RB
DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op donderdag 2 juli 2026
RB 4039
buitenland ||
2 jul 2026,
buitenland 2 jul 2026,, RB 4039; ECLI:EU:C:2026:508 (Orkla Care AB tegen Kemikalieinspektionen), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/verpakking-van-gevaarlijke-stoffen-mag-niet-lijken-op-voedselverpakking-ook-niet-bij-een-klein-gezondheidsrisico

Verpakking van gevaarlijke stoffen mag niet lijken op voedselverpakking, ook niet bij een klein gezondheidsrisico

AG Szpunar 18 juni 2026, LS&R 2407; RB 4039; ECLI:EU:C:2026:508 (Orkla Care AB tegen Kemikalieinspektionen). In deze prejudiciële procedure tussen Orkla Care AB en de Zweedse Kemikalieinspektionen staat de uitleg centraal van artikel 35 lid 2 van de CLP-verordening. Aanleiding vormt een geschil over de verpakking van vloeibare wasmiddelen van Orkla Care, die volgens de Zweedse toezichthouder te veel lijkt op verpakkingen van voedingsmiddelen. De verwijzende rechter vraagt het Hof van Justitie onder meer welke beoordelingscriteria gelden bij de beoordeling of een verpakking consumenten kan misleiden, welk referentiekader daarbij moet worden gehanteerd en of rekening moet worden gehouden met de ernst van het gezondheidsrisico van de stof. Advocaat-generaal Szpunar concludeert dat de CLP-verordening een ruime bescherming van de volksgezondheid beoogt en dat verpakkingen van gevaarlijke stoffen geen gelijkenis mogen vertonen met voedselverpakkingen waardoor consumenten deze met elkaar kunnen verwarren. Orkla Care brengt vloeibare wasmiddelen op de markt in langwerpige kartonnen verpakkingen met een vierkante bodem, een gevouwen bovenzijde en een schroefdop. Nadat consumenten hadden gemeld dat deze verpakkingen deden denken aan drank- en zuivelverpakkingen, onderzocht de Zweedse toezichthouder of de verpakking voldeed aan artikel 35 lid 2 CLP. Daarbij werd niet alleen gewezen op de vorm van de verpakking, maar ook op de kleurstelling en een label waarop stond vermeld dat het product "vegan" is. Volgens de toezichthouder konden consumenten de verpakking daardoor aanzien voor een levensmiddel. Orkla Care werd daarom verboden de producten nog langer in deze verpakking op de markt te brengen. De nationale rechter stelde vervolgens meerdere prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. De advocaat-generaal stelt voorop dat de beoordeling of een verpakking lijkt op die van een levensmiddel steeds per geval moet plaatsvinden, maar wel aan de hand van uniforme Unierechtelijke criteria. Daarbij moeten alle waarneembare kenmerken van de verpakking worden betrokken, waaronder de vorm, afmetingen, inhoud, gebruikte materialen, ontwerp, etikettering, kleur en zelfs geur. De beoordeling mag zich dus niet beperken tot één afzonderlijk element van de verpakking, maar moet uitgaan van de totaalindruk die deze wekt.

