RB
Gepubliceerd op dinsdag 21 juli 2026
RB 4053
Rechtspraak (NL/EU) ||
9 jun 2026,
Rechtspraak (NL/EU) 9 jun 2026,, RB 4053; ECLI:NL:CBB:2026:253 ([naam 1] tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/animatie-voor-verhitte-tabak-valt-niet-onder-uitzondering-op-reclameverbod

Animatie voor verhitte tabak valt niet onder uitzondering op reclameverbod

CBb 9 juni 2026, RB 4053; ECLI:NL:CBB:2026:253 ([naam 1] tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). In een tabaksspeciaalzaak wordt op een lcd-scherm een animatie getoond voor een apparaat waarmee tabak wordt verhit en de daarbij behorende tabaksticks. De animatie bevat onder meer de mededeling “95% minder schadelijke stoffen vergeleken met sigaretten”, toont een vergelijking tussen het verhitte tabaksproduct en een brandende sigaret en vermeldt schadelijke stoffen alleen bij de sigaret. De verplichte gezondheidswaarschuwing “Tabaksproducten zijn dodelijk” ontbreekt in de animatie. Niet in geschil is dat de animatie reclame vormt in de zin van artikel 1 lid 1 Tabaks- en rookwarenwet en daarom in beginsel onder het reclameverbod van artikel 5 lid 1 Trw valt. De destijds geldende uitzondering voor reclame in een tabaksspeciaalzaak geldt alleen wanneer aan de voorschriften van de Tabaks- en rookwarenregeling is voldaan, waaronder het verbod om op enige wijze een positief verband met de gezondheid te leggen en de verplichting om reclame voor rookloze tabaksproducten van de voorgeschreven gezondheidswaarschuwing te voorzien.

Het College oordeelt dat niet aan deze voorwaarden is voldaan. De mededeling dat 95% minder schadelijke stoffen vrijkomen is volgens het College op zichzelf nog geen gezondheidsclaim, maar wekt door de context en de vormgeving van de gehele animatie wel de indruk dat het verhitte tabaksproduct minder ongezond is dan gewone sigaretten. Daarmee wordt een verboden positief verband met de gezondheid gelegd. De disclaimer dat minder schadelijke stoffen niet zonder meer gelijkstaat aan minder risico en dat het product niet risicovrij is, neemt die indruk niet weg. Ook volstaat een gezondheidswaarschuwing elders in de winkel niet: de waarschuwing moet in de reclame-uiting zelf zijn opgenomen. Het College verwerpt het beroep op het lex-certa- en motiveringsbeginsel en acht de boete evenredig. De rechtbank had het basisbedrag vastgesteld op € 45.000, omdat de verhoging wegens recidive ten onrechte was toegepast, en dit bedrag wegens overschrijding van de redelijke termijn met 20% gematigd tot € 36.000. Het College ziet geen aanleiding voor verdere matiging, verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Geen uitzondering op het reclameverbod

4.1.1

[naam 1] voert in hoger beroep aan dat de animatie is uitgezonderd van het reclameverbod, omdat aan de voorschriften in de artikelen 6.3, eerste lid, en 6.4, tweede lid, van de Trr voor een uitzondering op het reclameverbod voor tabaksspeciaalzaken is voldaan. De animatie legt geen positieve link met de gezondheid en daarom is voldaan aan het voorschrift van artikel 6.3, eerste lid, van de Trr. In de animatie geeft [naam 1] op neutrale wijze, feitelijke en op uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gebaseerde informatie over de belangrijkste eigenschappen van het product die van belang zijn voor de consument. De beeldvormende vergelijking met sigaretten en de expliciete verwijzing naar ‘minder schadelijke stoffen’ laten er geen enkele twijfel over bestaan dat het gebruik van de [productnaam 2] tabaksticks in combinatie met [productnaam 1] niet zonder (gezondheid)risico’s is. Uit de tekst ‘95% minder schadelijke stoffen vergeleken met sigaretten’ kan op geen enkele wijze worden afgeleid dat het gebruik van [productnaam 1] gezond of zonder risico is of dat op andere wijze een positief verband wordt gelegd tussen het gebruik van [productnaam 1] en gezondheid. Het is een feitelijke en wetenschappelijk bewezen vaststelling dat met het gebruik van [productnaam 1] 95% minder schadelijke stoffen vrijkomen in vergelijking met de referentiesigaret (3R4F). De uitingen van [naam 1] over het risicoprofiel van het gebruik van [productnaam 1] zijn minder verstrekkend dan de publieke uitingen van het RIVM en de wetgever over het risicoprofiel van het gebruik van [productnaam 1] . Bovendien wordt enig positief verband dat zou worden gelegd met de gezondheid weggenomen door de disclaimer met de tekst ‘Belangrijke informatie: Dit staat niet per definitie gelijk aan 95% minder risico. [productnaam 1] is niet risicovrij’, dat in een zwart kader is geplaatst en onderaan de animatie is te zien. Voor zover de rechtbank en de minister menen dat de disclaimer niet op alle momenten goed zichtbaar is, wijst [naam 1] er op dat de disclaimer niet gedurende de gehele animatie relevant is. De disclaimer is in een zwart kader geplaatst, zodat de disclaimer niet minder opvallend is, ondanks dat de disclaimer een kleiner lettertype heeft dan de tekst ‘95% minder schadelijke stoffen vergeleken met sigaretten’. In de vergelijking van de [productnaam 1] met de sigaret worden bij de [productnaam 1] niet de woorden ‘Benzene’, ‘Formaldehyd’ en ‘crotonald’ genoemd, omdat de [productnaam 1] in de animatie niet aan staat en niet werkend wordt gebruikt, zodat er onmogelijk schadelijke stoffen vrijkomen. Het is voor de kijkers duidelijk dat de [productnaam 1] in de vergelijking niet aan staat, omdat er geen [productnaam 2] tabakstick is ingebracht en er geen emissiewolk is te zien.

