21 mei 2026,
Geen reclamebelasting na beëindiging onderneming: geen openbare aankondiging in fiscale zin
Rb. Limburg 21 mei 2026, RB 4092; ECLI:NL:RBLIM:2026:5000 (belanghebbende tegen de heffingsambtenaar). Belanghebbende huurde een bedrijfsruimte in Valkenburg aan de Geul voor zijn onderneming, die op 31 december 2024 werd beëindigd. De huurovereenkomst liep nog door tot 28 februari 2025; in de tussenliggende periode werd het pand uitsluitend ontruimd om het leeg op te leveren. Voor belastingjaar 2025 legde de heffingsambtenaar onder meer aanslagen onroerendezaakbelasting voor gebruikers en reclamebelasting op. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende op 1 januari 2025 nog als gebruiker van de onroerende zaak kon worden aangemerkt. Onder ‘gebruik’ wordt verstaan het metterdaad bezigen van een onroerende zaak ter bevrediging van de eigen behoeften, en ook het ontruimen van het pand valt daar in dit geval onder. Omdat de OZB-gebruikersbelasting een tijdstipbelasting is, is degene die de zaak op 1 januari gebruikt voor het gehele kalenderjaar belastingplichtig. De aanslag OZB-gebruiker is daarom terecht opgelegd.
Ten aanzien van de reclamebelasting oordeelt de rechtbank anders. Op grond van art. 227 Gemeentewet kan reclamebelasting worden geheven voor vanaf de openbare weg zichtbare aankondigingen. Volgens vaste rechtspraak omvat het begrip ‘openbare aankondiging’ niet alleen reclame in enge zin, maar iedere tot het publiek gerichte commerciële of ideële mededeling waarmee de aandacht wordt gevestigd op een dienst, product of boodschap. Omdat de onderneming reeds vóór aanvang van het belastingjaar was beëindigd, was er op 1 januari 2025 geen dienst, product of boodschap meer waarvoor nog de belangstelling van het publiek kon worden getrokken. Daarom was geen sprake van een openbare aankondiging als bedoeld in art. 2 van de Verordening reclamebelasting Valkenburg aan de Geul. De aanslag reclamebelasting is dus ten onrechte opgelegd. Het beroep wordt gegrond verklaard voor zover het die aanslag betreft; zowel het primaire als het bestreden besluit worden op dat onderdeel vernietigd en de heffingsambtenaar moet het griffierecht van € 53 vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
13. Naar de rechtbank begrijpt, betwist belanghebbende dat er sprake is van een belastbaar feit.
14. De rechtbank overweegt dat reclamebelasting wordt geheven voor een ‘openbare aankondiging’. Gelet op vaste jurisprudentie2 dient onder een ‘openbare aankondiging’ alle tot het publiek gerichte mededelingen te worden verstaan, die erop zijn gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wat wordt aangekondigd. Onder het voorgaande dient echter niet slechts reclame in enge zin te worden aangemerkt, maar ook elke tot het publiek gerichte mededeling van commerciële dan wel ideële aard waarmee de aandacht wordt getrokken voor een dienst, een product of een boodschap.3
15. De rechtbank stelt voorop dat de onderneming van belanghebbende vóór het begin van het belastingjaar was beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank was er aan het begin van het belastingjaar geen dienst, product of boodschap meer aanwezig waarvoor de belangstelling van het publiek nog kon worden getrokken. Van een ‘openbare aankondiging’ als bedoeld in artikel 2 van de Verordening Reclamebelasting was naar het oordeel van de rechtbank toen ook geen sprake meer.
16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar ten onrechte een aanslag reclamebelasting heeft opgelegd.