RB 3289

Staatsloterij hoeft ondanks misleidende uitlatingen geen schadevergoeding te betalen doordat deelnemer niet heeft kunnen aantonen hierdoor beïnvloed te zijn

Ktr. Rechtbank Den Haag 19 maart 2019, RB 3289; ECLI:NL:RBDHA:2019:2663 (deelneemster tegen Staatsloterij) en ECLI:NL:RBDHA:2019:2662 (deelnemer tegen Staatsloterij) Misleidende mededelingen van 2000 tot 2007. De vordering op grond van dwaling wordt afgewezen omdat de deelneemster niet voldoende heeft aangevoerd om aan te nemen dat zij in de bewuste periode bij de aankoop van staatsloten is beïnvloed door de misleidende mededelingen.

2.3. Bij arrest van 28 mei 2013 (ECLI:NL:GHDHA:CA0587) heeft het gerechtshof Den Haag in een door Stichting Loterijverlies jegens de Staatsloterij in 2008 aanhangig gemaakte collectieve actie (hierna: de collectieve actie) in hoger beroep voor recht verklaard dat SENS gedurende de periode 2000 tot en met 2007 misleidende mededelingen heeft gedaan over het wel- of niet-gegarandeerd zijn van de prijzen, de winkansen en het aantal gewonnen prijzen en dat SENS hierdoor in strijd heeft gehandeld met artikel 6:194 (oud) van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Daarnaast is voor recht verklaard dat SENS in 2008 misleidende mededelingen heeft gedaan over de hoogte van prijzen en hierdoor in strijd heeft gehandeld met artikel 6:194 (oud) BW. SENS en Stichting Loterijverlies hebben tegen het arrest cassatieberoep ingesteld.

4.6.[deelnemer] heeft onder meer in de periode 2000 tot en met 2007 onafgebroken deelgenomen aan de maandelijkse staatsloterij en heeft tevens deelgenomen aan de Koninginnedagtrekking 2008. Hiermee staat vast dat de Staatsloterij ook in de periode dat [deelnemer] haar loten kocht misleidende mededelingen als hiervoor bedoeld heeft gedaan.

4.8.5. Kortom: dat de misleidende mededelingen van de Staatsloterij een beslissende invloed hebben gehad, in die zin dat [deelnemer] niet, minder vaak of met minder loten zou hebben meegespeeld, als de Staatsloterij correcte mededelingen zou hebben gedaan, kan uit de door [deelnemer] gestelde feiten en omstandigheden niet worden afgeleid. De conclusie moet dan ook zijn dat [deelnemer] onvoldoende feiten en omstandigheden aan haar betoog ten grondslag heeft gelegd. Voor nadere bewijslevering is bij die stand van zaken geen ruimte. Omdat [deelnemer] niet heeft onderbouwd dat zij heeft gedwaald, heeft zij de overeenkomsten ten onrechte vernietigd en zal haar op de vernietiging gebaseerde vordering tot terugbetaling van haar inleg worden afgewezen.