RB
Gepubliceerd op dinsdag 8 september 2026
RB 4128
Rechtspraak (NL/EU) ||
26 aug 2026,
Rechtspraak (NL/EU) 26 aug 2026,, RB 4128; ECLI:NL:RBOVE:2026:5387 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/dealer-geen-contractspartij-geen-aansprakelijkheid-voor-gestelde-misleidende-handelspraktijk-rond-zwembad

Dealer geen contractspartij; geen aansprakelijkheid voor gestelde misleidende handelspraktijk rond zwembad

Rb. Overijssel 26 augustus 2026, RB 4128; ECLI:NL:RBOVE:2026:5387 ([eiser] tegen [gedaagde]). Een consument had voor de aankoop en plaatsing van een zwembad twee afzonderlijke overeenkomsten gesloten met een zwembadbouwer: een koopovereenkomst en een overeenkomst van aanneming. Hij stelde dat hij ervan mocht uitgaan dat deze zwembadbouwer namens de Nederlandse dealer/importeur van het zwembadmerk handelde, onder meer omdat hij na zijn keuze voor “totaalbouw” door de dealer naar deze partij was verwezen en op de offertes het logo van het zwembadmerk stond. De rechtbank volgt hem daarin niet. Volgens het Kribbebijter-criterium hangt de vraag of iemand in eigen naam of namens een ander handelt af van wat partijen jegens elkaar hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden. Uit de door de consument aangevoerde omstandigheden volgt niet dat hij mocht aannemen dat de zwembadbouwer als vertegenwoordiger van de dealer optrad. De offertes waren afkomstig van de zwembadbouwer, de koop- en aanneemsommen werden aan hem betaald en de consument richtte zijn klachten aanvankelijk ook tot hem. Daardoor komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of sprake was van schijn van volmachtverlening in de zin van artikel 3:61 lid 2 BW. Omdat de dealer geen partij was bij de overeenkomsten, wordt ook de gevorderde verklaring voor recht dat zij de precontractuele informatieplicht van artikel 6:230m BW heeft geschonden afgewezen.

Ook het beroep op een oneerlijke handelspraktijk leidt niet tot aansprakelijkheid van de dealer. De rechtbank laat in het midden of de algemene reclame en informatie op de website voor de gemiddelde consument als misleidend in de zin van artikel 6:193c BW kan worden aangemerkt. Zelfs als daarvan wordt uitgegaan en daarmee sprake zou zijn van een aan de dealer toerekenbare onrechtmatige daad, moet de consument aantonen dat causaal verband bestaat tussen de misleiding en zijn beslissing de koop- en aannemingsovereenkomst te sluiten. Dat heeft hij niet gedaan, omdat hij wist of had moeten weten dat hij met de zwembadbouwer contracteerde. Ook zijn veronderstelling dat die partij over het genoemde ProPiscines-label beschikte, komt niet voor rekening van de dealer. Daarnaast heeft de consument onvoldoende onderbouwd dat hij als gevolg van de inschakeling van de zwembadbouwer schade heeft geleden: in deze procedure staat noch vast dat het zwembad gebrekkig is, noch dat de zwembadbouwer onvindbaar, onverzekerd of financieel onvoldoende draagkrachtig is. De rechtbank wijst daarom alle vorderingen af en veroordeelt de consument tot betaling van € 2.209 aan proceskosten.

Oneerlijke handelspraktijk

2.12

Volgens [eiser] heeft [gedaagde] structureel misleidend gehandeld door zich op de site (zie hiervoor onder 2.5) te presenteren als de (ervaren, deskundige en over een ProPiscine-label beschikkende) partij waarmee zou worden gecontracteerd als zou worden gekozen voor totaalbouw. Dit brengt mee dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle schade die hij heeft geleden, lijdt en nog zal lijden als gevolg van de gebreken aan het zwembad, dat is verkocht en geplaatst door een (onvindbare, kennelijk onverzekerde en financieel niet draagkrachtige) zzp-er, aldus [eiser] .

2.13

Niet in geschil is dat [eiser] kwalificeert als consument in de zin van artikel 6:193a lid 1 onder a BW en [gedaagde] als handelaar in de zin van artikel 6:193a lid 1 onder

b BW. In artikel 6:193b BW is bepaald dat een handelaar onrechtmatig handelt jegens een consument indien hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is. Oneerlijke handelspraktijken vallen uiteen in misleidende en agressieve handelspraktijken.

