RB
Gepubliceerd op donderdag 5 november 2026
RB 4177
Rechtspraak (NL/EU) ||
21 okt 2026,
Rechtspraak (NL/EU) 21 okt 2026,, RB 4177; ECLI:NL:RBAMS:2026:10277 (Macedonian Thrace Brewery tegen Heineken en Athenian Brewery), https://www.reclameboek.nl/artikelen/heineken-en-athenian-brewery-moeten-111-miljoen-betalen-wegens-misbruik-machtspositie-op-griekse-biermarkt

Heineken en Athenian Brewery moeten € 111 miljoen betalen wegens misbruik machtspositie op Griekse biermarkt

Rb. Amsterdam 21 oktober 2026, RB 4177; ECLI:NL:RBAMS:2026:10277 (Macedonian Thrace Brewery tegen Heineken en Athenian Brewery). In deze zaak tussen Macedonian Thrace Brewery (MTB) en Heineken en haar Griekse dochteronderneming Athenian Brewery (AB) staat een schadevordering centraal wegens misbruik van een economische machtspositie op de Griekse biermarkt. De Griekse mededingingsautoriteit heeft eerder vastgesteld dat AB tussen 1998 en 2014 concurrenten heeft uitgesloten door onder meer exclusiviteitsafspraken, loyaliteitskortingen en discriminerende behandeling van afnemers. Deze praktijken vonden plaats bij horecagelegenheden, groothandels en supermarkten. MTB stelt hierdoor omzet en winst te zijn misgelopen en vordert schadevergoeding van AB en haar moedervennootschap Heineken.

De rechtbank stelt vast dat Heineken en AB hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die MTB door het machtsmisbruik heeft geleden. In eerdere tussenvonnissen is geoordeeld dat Heineken beslissende invloed uitoefende op AB en dat beide vennootschappen daarom één onderneming vormen in de zin van artikel 102 VWEU. Bij de schadebegroting volgt de rechtbank grotendeels de berekening van MTB, waarbij wordt uitgegaan van de situatie waarin het machtsmisbruik niet zou hebben plaatsgevonden. In die situatie zou MTB eerder een hoger verkoopvolume hebben bereikt en haar bier tegen een hogere prijs hebben kunnen verkopen. Wel moet bij de berekening rekening worden gehouden met accijnsverhogingen die geen verband houden met de inbreuk. De rechtbank stelt de geleden schade vast op € 43.337.000. Daarnaast oordeelt zij, mede op basis van recente rechtspraak van het Hof van Justitie, dat MTB recht heeft op rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De rente bedraagt tot 1 oktober 2026 € 67.887.000. Volgens de rechtbank leidt dit niet tot overcompensatie, omdat het grote rentebedrag voortvloeit uit de langdurige inbreuk en de daaropvolgende procedures. Heineken en AB worden daarom hoofdelijk veroordeeld tot betaling van in totaal € 111.224.000, vermeerderd met verdere rente. Daarnaast moeten zij € 800.000 aan kosten van de economisch deskundige van MTB vergoeden.

5.19 Wel stellen Heineken en AB nog dat deze (nieuwe) renteberekening en -beslissing tot ontoelaatbare overcompensatie leidt. Zij voeren daartoe aan dat de rente bijna twee derde van het gevorderde schadebedrag uitmaakt. Het grote tijdsverloop dat deze disproportionele verhouding heeft veroorzaakt is niet aan Heineken en AB toe te rekenen. Heineken en AB wijzen er in het bijzonder op dat zowel de openbare orde als het unierechtelijke verbod op overcompensatie in de weg staat aan toewijzing van litigation interest, de verhoging met twee procentpunten vanaf het moment van dagvaarding.

5.20 De rechtbank volgt Heineken en AB niet in dit betoog. Dat de rentevergoeding het grootste deel uitmaakt van de schadeveroordeling, is een gevolg van de lange duur van de inbreuk en van de doorgaans lange duur van het bestuursrechtelijke handhavingstraject bij inbreuken op de mededinging en het daaropvolgende civielrechtelijke traject met een follow on-procedure. Het grote aandeel aan rente in de veroordeling is dus een niet ongebruikelijk gevolg van de rechtsgang bij inbreuken op de mededinging, en kan daarom niet als overcompensatie worden beschouwd. De litigation interest kan ook niet als overcompensatie worden beschouwd. Litigation interest is een verhoging van de rentevergoeding met twee procentpunt vanaf het moment van dagvaarding. Die keuze van de Griekse wetgever, kennelijk ter aansporing van de aangesproken partij, is voorbehouden aan de Griekse wetgever en de rentevergoeding die daar het gevolg van is kan ook niet als excessief worden beschouwd.