22 apr 2026
CvB: “één op de vier kreupele melkkoeien” onvoldoende onderbouwd
CvB 22 april 2026, RB 4011; 2025/00515 ([klager] tegen Wakker dier). In deze zaak tussen een klager en Wakker Dier staat de vraag centraal of een radiocommercial, waarin wordt gesteld dat “één op de vier melkkoeien in Nederland kreupel is en strompelt naar de melkmachine”, misleidend is. De uiting maakt onderdeel uit van de zogenoemde sloopmelkcampagne en beoogt aandacht te vragen voor dierenwelzijn in de melkveehouderij. De klacht richt zich met name op de feitelijke juistheid van het genoemde percentage. Volgens klager is de stelling niet verifieerbaar en strookt deze niet met de praktijk. Wakker Dier voert aan dat de uiting is gebaseerd op een meta-analyse van 53 onderzoeken naar kreupelheid bij melkkoeien in Noordwest-Europa, waaruit een gemiddelde prevalentie van circa 28% volgt. In de commercial is dit percentage naar beneden afgerond naar “één op de vier” (25%) om voorzichtigheid te betrachten. De Reclame Code Commissie plaatst de uiting uitdrukkelijk in de context van een ideële, opiniërende campagne en erkent dat Wakker Dier ruime vrijheid van meningsuiting heeft in het maatschappelijk debat. Die vrijheid neemt echter niet weg dat concrete feitelijke claims de toets aan de Nederlandse Reclame Code moeten doorstaan. De Commissie oordeelt dat uit de meta-analyse niet voldoende duidelijk volgt dat het door Wakker Dier genoemde percentage specifiek voor Nederland geldt. Het onderzoek ziet op 11 landen in Noordwest-Europa en de prevalentie is – met name bij de “conservatieve” definitie van kreupelheid – sterk variabel. De specifieke Nederlandse situatie valt op basis van de publicatie niet goed te beoordelen. Dat Wakker Dier een “veiligheidsmarge” hanteert door van 28% naar 25% (één op vier) te gaan, verandert hier niets aan. De Commissie acht de uiting daarom in strijd met artikel 5 NRC, omdat zij het vertrouwen in reclame schaadt. In beroep bevestigt het College van Beroep dit oordeel. Het College stelt voorop dat Wakker Dier als maatschappelijke organisatie een ruime vrijheid heeft om een mening te verkondigen in het kader van een publiek debat. Die vrijheid wordt echter begrensd wanneer in reclame concrete, cijfermatige feiten worden gepresenteerd: dan moet de juistheid van die feiten tegenover een gemotiveerde betwisting aannemelijk worden gemaakt.
Volgens het College biedt de aangehaalde meta-analyse onvoldoende grondslag voor de stellige en absolute bewering dat in Nederland één op de vier melkkoeien kreupel is. De onderzoekers zelf spreken in termen van schattingen en waarschijnlijkheden en wijzen op aanzienlijke variatie tussen landen en bedrijven. Daarbij komt dat de meta-analyse – met een driegradige locomotieschaal en verschillende definities (“lenient” vs. “conservative”) – expliciet onderkent dat subjectieve keuzes worden gemaakt en dat er niet één “ware” prevalentie bestaat, maar meerdere valide perspectieven. De vertaling van deze onderzoeksresultaten in de radiocommercial mist die nuance: in de spot wordt zonder toelichting een absoluut percentage gepresenteerd (“één op de vier”), en die claim wordt extra stellig gemaakt doordat zij wordt gebracht als een rectificatie van een eerder – te laag – genoemd percentage (“wij hebben iets recht te zetten”). Bovendien vult de commercial “kreupelheid” concreet in als “strompelen”, waardoor bij het publiek het beeld ontstaat dat het gaat om een ernstige en duidelijk zichtbare vorm van kreupelheid. Een dergelijke hoge prevalentie van deze ernstige vorm volgt niet uit de meta-analyse of de toelichting van de onderzoekers. Het College concludeert dat de meta-analyse en de nadere toelichting onvoldoende basis bieden om in absolute zin (zonder nuancering of toelichting) te beweren dat in Nederland één op de vier melkkoeien kreupel is en “dagelijks strompelt naar de melkmachine”. De niet-accurate argumentatie kan het maatschappelijk debat over het welzijn van melkkoeien beïnvloeden en tot verwarring bij het publiek leiden. Daarmee wordt het vertrouwen in reclame geschaad en is de uiting in strijd met artikel 5 NRC. De beslissing van de Commissie wordt bevestigd en Wakker Dier wordt geadviseerd niet langer op deze wijze reclame te maken.
7.5. Volgens Wakker Dier hebben de onderzoekers in de meta-analyse gekozen voor een ‘soepele’ (“lenient”) definitie van kreupelheid waardoor geringe locomotie-afwijkingen niet als ‘kreupel’ zijn geclassificeerd. Niet uitgesloten kan echter worden dat desondanks de vaststelling door de onderzoekers van locomotie-verstoringen in belangrijke mate afwijkt van de perceptie van kreupelheid die het publiek heeft op grond van de volledige radiocommercial. In de commercial wordt kreupelheid ingevuld als strompelen (“Dagelijks strompelen deze harde werkers naar de melkmachine”). Geïntimeerde heeft meegedeeld dat hij de bewering dat één op de vier melkkoeien door kreupelheid strompelt niet herkent van eigen waarnemingen. Ook verwijst hij naar diverse door hem geraadpleegde personen, waaronder een dierenarts, die zouden hebben verklaard dat zij het in de radiocommercial genoemde percentage van 28% eveneens niet kunnen rijmen met eigen waarnemingen. Wat daarvan zij, door kreupelheid in de radiocommercial in te vullen als strompelen, zal het gemiddelde publiek aannemen dat één op de vier melkkoeien daadwerkelijk strompelt, dat wil zeggen in feite nauwelijks nog tot voortbewegen in staat is. Een dermate hoge prevalentie van deze ernstige vorm van kreupelheid volgt onvoldoende duidelijk uit de meta-analyse of uit de nadere toelichting van de onderzoekers
7.6. Het College oordeelt op grond van het voorgaande dat de meta-analyse en de nadere toelichting door de onderzoekers onvoldoende basis bieden om in absolute zin (zonder toelichting of nuancering) te beweren dat in Nederland één op de vier melkkoeien kreupel is en naar de melkmachine strompelt. Het College acht het denkbaar dat het maatschappelijke debat over het welzijn van melkkoeien door de niet-accurate argumentering wordt beïnvloed en ook tot verwarring bij het publiek kan leiden. Om die reden schaadt de uiting het vertrouwen in reclame en is zij in strijd met artikel 5 NRC. Wakker Dier heeft in het kader van de vrijheid van meningsuiting het recht om via reclame de publieke opinie te beïnvloeden ten gunste van haar visie over dierenwelzijn, maar zij dient dat op zorgvuldige wijze te doen. Evenals de Commissie is het College van oordeel dat niet aan deze eis is voldaan, zodat wordt beslist als volgt.