4.1.2

De minister stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat het reclameverbod met de animatie is overtreden en onderschrijft het oordeel van de rechtbank hierover.

4.2

Tussen partijen is niet in geschil dat de animatie in de tabaksspeciaalzaak een commerciële mededeling betreft die het bekendheid geven aan of het aanprijzen van een tabaksproduct of aanverwant product tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft, en daarmee moet worden beschouwd als reclame, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Trw. De vraag die het College in deze zaak dient te beantwoorden is of de animatie, die als reclame in beginsel valt onder het verbod van artikel 5, eerste lid, van de Trw, is uitgezonderd van dat verbod.

4.3

Reclame in een speciaalzaak, die voldoet aan de in artikel 6.2 tot en met 6.6 van de Trr gestelde voorschriften, is op grond van artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder c, onderdeel 3, van de Trw (geldend op het moment van de inspectie) uitgezonderd van het reclameverbod. In deze zaak is in geschil of wordt voldaan aan het voorschrift van artikel 6.3, eerste lid, van de Trr dat op geen enkele wijze een positief verband wordt gelegd met gezondheid en het voorschrift van artikel 6.4, tweede lid, van de Trr waarin de gezondheidswaarschuwing is voorgeschreven.

4.4

Tussen partijen wordt niet betwist dat de animatie geen gezondheidswaarschuwing bevatte, terwijl het voor [naam 1] duidelijk was dat de animatie een gezondheidswaarschuwing diende te bevatten. Dat betekent dat niet is voldaan aan het voorschrift van artikel 6.4, tweede lid, van de Trr en er op dit punt ook geen sprake is van strijd met het lex certa-beginsel. Dat ergens anders in de tabaksspeciaalzaak, niet ver van de animatie, wel een gezondheidswaarschuwing was te zien, doet niet af aan het feit dat de animatie geen gezondheidswaarschuwing bevatte en de animatie daardoor niet aan dit voorschrift voldeed.

4.5

Naar het oordeel van het College is ook niet voldaan aan het voorschrift van artikel 6.3, eerste lid, van de Trr dat op geen enkele wijze een positief verband wordt gelegd met gezondheid. De bevindingen in het rapport, inclusief bijlagen, worden door [naam 1] niet betwist. De tekst ‘95% minder schadelijke stoffen vergeleken met sigaretten’ is op zichzelf nog geen gezondheidsclaim, maar door de manier waarop de hele animatie wordt gepresenteerd, wordt bij de kijker wel de indruk gewekt dat de [productnaam 1] met de [productnaam 2] tabaksticks minder ongezond is dan gewone sigaretten. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, komt de tekst ‘95% minder schadelijke stoffen vergeleken met sigaretten’ overduidelijk in de animatie naar voren en is dit het eerste wat een consument leest. Door deze wijze van presentatie wordt de suggestie gewekt dat de [productnaam 1] minder ongezond is dan de sigaret. Dat het RIVM, de wetgever, of bijvoorbeeld het Trimbos-instituut, waaraan [naam 1] op zitting refereerde, ook uitingen hebben gedaan over het percentage minder schadelijke stoffen dat vrij zou komen bij het gebruik van de [productnaam 1] in vergelijking met de sigaret, doet niet af aan de specifieke context waarin [naam 1] een soortgelijke uiting in deze animatie heeft geplaatst. Daarnaast worden de woorden ‘Benzene’, ‘Formaldehyd’ en ‘crotonald’ wel bij de afgebeelde brandende sigaret vermeld, maar niet bij de [productnaam 1] . Ook hierdoor lijkt de [productnaam 1] minder ongezond dan een gewone sigaret. Dat de [productnaam 1] in de animatie niet aan staat en er dan geen schadelijke stoffen vrijkomen en dat de disclaimer in een zwart kader is geplaatst, zodat de tekst van de disclaimer volgens [naam 1] niet minder opvallend is, doet niet af aan de wijze waarop de [productnaam 1] met de [productnaam 2] tabaksticks in de animatie wordt gepresenteerd als beduidend minder schadelijk dan gewone sigaretten. Door het gebruik van de [productnaam 1] te presenteren als beduidend minder schadelijk dan gewone sigaretten, wordt met de animatie een positief verband met de gezondheid gelegd. Het moet voor [naam 1] duidelijk zijn dat er op geen enkele manier een positief verband met gezondheid mocht worden gelegd, zodat er ook ten aanzien van dit voorschrift geen sprake is van strijd met het lex certa-beginsel.

4.6

Uit 4.4 en 4.5 vloeit voort dat niet is voldaan aan de voorschriften voor een uitzondering op het reclameverbod voor tabaksspeciaalzaken, in het bijzonder van de artikelen 6.3, eerste lid, en 6.4, tweede lid, van de Trr, zodat het reclameverbod is overtreden. De minister was dus bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie wegens het overtreden van het reclameverbod door middel van de animatie. Verder heeft de minister in zijn besluitvorming voldoende gemotiveerd waarom het reclameverbod met de animatie wordt overtreden, zodat geen sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel. Deze hogerberoepsgrond slaagt niet.