RB 3585

Vorderingen paardenondernemer afgewezen

Hof Den Haag 16 november 2021, IEF 20440, RB 3585; ECLI:NL:GHDHA:2021:2409 (Dutch Dressage Horses en Dressage Stables en Horses) Zie [IEF 19336]. Geïntimeerden en appellante houden zich bezig met het beleren van en handelen in dressuurpaarden. Volgens geïntimeerden maakt appellante zich schuldig aan inbreuk op auteursrechten, onrechtmatige concurrentie en misleidende reclame, door zonder toestemming foto’s, video’s en adres te gebruiken om zichzelf als succesvol paardenondernemer voor te doen op haar website, op YouTube en op haar Facebook- en Instagramaccounts. Geïntimeerden worden in het ongelijk gesteld. Er is geen sprake van misleiding in de zin van art. 6:194 BW. Geen oneerlijke concurrentie. De op het auteursrecht op foto’s gebaseerde vorderingen worden afgewezen; er is geen rechtsgeldige overdracht. Makerschap van c.q. aanspraak op (eventuele) auteursrechten op verkoopteksten is onvoldoende onderbouwd. Geïntimeerden worden veroordeeld tot vergoeding volledige proceskosten in eerste aanleg wegens niet naleving van artikel 21 Rv; hogere proceskosten in incidenteel appel vanwege de vele niet onderbouwde en kansloze stellingen.

 4.13.

Het stond [naam gedaagde] na het verbreken van de samenwerking in beginsel vrij om met [eiseressen] in concurrentie te treden. Niet gesteld of gebleken is dat partijen afspraken hebben gemaakt waaruit voor [naam gedaagde] op dit punt beperkingen voortvloeien.

[eiseressen] stelt dat sprake is van ongeoorloofde concurrentie en haakt aan bij vaste rechtspraak (sinds het arrest van de Hoge Raad van 9 december 1955, NJ 1956, 157, Boogaard/Vesta) over ongeoorloofde concurrentie door een voormalig werknemer. [naam gedaagde] lijkt van dezelfde maatstaf uit te gaan. Hoewel in dit geval strikt genomen geen werkgever-/werknemerrelatie bestond, zal de rechtbank deze maatstaf overeenkomstig toepassen. Voor het aannemen van ongeoorloofde concurrentie moet zijn voldaan aan drie vereisten, te weten a) het stelselmatig en substantieel afbreken van b) het duurzame bedrijfsdebiet van de voormalige werkgever, dat de voormalige werknemer in het kader van de arbeidsovereenkomst mee heeft helpen opbouwen c) met de hulpmiddelen die hij daartoe vertrouwelijk van zijn voormalige werkgever ter beschikking kreeg.

Onweersproken is dat de website van [naam gedaagde] slechts een gering - en afnemend - aantal bezoekers heeft getrokken. Dat [eiseressen] van de uitingen op de website of social media van [naam gedaagde] concreet concurrentie heeft ondervonden, is door haar onvoldoende uitgewerkt en onderbouwd. Ter zitting heeft zij verklaard dat er ‘een man’ was die ‘een paard’ bij [naam gedaagde] heeft gekocht ‘naar aanleiding van allerlei filmpjes op youtube en dergelijke’. Deze stelling is te vaag en te laat naar voren gebracht om hierover goed debat ter zitting te kunnen voeren, maar kan ook zonder bijkomende omstandigheden - die niet zijn gesteld of gebleken - niet tot de conclusie voeren dat sprake is van een stelselmatig en substantieel afbreken van het duurzame bedrijfsdebiet van [eiseressen] Hierop strandt het verwijt van ongeoorloofde concurrentie.
4.14.

Daarmee blijft over het verwijt dat [naam gedaagde] misleidende reclame heeft gemaakt op haar website, door daarop bepaalde paarden te vermelden als deel van haar ‘collectie’ dan wel als ‘verkocht’.

Dat [naam gedaagde] de door [eiseressen] genoemde paarden op de haar genoemde wijze heeft vermeld, is niet in geschil.

[naam gedaagde] houdt zich - net als [eiseressen] - bezig met het beleren en het verkopen van dressuurpaarden. De inhoud van de [naam gedaagde] website, zoals deze blijkt uit de processtukken, maakt duidelijk dat deze strekt tot verkoop van door [naam 1] beleerde dressuurpaarden, niet tot promotie van de diensten [naam 1] als dressuuramazone en africhter van de paarden.

Wanneer [naam gedaagde] in deze context een paard als deel van haar collectie - dus als ‘te koop’ - dan wel als ‘verkocht’ op haar site vermeldt, suggereert dit aan de sitebezoeker dat [naam gedaagde] in staat en bevoegd is de aangeboden paarden te verkopen respectievelijk dat deze paarden reeds - al dan niet namens een achterliggende (mede)eigenaar - door [naam gedaagde] zijn verkocht.

Indien deze suggestie feitelijk onjuist is, bijvoorbeeld omdat [naam gedaagde] ten aanzien van een getoond paard niet in staat en bevoegd is tot verkoop daarvan, of omdat [naam gedaagde] een als ‘verkocht’ vermeld paard niet zelf heeft verkocht, is de website in zoverre misleidend, zoals bedoeld in artikel 6:194 lid 1 aanhef en onder i BW, en onrechtmatig jegens [eiseressen] als concurrerende onderneming.