6 mrt 2026,
Gefaseerde verkoop elektronisch verhittingsapparaat geldt als verboden reclame
Rb. Rotterdam 6 maart 2026, RB 4113; ECLI:NL:RBROT:2026:2805 ([eiseres] tegen [verweerder]). In deze zaak komt [eiseres] op tegen een bestuurlijke boete van € 45.000 wegens overtreding van het reclameverbod uit art. 5 lid 1 Tabaks- en rookwarenwet (Trw). [eiseres] bood een elektronisch verhittingsapparaat via een speciale actie aan voor € 3, waarmee consumenten het apparaat veertien dagen konden uitproberen. Daarna konden zij het apparaat binnen zeven dagen kosteloos retourneren of houden. In dat laatste geval werd 31 dagen na de eerste betaling automatisch het resterende bedrag van € 26 afgeschreven. [eiseres] stelt dat sprake is van een reguliere vorm van gefaseerde koop, namelijk huurkoop, en niet van reclame. De consument betaalt bij behoud van het apparaat immers uiteindelijk hetzelfde bedrag als bij een reguliere aankoop.
De rechtbank oordeelt dat de gefaseerde verkoop wel onder het ruime reclamebegrip van art. 1 lid 1 Trw valt. De mogelijkheid om het apparaat voor € 3 uit te proberen vormt een laagdrempelige instapactie die consumenten ertoe verleidt het product te proberen met als doel de verkoop ervan te bevorderen. Dat de uiteindelijke prijs gelijk is aan die bij een reguliere verkoop verandert dat niet. Bij een normale aankoop kon het product bovendien alleen bij onvolkomenheden worden geretourneerd, terwijl de actie consumenten de mogelijkheid gaf het apparaat na de proefperiode kosteloos terug te sturen. Daarmee gaat de actie verder dan het enkel mogelijk maken van verkoop en vormt zij volgens de rechtbank een marketingmethode of promotietechniek die de behoefte aan het product aanwakkert. Dat gefaseerde aankoop op zichzelf een reguliere koopvorm is, maakt dit niet anders. De actie valt niet onder een wettelijke uitzondering op het reclameverbod. Ook het beroep op het rechtszekerheids- en lex-certa-beginsel slaagt niet, omdat voorzienbaar was dat deze verkoopwijze tot doel had de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen. [verweerder] heeft de boete daarom terecht opgelegd. Omdat de redelijke termijn uit art. 6 EVRM met ruim twee maanden is overschreden, verlaagt de rechtbank de boete met 5% tot € 42.750. Het beroep is uitsluitend om die reden gegrond.
4.3. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de handelswijze waarbij het [merknaam 1] apparaat gefaseerd kan worden aangekocht, moet worden gezien als een laagdrempelige instapactie, waarmee consumenten worden verleid tot het uitproberen van het [merknaam 1] apparaat, met als doel de verkoop van dit product te bevorderen. Dat de consument uiteindelijk hetzelfde bedrag betaalt voor de [merknaam 1] bij een reguliere verkoop doet hier niet aan af, omdat dit onverlet laat dat dezelfde consument met het aantrekkelijke instapaanbod wordt verleid het apparaat te proberen. Daarbij kan de bedoeling van eiseres niet anders zijn dan dat de consument het product behoudt waarna de volledige verkoop wordt afgerond. Overigens volgt de rechtbank eiseres niet in haar standpunt dat de voorwaarden voor het overige gelijk zijn, omdat zij zelf heeft aangegeven dat bij reguliere verkoop het product uitsluitend geretourneerd kan worden bij onvolkomenheden, terwijl dat bij de gefaseerde aankoop niet het geval is. Ook daarmee wordt de consument verleid om het product tegen een kleine vergoeding te proberen. Gelet hierop stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de gefaseerde verkoop van het [merknaam 1] apparaat geen ander doel kan hebben om consumenten over de drempel te trekken het product aan te schaffen. Al met al volgt de rechtbank eiseres dus niet voor zover zij stelt dat hier sprake is van handelingen die niet meer doen dan de verkoop van tabaksproducten mogelijk maken. In geval van de gefaseerde aankoop komt daar een element bij, namelijk een laagdrempelige verleiding om de [merknaam 1] uit te proberen, voordat en zodat tot daadwerkelijke aankoop wordt overgegaan. Juist dat element maakt dat deze actie verder gaat dan reguliere verkoophandelingen. Verweerder heeft het op deze wijze aanbieden van de [merknaam 1] dan ook terecht aangemerkt als een handeling in de economische sfeer met als doel de verkoop van tabaksproducten of aanverwante producten te bevorderen.
5.3. Naar het oordeel van de rechtbank stelt [verweerder] zich terecht op het standpunt dat uit de memorie van toelichting als ook uit de tekst van de artikelen 6.2 tot en met 6.7 van de Trr moet worden afgeleid dat de uitzondering voor reclame in tabaksspeciaalzaken ziet op (het plaatsen en/of bevestigen van) fysieke reclame-uitingen in en aan tabaksspeciaalzaken. Bevestiging daarvoor kan worden gevonden in de onder 5.2 opgenomen passage waarin staat dat de reclame-uitingen alleen zijn toegestaan in en aan de voorgevel. Daarnaast wordt in de artikelen 6.2 tot en met 6.7 waarin de voorschriften zijn opgenomen waaraan reclame in een uitgezonderde speciaalzaak moet voldoen, gesproken over ‘aanbrengen’, ‘voorzien van’, ‘getoond’, ‘geplaatst of bevestigd’, wat er veeleer op duidt dat het om een fysieke boodschap of duiding moet gaan.
5.3.1. Gelet op het vorenstaande is de uitzondering voor reclame in tabaksspeciaalzaken dus beperkt tot fysieke reclame-uitingen. In de wetsgeschiedenis noch in de tekst van de Trw en Trr ziet de rechtbank aanknopingspunten voor het door eiseres ingenomen standpunt dat ook niet fysieke uitingen onder de reikwijdte van de uitzondering zouden moeten vallen. Het allesomvattende reclamebegrip en de beperkte uitzonderingen op het reclameverbod brengen naar het oordeel van de rechtbank met zich dat er geen ruimte is voor uitbreiding van de expliciet in de wet opgenomen uitzonderingen op het reclameverbod. De door eiseres voorgestelde lezing zou de uitzondering voor reclame in tabaksspeciaalzaken te ver oprekken en dat is niet de bedoeling van de wetgever geweest. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd over koppelverkoop ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel, temeer ook omdat het daarbij slechts gaat om het fysiek koppelen van één of meerdere producten bij de aanschaf van een tabaks- of aanverwant product.
6. Gelet op het vorenstaande heeft [verweerder] zich terecht op het standpunt gesteld dat de gefaseerde verkoop van de [merknaam 1] is aan te merken als een handeling in de economische sfeer met als doel om de verkoop van aanverwante producten en tabaksproducten te bevorderen en daarmee is aan te merken als reclame. Op deze handeling is de uitzondering voor reclame in tabaksspeciaalzaken, als bedoeld in artikel 5, zesde lid, aanhef en onder b, van de Trw, niet van toepassing. Daarmee is komen vast te staan dat eiseres artikel 5, eerste lid, van de Trw heeft overtreden, zodat [verweerder] op grond van artikel 11b, eerste lid, van de Trw bevoegd was om eiseres een bestuurlijke boete op te leggen.