18 dec 2025
Kopieer citeerwijze ||
LeoVegas Gaming PLC, uit Sliema (Malta), verzoekster tegen de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit, de Ksa
Voorlopige voorziening over openbaarmaking Ksa‑boete wegens schending zorgplicht online kansspelaanbieder
Rb Den Haag 18 december 2025, RB 3990; ECLI:NL:RBDHA:2025:27689 (LeoVegas Gaming PLC, uit Sliema (Malta), verzoekster tegen de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit, de Ksa). De zaak betreft een online kansspelaanbieder met vergunning op de Nederlandse markt, die via haar website en app gokspellen aanbiedt en door de Kansspelautoriteit (Ksa) is beboet met €500.000 wegens schending van de zorgplicht ten aanzien van tien spelers in de periode van 7 oktober 2023 tot en met 14 mei 2024. Volgens de Ksa heeft de aanbieder verschillende bepalingen uit de Wet op de kansspelen en lagere regelgeving overtreden, waarna op 1 oktober 2025 een boetebesluit is genomen en op 2 oktober 2025 een besluit om dit boetebesluit op grond van artikel 3.1 Woo openbaar te maken. De aanbieder heeft bezwaar gemaakt tegen zowel het boetebesluit als het openbaarmakingsbesluit en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om het openbaarmakingsbesluit te schorsen tot ten minste zes weken na de beslissing op bezwaar, onder meer met een beroep op bedrijfsgevoelige informatie, toezicht- en controlebelangen en (te verwachten) reputatie- en financiële schade, onderbouwd met een deskundigenrapport. Primair stelde zij dat artikel 3.1 Woo geen voldoende grondslag biedt voor openbaarmaking van bestraffende sancties en dat daarvoor een specifiek regime in de bijzondere wet vereist is. Subsidiair stelde zij dat verschillende weigeringsgronden uit de Woo openbaarmaking in de weg staan, en meer subsidiair dat het besluit in ieder geval niet evident rechtmatig is en daarom voorlopig geschorst moet worden.
De voorzieningenrechter erkent dat sprake is van spoedeisend belang, omdat openbaarmaking van het boetebesluit onomkeerbaar is, maar komt na een belangenafweging tot het oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen. De rechter benadrukt dat in deze voorlopige voorziening geen inhoudelijk oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van de boete zelf, maar uitsluitend wordt beoordeeld of het belang van de aanbieder bij schorsing zwaarder weegt dan het algemene belang bij publicatie. In dat kader acht de voorzieningenrechter openbaarmaking passend binnen de wettelijke toezichthoudende taak van de Ksa, met als doel transparantie, waarschuwing van consumenten, preventieve werking richting andere aanbieders en duidelijkheid over wie de overtreder is, waarbij ook eventuele gedupeerden hun schade kunnen verhalen. De gestelde schade van de aanbieder wordt onvoldoende concreet en grotendeels speculatief geacht. Het overgelegde rapport, dat slechts een zeer korte periode rond publicatie van een eerdere boete analyseert, wordt niet gezien als bewijs van onevenredige schade, terwijl de aanbieder ook geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die schade te onderbouwen aan de hand van de eerdere boetepublicatie. Daarnaast acht de rechter niet aannemelijk dat inspectie- en toezichtbelangen of bedrijfsgevoelige informatie openbaarmaking blokkeren, mede omdat de Ksa rekening zegt te houden met bedrijfsgevoelige gegevens, en wordt gekozen om niet te anonimiseren omdat dit afbreuk zou doen aan de duidelijkheid over de overtreder. Tot slot oordeelt de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar recente jurisprudentie, dat artikel 3.1 Woo wél een grondslag biedt voor het uit eigen beweging openbaar maken van sanctiebesluiten, dat nog niet in werking getreden bepalingen van artikel 3.3 Woo de Ksa niet binden en dat er geen aanknopingspunten zijn dat het openbaarmakingsbesluit evident onrechtmatig is, zodat de Ksa haar belang bij publicatie zwaarder mocht laten wegen dan het belang van verzoekster; het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen, zonder vergoeding van griffierecht of proceskosten.
6.6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Ksa daarom zijn belangen bij openbaarmaking van het boetebesluit zwaarder mogen laten wegen dan het belang van verzoekster om geen nadelen te ondervinden door die openbaarmaking. Bovendien kan verzoekster eventuele schade op de Ksa verhalen, als blijkt dat het openbaarmakingsbesluit onrechtmatig is. Verder is van belang dat de Ksa bij de publicatie van besluiten op zijn website in ieder geval altijd vermeldt of er rechtsmiddelen tegen de besluiten zijn ingesteld of nog kunnen worden ingesteld tegen het gepubliceerde besluit. Daardoor is het voor derden duidelijk in hoeverre het besluit door de bestuursrechter is beoordeeld en onherroepelijk is.
6.7. Anders dan verzoekster stelt, heeft de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten dat het openbaarmakingsbesluit evident niet rechtmatig is.
6.8. Ten aanzien van het betoog van verzoekster dat artikel 3.1 van de Woo geen grondslag biedt voor openbaarmaking overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Uit recente uitspraken6 volgt dat artikel 3.1.de Woo een grondslag biedt voor openbaarmaking van dit soort besluiten. Wat betreft de verwijzing naar artikel 3.3, tweede lid, aanhef en onder k, van de Woo geldt dat de Ksa niet gebonden is aan wetgeving die nog niet in werking is getreden. Daarbij komt dat een andere uitleg geen recht doet aan het doel van de wetgever, namelijk een transparantere overheid. In wat verzoekster heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen reden om hier anders over te oordelen.
6.9. De voorzieningenrechter ziet overigens in de omstandigheid dat de rechtsvraag over artikel 3.1 en 3.3 van de Woo in een hoger beroepsprocedure van een andere kansspelaanbieder naar voren is gebracht en verwacht wordt dat de Afdeling op korte termijn uitspraak zal doen op dat hoger beroep, geen grond om de voorlopige voorziening toe te wijzen of het verzoek om een voorlopige voorziening in afwachting aan te houden . Daarbij is het ook nog maar de vraag of de Afdeling een rechtsoordeel zal geven over een nog niet in werking getreden wetsartikel.