RB
Gepubliceerd op vrijdag 12 juni 2026
RB 4023
Rechtspraak (NL/EU) ||
12 jun 2026
Rechtspraak (NL/EU) 12 jun 2026, RB 4023; ECLI:NL:HR:2026:919 (Rockwool tegen Kingspan), https://www.reclameboek.nl/artikelen/geen-ongeoorloofde-vergelijkende-reclame-bij-pleidooi-voor-brandveiligheidstoetsing-op-gevelsysteemniveau

Geen ongeoorloofde vergelijkende reclame bij pleidooi voor brandveiligheidstoetsing op gevelsysteemniveau

HR 12 juni 2026, IEF 23620; RB 4023; ECLI:NL:HR:2026:919 (Rockwool tegen Kingspan). In dit arrest beoordeelt de Hoge Raad het cassatieberoep van Rockwool tegen het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 24 september 2024 [IEF 22293], voor zover dat betrekking had op opmerkingen van een Kingspan-medewerker tijdens de NEN Studiedagen Brandveiligheid Gevels. Rockwool, producent van steenwolisolatie met Euro-brandklasse A1, stelde dat Kingspan, producent van kunststofisolatie met Euroklasse B of lager, zich met die opmerkingen schuldig had gemaakt aan ongeoorloofde vergelijkende reclame. De Kingspan-medewerker had betoogd dat de brandveiligheid van gevels niet uitsluitend moet worden beoordeeld aan de hand van de brandklasse van afzonderlijke materialen, maar op het niveau van het volledige gevelsysteem. Daarbij wees hij op BS8414-systeemtests waaruit bleek dat een gevelsysteem met materialen met Euroklasse C en B een test kon doorstaan, terwijl een gevelsysteem met materialen met Euroklasse A1 en A2, waaronder Rockwool Duoslab-isolatie, een test had gefaald. Volgens Rockwool werden daarmee producten uit verschillende productgroepen op niet-objectieve wijze vergeleken en testresultaten ten onrechte als gelijkwaardig gepresenteerd. De rechtbank volgde Rockwool op dit punt, maar het hof oordeelde dat de opmerkingen wel vergelijkende reclame in de zin van art. 6:194a BW vormden, omdat zij mede de afzet van Kingspan-producten bevorderden, maar niet ongeoorloofd waren.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Volgens de Hoge Raad heeft het hof begrijpelijk geoordeeld dat de kern van de presentatie beperkt was tot het punt dat de brandveiligheid van een gevel afhangt van het systeem als geheel en niet uitsluitend van de Euroklasse van de afzonderlijke materialen. De besproken tests mochten in dat verband worden gebruikt als illustratie van het belang van systeemtesten, en niet als vergelijking van de brandveiligheid van de gebruikte isolatiematerialen als zodanig. Daarom was het niet onbegrijpelijk dat het hof de vergelijking objectief en niet misleidend achtte, ondanks verschillen tussen de testopstellingen en ondanks het feit dat die verschillen in de presentatie niet waren vermeld. Daarbij speelde mee dat beide tests volgens een geaccepteerde testmethode, door een onafhankelijk instituut en op correcte wijze waren uitgevoerd. Evenmin suggereerde de presentatie volgens het hof dat de Euroklasse-indeling onbetrouwbaar was of dat materiaalkeuze irrelevant is voor brandveiligheid. De klachten over niet-vermelde afwijkende testresultaten falen eveneens, omdat het hof de desbetreffende stellingen van Rockwool kennelijk mocht opvatten als betrekking hebbend op andere uitlatingen en omdat zij niet afdoen aan de beperkte strekking van de presentatie. De overige klachten worden verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Daarmee blijft het oordeel van het hof in stand: de uitingen tijdens de NEN Studiedagen kwalificeren als vergelijkende reclame, maar niet als ongeoorloofde vergelijkende reclame.