Volgens de advocaat-generaal mogen tijdelijke veiligheidsvoorzieningen die na het eerste gebruik verdwijnen in beginsel niet worden meegewogen. Een verzegeling of afscheurstrook kan weliswaar aanvankelijk onderscheid creëren ten opzichte van voedselverpakkingen, maar zodra deze is verwijderd blijft de verpakking gedurende de rest van haar levenscyclus bestaan in een vorm die nog steeds met levensmiddelen kan worden verward. De bescherming die de CLP-verordening biedt, strekt zich uit tot de volledige gebruiksduur van het product. Voor de beoordeling van de gelijkenis met voedselverpakkingen moet volgens de advocaat-generaal worden gekeken naar de markt van de lidstaat waarin de bevoegde nationale toezichthouder optreedt. Consumentengewoonten verschillen immers per lidstaat en ook de wijze waarop levensmiddelen worden verpakt is niet overal gelijk. Dat nationale uitgangspunt doet volgens hem geen afbreuk aan een uniforme uitleg van de CLP-verordening, omdat de juridische beoordelingscriteria in alle lidstaten hetzelfde blijven. De advocaat-generaal kiest daarnaast voor een ruime uitleg van het begrip "consument". Dat begrip omvat niet uitsluitend de gemiddeld geïnformeerde en oplettende consument, maar ook kwetsbare personen, waaronder kinderen, slechtzienden en personen met andere beperkingen. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met hun cognitieve vermogens en hun mogelijkheid om verpakkingen van elkaar te onderscheiden. De CLP-verordening beoogt immers niet alleen bescherming van de koper van het product, maar van iedereen die met een gevaarlijke stof of het verpakte product in aanraking kan komen. Voor toepassing van artikel 35 lid 2 CLP is volgens de advocaat-generaal niet vereist dat daadwerkelijk is gebleken dat consumenten producten hebben verward. Een reële kans op misleiding die verder gaat dan een louter theoretische mogelijkheid is voldoende. Indien zich in de praktijk daadwerkelijk gevallen van verwarring hebben voorgedaan, kan dat wel dienen als bewijs dat een dergelijke kans bestaat, maar het is geen noodzakelijke voorwaarde voor ingrijpen door de toezichthouder. Tot slot verwerpt de advocaat-generaal het betoog dat rekening moet worden gehouden met de ernst van het gezondheidsrisico van de gevaarlijke stof. Dat de vloeistof in deze zaak uitsluitend oogirritatie veroorzaakt en bij inslikken niet gevaarlijk is, doet volgens hem niet ter zake. De CLP-verordening maakt geen onderscheid naar de aard of ernst van het gevaar bij de beoordeling van de verpakking. Zodra een stof of mengsel als gevaarlijk is geclassificeerd, moet de verpakking voldoen aan de eisen van artikel 35 lid 2 CLP. De beoordeling ziet op de gevarenclassificatie als zodanig en niet op een concrete risicoanalyse of de wijze waarop schade zich kan voordoen.

V.       Conclusie

113.  Gelet op de voorgaande overwegingen stel ik voor dat het Hof de vragen die ter prejudiciële beslissing zijn voorgelegd door de Svea hovrätt, Mark- och miljööverdomstolen (Svea Hof van Beroep, Land- en Milieugerechtshof, Stockholm, Zweden) als volgt beantwoordt:

(1) Bij de beoordeling van de gelijkenis van de verpakking in de zin van artikel 35, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de classificatie, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006, moet rekening worden gehouden met de kenmerken van de verpakking, zoals de vorm, de grootte, het volume van het product, de gebruikte materialen, het ontwerp, de etikettering, de kleur en de geur. Een element van de verpakking dat is ontworpen om deze te onderscheiden van een levensmiddelenverpakking, mag echter in beginsel niet in aanmerking worden genomen bij die beoordeling indien het niet gedurende de gehele levenscyclus van het product intact blijft.

(2) De eerste subparagraaf van artikel 35(2) van Verordening nr. 1272/2008

Dit moet aldus worden uitgelegd dat de gelijkenis tussen de verpakking van een gevaarlijke stof of een gevaarlijk mengsel en de verpakking van een levensmiddelenproduct uitsluitend moet worden beoordeeld op basis van de markt van de lidstaat die de betreffende nationale autoriteit heeft aangewezen als verantwoordelijk voor de uitvoering van die bepaling.

(3) Onder ‘consument’ in de zin van artikel 35, lid 2, eerste sublid van Verordening nr. 1272/2008 wordt verstaan ​​alle personen die de betreffende gevaarlijke stoffen of mengsels waarschijnlijk zullen gebruiken, of zelfs iedereen die er toegang toe kan hebben, met inbegrip van kwetsbare personen, en in het bijzonder kinderen. Bij de beoordeling van de gelijkenis tussen de verpakking van dergelijke producten en de verpakking van levensmiddelen moet rekening worden gehouden met de cognitieve vermogens van kwetsbare personen, wier zintuigen of associatievermogen niet die van een redelijk goed geïnformeerde en redelijk oplettende en voorzichtige consument zijn.

(4) Artikel 35(2) van Verordening nr. 1272/2008

Dit moet zo worden geïnterpreteerd dat het bestaan ​​van een niet onbeduidende kans dat consumenten worden misleid, een kans die verder gaat dan een theoretische kans, voldoende is om te concluderen dat niet aan de in die bepaling gestelde eisen is voldaan. De informatie dat er daadwerkelijk verwarring met levensmiddelen heeft plaatsgevonden, kan bewijs vormen voor het bestaan ​​van een dergelijke kans.

(5) Bij de beoordeling of een bepaalde verpakking voldoet aan de eisen van artikel 35, lid 2, eerste sublid, van Verordening nr. 1272/2008, wordt geen rekening gehouden met de gevarenklasse, de categorie waarin de betreffende gevaarlijke stof of het betreffende mengsel is ingedeeld, noch met het specifieke risico dat aan die gevaarlijke stof of dat mengsel is verbonden.