Er kan (onder meer) worden gesproken van misleidende handelingen als er (kort gezegd) informatie wordt verstrekt die feitelijk onjuist is of die de gemiddelde consument misleidt of kan misleiden, al dan niet door de algemene presentatie van deze informatie, waardoor de gemiddelde consument (de maatman) een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen (artikel 6:193c lid 1 BW). Artikel 6:193a lid 1 onder e BW definieert een “besluit over een overeenkomst” als “een door een consument genomen besluit over de vraag of, en, zo ja, hoe en op welke voorwaarden hij een product koopt, geheel of gedeeltelijk betaalt, behoudt of van de hand doet, of een contractueel recht uitoefent in verband met het product, ongeacht of de consument overgaat tot handelen”. Deze definitie moet ruim worden uitgelegd, in die zin dat “besluit over een overeenkomst” niet alleen ziet op het besluit om een product al dan niet te kopen, maar ook op het besluit dat daarmee rechtstreeks verband houdt (zoals (bijvoorbeeld) de beslissing om door te klikken op een website naar aanleiding van een commercieel aanbod).

2.14

In casu is het niet mogelijk om (puur) naar aanleiding van de algemene informatie op de website een koop-, laat staan een aannemingsovereenkomst te sluiten (op de website zelf wordt geen “commercieel aanbod” gedaan). Om inzicht te krijgen in de verkrijgbare types zwembaden zal toch eerst – al dan niet na ontvangst van de brochure – contact moeten zijn met [gedaagde] , die vervolgens (bij een wens tot “totaalbouw”) doorverwijst naar een haar bekende aannemer. Daarmee is het de vraag of is voldaan aan het causaliteitsvereiste van artikel 6:193b BW (te weten dat het moet gaan om een oneerlijke handelspraktijk “waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen”).

2.15

Voormelde vraag kan echter onbeantwoord worden gelaten. Zelfs al zou de (niet-geïndividualiseerde) reclame/informatie kunnen worden aangemerkt als ten opzichte van een gemiddelde consument misleidend, dan is daarmee weliswaar sprake van een onrechtmatige daad die [gedaagde] kan worden toegerekend (de onder 2.5 weergegeven informatie op de website zal immers van haar afkomstig zijn c.q. refereert aan haar), maar [eiser] moet aantonen dat er sprake is van causaal verband tussen de misleiding en zijn beslissing tot het sluiten van de overeenkomsten.1 Dat heeft hij niet gedaan. Zoals hiervoor is overwogen, wist hij immers, althans had hij moeten weten dat hij zaken deed met [bedrijf 2] . Zijn veronderstelling dat [bedrijf 2] zou beschikken over een ProPiscine-label moet voor zijn rekening blijven, althans komt niet voor rekening van [gedaagde] . Weliswaar maakt [bedrijf 1] op haar website (zie onder 2.4) gewag van dit label (haar toegekend als zwembadbouwer in de zin van producent), maar op het deel van de website waarop informatie over [gedaagde] is vermeld (zie onder 2.5), is geen verwijzing naar dit label te vinden.

2.16

Tot slot geldt dat [eiser] slechts heeft gesteld, maar in het geheel niet heeft onderbouwd, dat hij schade heeft geleden ten gevolge van de inschakeling van [bedrijf 2] . Nog los van het feit dat in deze procedure allerminst als vaststaand kan worden aangenomen dat sprake is van gebreken aan het zwembad (gesteld noch gebleken is dat [bedrijf 2] een en ander heeft erkend) geldt dat evenmin is komen vast te staan dat [bedrijf 2] “onvindbaar, onverzekerd en financieel niet draagkrachtig genoeg” is (waarmee hij geen verhaal zou bieden voor eventuele schade, aldus [eiser] in punt 41 van zijn dagvaarding). Een verklaring voor recht dat [gedaagde] “gehouden is om aan [eiser] te vergoeden alle schade die hij heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, van welke aard en omvang ook, als gevolg van de levering en oplevering van een gebrekkig/ondeugdelijk zwembad en/of als gevolg van de gebrekkige en ondeugdelijke montage/plaatsing c.q. bouw daarvan” is ook daarom niet toewijsbaar.