daarom had verwerkt. Tegen dit oordeel en andere onderdelen van het arrest kwam de koper in cassatie op.

P-G Van Oosten concludeert dat de cassatieklachten niet slagen. Voor zover de koper aanvoerde dat het vorderen van het restant van de koopprijs in strijd was met de goede trouw, overweegt de P-G dat de wet destijds niet voorschreef dat een processuele handeling te goeder trouw moest worden verricht. Indien daadwerkelijk was gegarandeerd dat voor de 5-tonsvergunning zou worden gezorgd en was afgesproken dat ƒ 3.500 zolang mocht worden ingehouden, zou de betalingsverplichting voor dat bedrag volgens de P-G afhankelijk kunnen zijn geweest van een toekomstige onzekere gebeurtenis. Het daarop toegesneden verweer was echter niet in feitelijke aanleg gevoerd. De klacht tegen het oordeel over de verwerking van het beroep op bedrog, dwaling en wanprestatie slaagt evenmin. De in cassatie betrokken stelling dat een nadere overeenkomst juist was gesloten met het oog op het gestelde gebrek in de oorspronkelijke koopovereenkomst en ter regeling van de gevolgen daarvan, was niet eerder aangevoerd en vormt daarom volgens de P-G een ontoelaatbaar novum in cassatie.

In is Hofs opvatting dat de in r.o.2 weergegeven stelling onverenigbaar is met het door [eiser] aan bedrog en dwaling ontleende verweer, zomede met diens beroep op wanprestatie, was het Hof niet gehouden te onderzoeken of de aanvullende overeenkomst (die door [eiser] gesteld zou zijn) tot stand was gekomen, en was het Hof niet gehouden daarover te beslissen, weshalve ook middel IV faalt.

Neemt men aan dat in appel beslist had moeten worden over het bij de conclusie van antwoord voorwaardelijk gevoerde verweer, dat [verweerder] zich aan wanprestatie heeft schuldig gemaakt "door niet te leveren hetgeen hij was overeengekomen", dan is met het opwerpen van deze exceptio non adimpleti contractus niet, of kwalijk te verenigen, zijn stelling dat hij op 7 maart 1962 f. 10.000. - heeft betaald (al. 2 der nadere conclusie van antwoord in conventie). En nemen wij aan dat het Hof had te beslissen over het in al. 10 dier nadere conclusie vervatte verweer "dat het in strijd met de goede trouw moet worden geacht, nu eiser ondanks zijn uitdrukkelijke garantie geen wagen met 5-ton vergunning heeft geleverd, de volle koopprijs te vorderen, nu hij er bovendien accoord mee is gegaan, dat f. 3.500. -- zou worden ingehouden zolang de 5-ton niet was verleend", dan is dit geen verweer dat kan leiden tot afwijzing van de door [verweerder] gedane eis in conventie, omdat dit verweer - zoals hierboven is opgemerkt - miskent dat de wet niet voorschrijft dat processuele handelingen te goeder trouw moeten worden verricht. In deze zienswijze heeft [eiser] geen belang bij het derde middel.

Inderdaad het het Hof de in prima gewezen vonnissen vernietigd, dus ook die vonnissen voor zover ze in reconventie gewezen zijn. Wel heeft het Hof, opnieuw rechtdoende, recht gedaan op de eis in conventie, maar verzuimd recht te doen op de eis in reconventie. De uitgesproken vernietiging van het in reconventie gewezen vonnis is m.i. niet strijdig met de toewijzing der conventionele eis van [verweerder]. Het verzuim van het Hof om recht te doen op de reconventionele eis van [eiser] is geen grond voor cassatie, maar voor requeste-civiel.

Eiser heeft de beslissing, vervat in r.o.4, in cassatie niet aangetast, evenmin als de in r.o. 5 gegeven beslissing dat de eis in conventie toewijsbaar is. Waar deze laatste beslissing de uitgesproken veroordeling kan dragen, zouden de voorgestelde middelen m.i. reeds uit dien hoofde niet tot cassatie kunnen leiden.