RB
Gepubliceerd op vrijdag 21 augustus 2026
RB 4100
Rechtspraak (NL/EU) ||
8 jul 2026,
Rechtspraak (NL/EU) 8 jul 2026,, RB 4100; ECLI:NL:RVS:2026:3947 ([appellante] tegen Ksa), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/afdeling-bestuursrechtspraak-boete-van-400-000-voor-gerichte-kansspelreclame-aan-jongvolwassenen-blijft-in-stand

Afdeling bestuursrechtspraak: boete van € 400.000 voor gerichte kansspelreclame aan jongvolwassenen blijft in stand

 RvS 8 juli 2026, RB 4100; ECLI:NL:RVS:2026:3947 ([appellante] tegen Ksa). Een vergunninghouder voor kansspelen op afstand krijgt van de Kansspelautoriteit een bestuurlijke boete van € 400.000, omdat zij in de periode van 12 oktober 2021 tot en met 15 maart 2022 gerichte e-mails aan jongvolwassenen heeft gestuurd met informatie over haar kansspelaanbod. Volgens de Ksa is daarmee artikel 2 lid 4, aanhef en onder a, Bwrvk overtreden, dat verbiedt wervings- en reclameactiviteiten voor kansspelen te richten op minderjarigen en jongvolwassenen. De rechtbank Den Haag laat de boete in stand. Zij oordeelt dat vaststaat dat de e-mails rechtstreeks aan jongvolwassenen zijn verzonden en dat daarmee gegeven is dat de reclame op deze groep was gericht. De specifieke inhoud van de e-mails hoeft daarom niet afzonderlijk te worden onderzocht om de gerichtheid vast te stellen. Ook acht de rechtbank de norm voldoende nauwkeurig, duidelijk en ondubbelzinnig en verwerpt zij het beroep op het lex-certa-beginsel.

In hoger beroep voert [appellante] opnieuw aan dat “richten op” niet hetzelfde is als rechtstreeks “richten aan”, dat de norm ten tijde van de overtreding onvoldoende duidelijk was en dat de boete onevenredig is. Ook wijst zij op andere gevallen waarin volgens haar slechts een waarschuwing is gegeven. De Afdeling stelt vast dat deze gronden vrijwel geheel een herhaling zijn van wat al bij de rechtbank is aangevoerd. Omdat [appellante] niet concreet maakt waarom de gemotiveerde beoordeling van de rechtbank onjuist of onvolledig is, sluit de Afdeling zich daarbij aan, mede onder verwijzing naar haar uitspraak van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1532. Ook de hoogte van de boete blijft in stand: [appellante] onderbouwt haar financiële situatie niet en de door haar genoemde andere gevallen zijn, mede gelet op de duur van de overtreding, onvoldoende vergelijkbaar om te concluderen dat de Ksa hier met een waarschuwing of lagere boete had moeten volstaan. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

3.       [appellante] betoogt onder verwijzing naar haar beroepsgronden dat de rechtbank niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de reclame op jongvolwassenen was gericht en dat het verbod in artikel 2, vierde lid, aanhef en onder a, van het Bwrvk voldoende nauwkeurig, duidelijk en ondubbelzinnig is. Dat de boete op deze onduidelijke norm is gebaseerd is in strijd met het lex certa beginsel. De rechtbank had in de ingeroepen bronnen steun moeten lezen voor het standpunt van [appellante] dat er geen verbod bestaat op het direct mailen van jongvolwassenen, maar alleen op het specifiek richten van reclame op jongvolwassenen, bijvoorbeeld door afbeeldingen die jongvolwassenen aantrekken. De rechtbank heeft niet onderkend dat onder meer Holland Casino een soortgelijk geval is waarin juist geen boete is opgelegd. [appellante] vindt dat de boete niet in verhouding staat tot de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding, mede gelet op de onduidelijkheid in de wetgeving en het te hoge basisbedrag van de boete. De boete is ook afgezet tegen haar daadwerkelijke winst te hoog. Bij nader stuk heeft [appellante] gewezen op andere gevallen waarin slechts een waarschuwing is opgelegd, hoewel dezelfde norm was overtreden. Dat had in haar geval ook moeten gebeuren of de boete had lager moeten zijn, omdat ten tijde van de overtreding de norm nog onduidelijk was.

3.1.    De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van deze gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich, mede gelet op de uitspraak van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1532, onder 4.6 tot en met 6.3, vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6 tot en met 11 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. [appellante] heeft haar financiële situatie niet onderbouwd en dus niet aannemelijk gemaakt dat deze boete in haar geval onevenredig is. Mede gelet op de duur van de overtreding van [appellante] is niet gebleken dat de in het nader stuk genoemde gevallen zo gelijk zijn, dat de Ksa ook in het geval van [appellante] had moeten volstaan met een waarschuwing of een lagere boete.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

5.       De Ksa hoeft geen proceskosten te vergoeden.