RB
Gepubliceerd op vrijdag 12 juni 2026
RB 4024
Rechtspraak (NL/EU) ||
20 mei 2026
Rechtspraak (NL/EU) 20 mei 2026, RB 4024; ECLI:NL:RBLIM:2026:5128 ([lessee 1] tegen Dexia), https://www.reclameboek.nl/artikelen/dexia-volledig-aansprakelijk-wegens-verboden-advisering-door-tussenpersoon-geen-aanspraak-meer-op-afgewikkelde-overeenkomst-ex-echtgenote

Dexia volledig aansprakelijk wegens verboden advisering door tussenpersoon; geen aanspraak meer op afgewikkelde overeenkomst ex-echtgenote

Rb. Limburg 20 mei 2026, RB 4024; ECLI:NL:RBLIM:2026:5128 ([lessee 1] en Dexia). In deze effectenleasezaak vordert de afnemer schadevergoeding van Dexia naar aanleiding van twee Capital Effect-overeenkomsten uit 1998, waarvan één op naam van zijn inmiddels ex-echtgenote stond en één op zijn eigen naam. De kantonrechter sluit aan bij de vaste Dexia-jurisprudentie en stelt voorop dat sprake is van huurkoop en dat Dexia haar bijzondere zorgplichten heeft geschonden, in elk geval haar waarschuwingsplicht, zodat zij onrechtmatig heeft gehandeld. De andere door de afnemer aangevoerde grondslagen — dwaling, misleidende reclame, misbruik van omstandigheden en vernietigbaarheid op grond van de Wck — leiden niet tot toewijzing. De kantonrechter motiveert dat niet afzonderlijk, maar verwijst naar de vaste rechtspraak over effectenlease en overweegt dat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die een afwijking daarvan rechtvaardigen. De zaak wordt daarom niet beslist op de grond dat Dexia door reclame-uitingen een onjuiste of misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven, maar op de schending van haar zorgplicht en vooral op het contracteren ondanks verboden advisering door een tussenpersoon.

Ten aanzien van de overeenkomst op naam van de ex-echtgenote wordt de afnemer niet-ontvankelijk geacht. De ex-echtgenote had in 2021 met Dexia een vaststellingsovereenkomst gesloten en Dexia finaal gekweten. Omdat die overeenkomst uitsluitend op haar naam stond en partijen toen al bijna twintig jaar gescheiden waren, hoefde Dexia volgens de kantonrechter geen rekening meer te houden met een mogelijk nog onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap. De ex-echtgenote had na de vaststellingsovereenkomst geen vordering meer op Dexia die zij in 2024 nog aan de afnemer kon overdragen; als de afnemer meent nog aanspraken te hebben ter zake van die overeenkomst, moet hij zich tot zijn ex-echtgenote wenden. Voor de overeenkomst op naam van de afnemer zelf oordeelt de kantonrechter dat Dexia de schade volledig moet vergoeden. Vaststaat dat de overeenkomst tot stand is gekomen via Primaz Adviesgroep, een tussenpersoon zonder vergunning voor beleggingsadvies. De afnemer heeft voldoende concreet gesteld dat de tussenpersoon hem persoonlijk en productgericht heeft geadviseerd, terwijl Dexia dat onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dexia had bovendien behoren te weten hoe haar tussenpersonen werkten en had actief moeten navragen of sprake was van advisering. Door desondanks te contracteren heeft Dexia in strijd gehandeld met art. 41 NR 1999. Dat wordt haar zwaar aangerekend, zodat de billijkheid meebrengt dat de vergoedingsplicht geheel in stand blijft en geen deel van de schade op grond van art. 6:101 BW voor rekening van de afnemer komt. Dexia wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van de schade uit de overeenkomst op naam van de afnemer, bestaande uit de betaalde inleg en de eventuele niet-vergoede restschuld, onder verrekening van genoten voordelen en eerdere betalingen, vermeerderd met wettelijke rente. De buitengerechtelijke kosten, het exhibitieverzoek van de afnemer, het incidentele verzoek van Dexia om afgifte van het intakeformulier van Leaseproces en de reconventionele vorderingen van Dexia worden afgewezen.

algemeen
5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [lessee 1] .

5.2.

De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.1Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

5.3.

Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

er is sprake van huurkoop;

er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

[lessee 1] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;

er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.