23 jul 2026,
Hof Amsterdam: wervende brochure over CO₂-emissierechten heeft geen bewijsbestemming
Hof Amsterdam 23 juli 2026, RB 4096; ECLI:NL:GHAMS:2026:2187 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). Na terugwijzing door de Hoge Raad moet het hof opnieuw beoordelen of een brochure waarmee vrijwillige CO₂-emissierechten aan potentiële beleggers worden aangeboden, een geschrift is dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen in de zin van artikel 225 lid 1 Sr. Het hof acht twee in de tenlastelegging genoemde mededelingen in de brochure vals. Zo wordt ten onrechte vermeld dat de onderneming in 2002 klein is begonnen en vervolgens is uitgegroeid tot een wereldspeler, terwijl zij pas in juli 2012 is opgericht en voornamelijk op de Nederlandse markt actief is. Ook is onjuist dat de aangekochte carbon credits zouden worden bewaard in een door de Verenigde Naties goedgekeurd internationaal register: volgens het hof keurt de VN dergelijke registers voor vrijwillige CO₂-emissierechten niet goed. Van de overige ten laste gelegde mededelingen acht het hof niet bewezen dat zij vals of in strijd met de waarheid zijn.
Desondanks spreekt het hof de verdachte vrij van het ten laste gelegde gebruik van een vals of vervalst geschrift. Voor artikel 225 lid 1 Sr moet het geschrift naar zijn aard, functie en inhoud een bewijsbestemming hebben: eraan moet in het maatschappelijk verkeer zodanige betekenis worden toegekend dat een gemiddelde burger of bepaalde maatschappelijke instanties daarop als bewijs plegen te vertrouwen. De brochure voldoet daar volgens het hof niet aan. Zij bevat wel feitelijke mededelingen waarvan een potentiële belegger mag verwachten dat zij juist zijn, maar bestaat qua inhoud overwegend uit wervende reclame-uitingen en financieel rooskleurige toekomstperspectieven. Haar functie is vooral potentiële investeerders te interesseren voor de aankoop van carbon credits en niet hen te informeren over wederzijdse rechten en verplichtingen; ook naar haar aard is zij vooral een reclamemiddel. Daarbij bevat de brochure een risicowaarschuwing waarin zij zelf als promotiemateriaal wordt aangeduid en wordt vermeld dat zij niet als leidraad voor investeringsbeslissingen is bedoeld. Dat sommige beleggers daadwerkelijk vertrouwen aan de brochure ontlenen en mede daardoor investeren, geeft het document op zichzelf nog geen bewijsbestemming in de zin van artikel 225 Sr. Het hof spreekt de verdachte daarom vrij van feit 2. Voor de twee overige reeds bewezenverklaarde feiten, waaronder beleggingsfraude en deelname aan een criminele organisatie, legt het hof een gevangenisstraf van negen maanden op; daarbij wordt de straf gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof dient de inhoud en karakteristieken van de brochure ‘ [tekst] ’ objectief vast te stellen. In deze brochure doet [bedrijf 1] Ltd. mededelingen van verschillende aard.
Enerzijds doet [bedrijf 1] Ltd. in deze brochure mededelingen die als (louter) reclame-uitingen kunnen worden gekenmerkt. Een aantal voorbeelden: “Actief participeren in minder vervuiling, met een uitstekend verwacht rendement (…) Met onze kennis van de markt en een full service dienstverlening streven wij naar een hoog rendement op schone lucht (…) Wij zijn uw gesprekspartner; zakelijk, discreet en verantwoord (…) Aandacht voor de markt en voor de klant, daar zijn wij goed in. Dat is wat ons onderscheidt. [bedrijf 1] biedt u deze kans met een team van bevlogen professionals. Keuze voor onze consultants vertaalt zich in de praktijk in een professioneel advies met oog voor detail en gericht op de relatie. De focus van onze dienstverlening en producten is helder; het optimaliseren van uw rendement op emissierechten, een product met winstpotentieel (…) [bedrijf 1] biedt u met VER’s interessante winstkansen op lange termijn. De handel in emissierechten is een van de snelst groeiende markten; nu is het instapmoment (…) Deze marktsituatie zorgt voor een unieke mogelijkheid. De algemene verwachting is, simpel gezegd, dat VER’s nooit goedkoper zullen worden dan ze nu zijn (…) De algemene verwachting is dat de marktvolumes voor VER’s tussen 2012 en 2020 sterk zullen groeien” (D-527, pp. 2-6). De brochure sluit af met een ‘risicowaarschuwing’ waarin staat dat dit document slechts tot doel heeft inleidende en achtergrondinformatie te verschaffen en niet is bedoeld als leidraad voor het nemen van beslissingen; het betreft ‘promotiemateriaal’ dat niet dient te worden beschouwd als verkoopaanbod van [bedrijf 1] Ltd. en aangeraden wordt advies in te winnen bij eigen adviseurs (D-527, p. 8).
Anderzijds doet [bedrijf 1] Ltd. in deze brochure ook mededelingen waarvan een potentiële belegger mag veronderstellen dat deze op waarheid berusten. Naast de hiervoor besproken valse mededelingen die deels betrekking hebben op het bedrijf (wereldspeler die al geruime tijd actief is) en deels op het product (credits bijgehouden in erkend register geautoriseerd door de Verein zur Qualitätssicherung von Finanzdienstleistungen), betreft dat bijvoorbeeld: “Zodra uw aankoop is voltooid, zullen wij uw carbon credits transfereren naar uw rekening bij [bedrijf 2] AG en voorzien wij u van een unieke login code zodat u altijd toegang heeft tot uw carbon creditrekening. U heeft zelf de volledige controle over uw carbon credits en kunt [bedrijf 2] AG op elk moment de opdracht geven deze te transfereren naar een andere rekening indien u besluit deze te verkopen danwel te gebruiken voor een CO2-uitstoot afkoop. Niemand kan over uw carbon credits beschikken zonder uw uitdrukkelijke toestemming” (D-527, p. 6).
Het hof is van oordeel dat [bedrijf 1] Ltd. in de brochure ‘ [tekst] ’, qua inhoud, in overwegende mate wervende reclame-uitingen doet en financieel rooskleurige toekomstperspectieven schetst waar het haar eigen product betreft. De functie van het geschrift als geheel is potentiële investeerders interesseren in (de aankoop van) carbon credits van [bedrijf 1] Ltd. en niet (zozeer) hen te informeren over de wederzijdse rechten en plichten. Tot slot is de aard van de brochure overwegend wervend en daarmee vooral een reclamemiddel.
Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat deze brochure niet kan worden aangemerkt als een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer zodanige betekenis pleegt te worden toegekend, dat sprake is van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen in de zin van artikel 225, eerste lid, Sr. De omstandigheid dat er beleggers zijn die wél vertrouwen (verklaren te) hebben gesteld in deze brochure, en (mede) op basis daarvan met [bedrijf 1] Ltd. in zee zijn gegaan, brengt op zichzelf de bewijsbestemming als bedoeld in voornoemde zin, niet met zich.