RB 3440

Omnicom toch veroordeeld tot betaling media-executiefee

Hof Amsterdam 15 september 2020, IEF 19458, RB 3440; ECLI:NL:GHAMS:2020:2511 (Cosmos tegen Omnicom) Contractenrecht. Uitleg overeenkomst. Beide partijen exploiteren een mediabureau en houden zich onder meer bezig met de inkoop van advertentieruimte voor hun klanten. In 2008 hebben partijen een samenwerkingsovereenkomst gesloten, waarin is geregeld dat Cosmos, nu Camborde, gebruikmaakt van de quantumkortingen die het veel grotere Omnicom kan bedingen bij het inkopen van media en dat de daarmee samenhangende backofficewerkzaamheden door Omnicom worden uitgevoerd. Daarvoor ontvangt Omnicom 0,4% van de bruto maandomzet die zij maakt ten behoeve van Cosmos.

Omnicom voldoet uit hoofde van de overeenkomst jaarlijks een bedrag van € 150.000,- (de ‘media-executiefee’) aan Cosmos voor terbeschikkingstelling door Cosmos van medewerkers om voor Omnicom backoffice werkzaamheden te verrichten. Omnicom meent dat Cosmos tekort is geschoten in haar verplichtingen, waarop Omnicom de overeenkomst ontbindt. Cosmos vordert daarop doorbetaling van de media-executiefee, vanwege een toerekenbare tekortkoming van Omnicom in de nakoming van de overeenkomst. In eerste aanleg zijn de vorderingen van Cosmos afgewezen. Het bestreden vonnis wordt vernietigd en Omnicom wordt alsnog veroordeeld tot betaling van de media-executiefee van zo'n € 1,8 miljoen, omdat Omnicom geen goede gronden had de overeenkomst te ontbinden. Omnicom was dus zelf in verzuim. De door haar gevorderde ontbondenverklaring wordt alsnog afgewezen.

3.10. Hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over de verplichting van Omnicom om werkzaamheden aan te bieden, neemt niet weg dat ook Cosmos zich bij de uitvoering van artikel 2.3 in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid moest gedragen. Met juistheid heeft de rechtbank dan ook overwogen dat Cosmos op grond van artikel 2.3 gehouden was openheid van zaken te geven over het exacte aantal fte dat zij aan de UBW besteedde. Naar het oordeel van het hof heeft Cosmos die verplichting echter niet geschonden. Eind maart 2014 heeft Cosmos aan Omnicom een overzicht verstrekt van de medewerkers die volgens haar de UBW verrichtten. Gelet op de hiervoor beschreven negatieve opstelling van Omnicom valt het Cosmos niet zwaar aan te rekenen dat zij dat overzicht niet eerder heeft verschaft, maar aanvankelijk is blijven hangen in de betwisting wanprestatie te hebben gepleegd. Omnicom heeft de juistheid van het overzicht van Cosmos betwist en die onjuistheid aangevoerd als bewijs van de onwil van Cosmos om openheid te geven. Die conclusie is echter, ook als het overzicht fouten zou bevatten, onvoldoende gefundeerd. Bovendien heeft Cosmos meermalen voorgesteld een deskundige de hoeveelheid werk te laten beoordelen, maar daarop heeft Omnicom nooit willen ingaan, hoewel een dergelijk onderzoek de discussie vermoedelijk in korte tijd had kunnen beslechten.

3.11. Aldus was de situatie in februari 2014 dat Omnicom de overeenkomst zonder goede gronden had ontbonden en ten onrechte was gestopt met betaling van de media-executiefee. Omnicom was dus vanaf februari 2014 zelf in verzuim.

3.12. De brieven die [X] namens Cosmos aan het bestuur van Omnicom in Europa en de VS heeft geschreven zijn hoogst onzakelijk van toon en bevatten meer of minder verhulde dreigementen. Ook heeft Cosmos zonder goede grond KPMG in het conflict betrokken. Mede gelet op de omstandigheden van het geval en in het bijzonder het feit dat Omnicom zelf in verzuim verkeerde, vormen deze brieven echter onvoldoende reden voor ontbinding van de overeenkomst. Dat de zakenpartner van [X] de toespeling op haar persoon in de bespreking op 25 februari 2014 als seksuele intimidatie heeft ervaren en aangifte van smaad heeft gedaan of overwogen, valt, op zijn zachtst gezegd, Cosmos niet te verwijten. Wel is het procesrechtelijk onjuist dat [X] buiten Omnicom om de voorzieningenrechter heeft benaderd toen de zaak al voor vonnis stond, maar ook in samenhang met de eerdergenoemde brieven kan dat geen reden zijn voor ontbinding van de overeenkomst. Ten slotte is niet komen vast te staan dat [X] de pers heeft ingelicht over het conflict, zoals Omnicom Cosmos verwijt. Ook de in de brief van 5 juni 2014 genoemde ontbindingsgronden zijn dus ondeugdelijk.

3.13. Uit het voorgaande vloeit voort dat de overeenkomst na 1 februari 2014 en ook na de brief van 5 juni 2014 is doorgelopen en dat Omnicom gehouden is tot doorbetaling van de media-executiefee vanaf die datum. De grieven I tot en met XVII en XIX slagen derhalve (…).