RB
Gepubliceerd op dinsdag 13 oktober 2026
RB 4158
Rechtspraak (NL/EU) ||
22 sep 2026,
Rechtspraak (NL/EU) 22 sep 2026,, RB 4158; ECLI:NL:RBAMS:2026:9609 ([eiser] tegen gedaagden), https://www.reclameboek.nl/artikelen/geld-terug-garantie-bij-bkr-verwijdering-leidt-tot-oneerlijke-handelspraktijk-bij-weigering-terugbetaling

Geld-terug-garantie bij BKR-verwijdering leidt tot oneerlijke handelspraktijk bij weigering terugbetaling

Rb. Amsterdam 22 september 2026, IT 4158; ECLI:NL:RBAMS:2026:9609 ([eiser] tegen gedaagden). De rechtbank oordeelt dat een onderneming die adverteert met een 100%-geld-terug-garantie voor het verwijderen van negatieve BKR-registraties, maar weigert terug te betalen wanneer het beoogde resultaat uitblijft, een oneerlijke handelspraktijk verricht. Een consument had in totaal € 6.406 betaald voor dienstverlening gericht op het verwijderen van zijn BKR-registratie. Ondanks de verrichte werkzaamheden en de betrokkenheid van een advocaat werd de registratie niet verwijderd. De onderneming weigerde vervolgens het betaalde bedrag terug te betalen en beriep zich op een bepaling in de overeenkomst waarin stond dat slechts sprake was van een inspanningsverplichting en geen garantie op resultaat kon worden gegeven. Volgens de kantonrechter kan een onderneming die klanten aantrekt met een expliciete en ongeclausuleerde geld-terug-garantie, zich niet achteraf beroepen op een andersluidende bepaling in de overeenkomst.

De kantonrechter stelt vast dat de onderneming onvoldoende heeft onderbouwd dat de garantie nog niet op haar website stond toen de consument de overeenkomsten sloot. Daarom wordt ervan uitgegaan dat de onderneming ook destijds met de garantie adverteerde. Eventuele beperkingen of voorwaarden had zij bovendien voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten duidelijk aan de consument moeten meedelen. Dat de onderneming wel bepaalde resultaten had bereikt, waaronder de verwijdering van een registratie in het Interne Verwijzingsregister (IVR), doet niet af aan het feit dat de BKR-registratie niet was verwijderd. De kantonrechter concludeert dat sprake is van een oneerlijke handelspraktijk en dat de daardoor tot stand gekomen overeenkomsten op grond van artikel 6:193j lid 3 BW vernietigbaar zijn. De consument heeft de overeenkomsten rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd. De onderneming wordt daarom veroordeeld tot terugbetaling van € 6.406, vermeerderd met wettelijke rente over € 5.552,95 vanaf 3 december 2025, en tot betaling van € 652,65 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vorderingen tegen de overige gedaagden worden afgewezen, omdat onvoldoende is gesteld om bestuurdersaansprakelijkheid aan te nemen.

Oneerlijke handelspraktijk

4.1.

Omdat [gedaagde 1] handelaar is en [eiser] de overeenkomsten als consument heeft gesloten, is het consumentenrecht, waaronder de wettelijke bepalingen over oneerlijke handelspraktijken, van toepassing. In de wet staat dat een handelaar onrechtmatig jegens een consument handelt indien hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is.1 Van een oneerlijke handelspraktijk is sprake als (a) een handelaar handelt in strijd met de vereisten van professionele toewijding en (b) het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar is beperkt of kan worden beperkt, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen. Een handelspraktijk is (onder meer) in het bijzonder oneerlijk als een handelaar een misleidende handelspraktijk verricht.2

4.2.

Vast staat dat [gedaagde 1] op haar website momenteel adverteert met een ‘geen resultaat, 100% geld terug garantie’ (hierna: de succes-garantie). Een dergelijke garantie wordt ook wel ‘no cure, no pay’ genoemd en kan misleidend zijn op het moment dat de handelaar weigert om het geld terug te betalen als het gewenste resultaat niet is bereikt. [eiser] heeft betoogd dat hij de overeenkomsten vanwege de succes-garantie is aangegaan. Volgens [gedaagde 1] klopt dat niet, omdat de succes-garantie volgens haar toen nog niet op haar website stond. Maar [gedaagde 1] heeft dat standpunt verder op geen enkele wijze onderbouwd. Dat had tegenover de gemotiveerde stellingen van [eiser] wel op haar weg gelegen. Dat geldt in dit geval eens te meer, nu de bewijslast op [gedaagde 1] als handelaar ligt. 3 Omdat [gedaagde 1] haar standpunt onvoldoende heeft onderbouwd, wordt daaraan voorbijgegaan en wordt aan nadere bewijslevering niet toegekomen. Bij die stand van zaken wordt er dan ook vanuit gegaan dat [gedaagde 1] ook al met de succes-garantie adverteerde op het moment dat [eiser] de overeenkomsten sloot.