RB 3290

Misleidende informatie bij productaankoop leidingsysteem, maar geen aansprakelijkheid

Hof Arnhem-Leeuwarden 12 februari 2019, RB 3290; ECLI:NL:GHARL:2019:1290 (Vivantes tegen Nathan en Uponor) Hoger Beroep. Misleidende mededeling. Uponor is producent van kunststofbuizen. Nathan is de fabrieksvertegenwoordiger van Uponor in Nederland en België. Uponor prijst haar buizen aan door middel van folders, waarin zij stelt dat de betreffende buizen een maximaal constante werktemperatuur van 95°C kunnen verdragen (hierna: de aanprijzing). Vivantes stelt dat deze aanprijzing misleidend dan wel onrechtmatig is. De rechtbank heeft in eerste aanleg [RB 1607] geoordeeld dat de aanprijzing misleidend is in de zin van artikel 6:194 sub a BW, waarmee in beginsel sprake is van een onrechtmatige daad die aan Nathan en Uponor moet worden toegerekend. De rechtbank achtte het echter onvoldoende aannemelijk dat Vivantes haar keuze voor de Unipipe-buizen heeft gebaseerd op de aanprijzing. Derhalve heeft de rechtbank geen causaal verband aangenomen. In hoger beroep voert Vivantes drie grieven aan tegen deze beslissing. Met haar eerste grief stelt Vivantes dat degene die in verband met een misleidende mededeling schadevergoeding vordert niet hoeft aan te tonen dat hij op die misleidende mededeling is afgegaan indien er sprake is van een misleidende mededeling. Dit is echter onjuist nu Vivantes een rechtspersoon is handelend in de uitoefening van bedrijf of beroep. Vervolgens beroep Vivantes zich op het HR World Online arrest (HR 27 november 2009, ECLI: NL:HR:2009: BH2162). Dit beroep gaat echter niet op nu er belangrijke verschillen zijn met de situatie in het World Online arrest. Belangrijke verschillen zijn dat de productfolder zich in dit geval richt op een specifieke doelgroep van technisch onderlegde professionals in plaats van, zoals in de World Online-zaak, op een breed publiek van beleggers (waaronder professionele beleggers en consumenten zonder kennis en ervaring met beleggen), terwijl de in de World Online-zaak geschetste bewijsproblemen voor de beleggers zich niet of anders en in mindere mate voordoen voor Vivantes. Tot slot heeft Vivantes onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de aanprijzing in de folder voldoende van belang is geweest bij de beslissing om de kunststofbuizen aan te kopen. Alle grieven falen.

3.4 De rechtbank heeft geoordeeld dat de aanprijzing misleidend is in de zin van artikel 6:194 sub a BW, waarmee in beginsel sprake is van een onrechtmatige daad die aan Nathan en Uponor moet worden toegerekend. De rechtbank heeft echter geen aansprakelijkheid aangenomen, omdat zij onvoldoende aannemelijk acht dat Vivantes haar keuze voor de Unipipe-buizen heeft gebaseerd op de aanprijzing. Vivantes heeft naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende gesteld om aan te nemen dat er causaal verband bestaat tussen de beslissing om de temperatuur in de leidingwatersystemen te verhogen (genomen om besmetting met de legionella bacterie te voorkomen) en de aanprijzing in de folder.