3.2.2

In rov. 5.15 heeft het hof geoordeeld dat het betoog van [betrokkene] geen ongeoorloofde vergelijkende reclame oplevert. Daarbij is het hof ingegaan op de testresultaten die [betrokkene] heeft besproken in het kader van zijn pleidooi voor testen op systeemniveau. Het hof heeft onder ogen gezien dat bij de test geen sprake was van vergelijkbare omstandigheden – zoals Rockwool had aangevoerd. Dat doet volgens het hof evenwel niet af aan het punt dat [betrokkene] bij zijn presentatie maakte, namelijk dat de focus op de classificatie van afzonderlijke materialen tot schijnveiligheid leidt en grootschalige systeemtests nodig zijn om de brandveiligheid te testen. Het neemt volgens het hof ook niet weg dat hier wel op objectieve wijze relevante kenmerken van de producten met elkaar worden vergeleken. Daarbij heeft het hof relevant geacht dat beide tests volgens een geaccepteerde testmethode (BS8414), door een onafhankelijk instituut en op correcte wijze zijn uitgevoerd. Dat verschillen tussen de testopstellingen in de presentatie niet zijn genoemd, betekent niet dat van een objectieve vergelijking geen sprake meer is of dat de gemaakte vergelijking misleidend is, aldus het hof. In rov. 5.16 heeft het hof daaraan toegevoegd dat in de presentatie van [betrokkene] niet wordt gesuggereerd dat de Euroklasse-indeling geen betrouwbare informatie over de brandprestaties van de materialen zou geven en/of dat het voor de brandveiligheid van een gevel geen enkel verschil zou maken welke materialen worden gebruikt. Dat kan op basis van deze gegevens volgens het hof natuurlijk ook niet worden gezegd. Er wordt alleen mee geïllustreerd dat voor de brandveiligheid van een gevel niet alleen de afzonderlijke brandprestaties van de gevelbekleding en het isolatiemateriaal van belang zijn, maar ook andere factoren, en dat het daarom nodig is de gehele constructie te testen, aldus het hof.

3.3.4

De klachten van deze onderdelen falen. Het hof heeft de genoemde testen betrouwbaar geacht ter vergelijking van de brandveiligheid van de gebruikte gevelconstructie, ter illustratie van het punt van [betrokkene] dat de focus op de classificatie van afzonderlijke materialen tot schijnveiligheid leidt en dat grootschalige systeemtesten nodig zijn om de brandveiligheid van een gevelconstructie te testen, en niet ter vergelijking van de brandveiligheid van de gebruikte materialen zelf. Het is niet onbegrijpelijk dat naar het oordeel van het hof de bezwaren van Rockwool tegen de objectiviteit van de BS8414-methode – die het hof in rov. 5.15 onder ogen heeft gezien – niet konden afdoen aan de relevantie van de resultaten van die test voor het betoog van [betrokkene] over het belang van testen van het gehele gevelsysteem. Het hof heeft onderkend dat uit de test niet volgt dat de brandveiligheid van het gebruikte materiaal geen verschil maakt voor de brandveiligheid van een gevelconstructie (rov. 5.16). Dat heeft [betrokkene] ook niet betoogd, zo ligt in het oordeel van het hof besloten.

3.5

Deze klachten falen. Het hof heeft kennelijk het betoog van Rockwool in de door het middel genoemde vindplaatsen aldus gelezen, dat het geen betrekking had op de door [betrokkene] gegeven presentatie, maar op andere uitlatingen. Die lezing is niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat de stellingen van Rockwool niet afdoen aan hetgeen het hof heeft overwogen over de beperkte strekking van de presentatie van [betrokkene] (zie hiervoor in 3.3.2), te weten dat voor het bepalen van brandveiligheid het gehele systeem moet worden getest, omdat zowel materialen met classificatie C+B als materialen met classificatie A1 en A2 onder omstandigheden kunnen falen en onder omstandigheden kunnen slagen bij een grootschalige geveltest.