3.6 Met de eerste grief stelt Vivantes zich primair op het standpunt dat uit de wetsgeschiedenis van de artikelen 6:194 en 6:195 BW en het wettelijke systeem voortvloeit dat, indien er sprake is van openbaarmaking van een misleidende mededeling, degene die in verband met die misleidende mededeling schadevergoeding vordert niet hoeft aan te tonen dat hij op die misleidende mededeling is afgegaan.
Evenals de rechtbank volgt het hof dit standpunt niet. De artikelen over misleidende en vergelijkende reclame zijn in 1980 ingevoerd en de desbetreffende bepalingen in het BW zijn na implementatie van de Richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt in 2008 gesplitst in een afdeling Oneerlijke handelspraktijken (afdeling 6.3.3A, die de artikelen 6:193a t/m j BW omvat, waaronder de op consumenten gerichte misleidende reclame valt) en afdeling 6.3.4 BW (die de in deze zaak toepasselijke artikelen 6:194 tot en met 6:196 BW omvat) en waarvan het toepassingsgebied sinds 2008 is teruggebracht tot reclame gericht op (rechts-) personen die handelen in de uitoefening van een bedrijf of beroep. Door deze splitsing zijn de bijzondere bewijsregels die gelden voor misleidende reclame, gericht op consumenten, niet van toepassing als de reclame zich richt op een rechtspersoon die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zoals Vivantes in dit geval. De verwijzingen naar de wetsgeschiedenis van vóór deze splitsing zijn daarmee niet relevant, terwijl de door Vivantes weergegeven citaten uit de wetsgeschiedenis betreffende de wijziging van de wet in 2008 kennelijk de op consumenten gerichte misleidende reclame betreffen. Ook overigens kunnen in de bewoordingen of samenhang van de betreffende bepalingen geen argumenten gevonden worden voor de stelling van Vivantes.
Dit betekent, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, dat Vivantes in beginsel dient te stellen en te bewijzen dat de schade in causaal verband staat met de misleidende mededeling.

3.11 Tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden oordeelt het hof als volgt.
Het betreft hier een specifieke tweeregelige aanprijzing in een productfolder van 20 pagina’s met een grotendeels technische inhoud, welke folder met name bestemd was voor professionals in de installatiebranche en waarbij de aanprijzing één aspect betreft van de belastbaarheid van kunststofbuizen. Vast staat dat Vivantes in het kader van de nieuwbouw/renovatie zocht naar een alternatief voor het toepassen van koperen buizen, in verband met eerdere opgetreden problemen bij die buizen door kalkafzetting en putcorrosie. De beslissing welke buizen toe te passen in het leidingwatersysteem van de woonzorgcentra is genomen in het kader van een omvangrijk renovatie/nieuwbouwproject door een bouwteam, dat in het kader van dat project, zo valt aan te nemen, vele dergelijke beslissingen diende te nemen.
Deze feiten verschillen aanmerkelijk van de feiten en omstandigheden in de World Online-zaak (zoals die blijken uit het hiervoor in r.o. 3.7 opgenomen citaat). Belangrijke verschillen zijn dat de productfolder in dit geval zich richt op een specifieke doelgroep van technisch onderlegde professionals in plaats van, zoals in de World Online-zaak, op een breed publiek van beleggers (waaronder professionele beleggers en consumenten zonder kennis en ervaring met beleggen), terwijl de in de World Online-zaak geschetste bewijsproblemen voor de beleggers zich niet of anders en in mindere mate voordoen voor Vivantes.
Het hof ziet daarom geen aanleiding in dit specifieke geval als uitgangspunt te nemen dat er een causaal verband (condicio sine qua non) bestaat tussen de aanprijzing en de beslissing van Vivantes om de Unipipe-buizen toe te passen of om de leer van de proportionele aansprakelijkheid toe te passen (zoals Vivantes heeft bepleit).

3.15 Dat de aanprijzing in de folder een rol heeft gespeeld bij het nemen van de beslissing om de aanvoertemperatuur te verhogen heeft Vivantes, gelet op het bovenstaande, onvoldoende gemotiveerd. Dat [oud-bestuurder] (of PRC) bij die beslissing de revisiedocumentatie zou hebben geraadpleegd en dat daarvan de productfolder met de aanprijzing deel van uitmaakte is niet onderbouwd. Nathan en Uponor hebben betwist dat de productfolder bij de revisiedocumenten zat en hebben voorts aangevoerd dat die revisiedocumentatie niet zozeer bedoeld is voor de opdrachtgever, maar voor de vakspecialisten die kunnen worden ingeschakeld bij problemen met bouwwerken en installaties na oplevering. Vast staat dat Vivantes de beslissing om de temperatuur te verhogen nu juist zelfstandig (afgezien van de opinie van PRC, die niet zonder meer adviseert tot verhoging van de temperatuur) heeft genomen, zonder raadpleging van een vakspecialist op het gebied van (leidingwater)installaties. Welk bedrijven precies bij de uitvoering van die beslissing betrokken zijn geweest is niet duidelijk geworden, laat staan of deze bedrijven de revisiedocumentatie hebben geraadpleegd.