RB 3422

Picnic maakte geen inbreuk op portretrecht Verstappen

Hof Amsterdam 2 juni 2020, IEF 19239, RB 3422; ECLI:NL:GHAMS:2020:1410 (Picnic tegen Mavic en Verstappen) Mavic behartigt de zakelijke belangen van autocoureur Max Verstappen en heeft een exclusieve licentie om de intellectuele eigendomsrechten en het portretrecht van Verstappen te promoten en te exploiteren. Picnic is een online supermarkt en publiceerde op Facebook een veelbekeken commercial met een Verstappen-lookalike. De rechtbank Amsterdam oordeelde eerder dat er sprake was van inbreuk op het portretrecht van Verstappen en veroordeelde Picnic tot een schadevergoeding [IEF 17658]. Het hof concludeert dat er geen sprake van inbreuk op het portretrecht van Verstappen is. Het is voor de aanschouwer van de film van Picnic duidelijk dat het niet Verstappen zelf betreft maar dat het gaat om een persiflage. Het enkele feit dat een bekende persoon verzilverbare populariteit geniet brengt niet zonder meer met zich mee dat het in een (reclame)filmpje nadoen van die persoon (zonder dat verwarring optreedt) als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd.

3.3.2. In het onderhavige geval betreft de beweerde schending van het portretrecht de verspreiding via Facebook van een korte film waarin zowel door het uiterlijk en de kleding van de daarin acterende (hoofd)persoon als door het scenario wordt gerefereerd aan het optreden van Verstappen in reclamefilms voor supermarktketen Jumbo. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de weergave op film van de desbetreffende acteur/lookalike en zijn optreden niet als portret van Verstappen in de zin van artikel 21 Aw kan worden aangemerkt. Hoewel enerzijds met het optreden/figureren van de lookalike het beeld van Verstappen wordt opgeroepen is anderzijds, met name door de (weliswaar gelijkende maar zeker niet identieke) gelaatstrekken van de lookalike en verschillende elementen van het scenario (smal elektrisch bestelbusje in plaats van Formule1 racewagen, nadruk niet op snelheid maar op tijdig vertrekken en plezier bezorger), voor de aanschouwer van de film van Picnic duidelijk dat het niet Verstappen zelf betreft maar dat het gaat om een persiflage van zijn optreden in reclamefilms voor Jumbo. Het gezicht of de persoon van Verstappen zelf wordt niet afgebeeld. De bescherming van een persoon tegen de openbaarmaking van zijn portret ingevolge artikel 21 Aw gaat niet zo ver dat zij zich uitstrekt tot verspreiding van beeldmateriaal waarin bepaalde kenmerken van de verschijning van een persoon door een ander worden uitgebeeld en/of nagespeeld of nagebootst, doch er geen redelijke twijfel bestaat - bijvoorbeeld door het persiflerende of verwijzende karakter van de beelden - dat het niet de persoon zelf betreft doch slechts iemand die op hem lijkt. Dat geldt ook als de associatie met opzet wordt gewekt.

3.4.2. Van het een noch het ander is in het onderhavige geval (voldoende) gebleken.

Wat het eerste betreft heeft de rechtbank onbestreden overwogen dat het geen diffamerende uiting betreft (rov. 4.10 tussenvonnis) en zijn ook in hoger beroep geen feiten aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat Verstappen in zijn eer en goede naam is aangetast, laat staan op zodanige wijze dat de bij openbaarmaking van de film van Picnic betrokken uitingsvrijheid daarvoor zou moeten wijken.

Dit geldt ook voor de reputatie van Verstappen op zakelijk gebied en het daarmee samenhangend verdienvermogen van Mavic c.s.

Dat Verstappen als gevolg van het posten van de film op Facebook in verband zal worden gebracht met de activiteiten van Picnic en dat het publiek zal menen dat Verstappen de diensten van Picnic ondersteunt, valt gelet op de daarin in acht genomen afstand tot zijn ware persoon en activiteiten, niet aan te nemen. Dat geldt te meer nu de film door de gemiddelde kijker als persiflage zal zijn begrepen. Evenmin is er feitelijke grond om aan te nemen dat de lookalike in beeld is gebracht op een wijze die aan de reputatie van Verstappen en zijn populariteit bij bestaande of potentiële sponsoren of andere contractpartners afbreuk zou kunnen doen.

3.4.3. Ten slotte valt niet in te zien dat het enkele feit dat een bekende persoon verzilverbare populariteit geniet reeds zou meebrengen dat het in een (reclame)filmpje nadoen/nabootsen van die persoon, zonder dat verwarring optreedt ten aanzien van de identiteit van de beide betrokken personen, als onrechtmatig jegens deze bekende persoon (en/of diens zakelijke belangenbehartiger) moet worden gekwalificeerd. Dit is niet anders indien degene die het filmpje heeft gepost bij die uitzending in commercieel opzicht (onder meer door vergroting van zijn naamsbekendheid) belang heeft als gevolg van de grote aandacht die de film heeft gekregen, en dit voordeel ook heeft beoogd.

Om een dergelijke post toch onrechtmatig te achten zouden bijkomende omstandigheden noodzakelijk zijn. Die ontbreken in dit geval. Dat Jumbo, als de ondernemer met wie de bekende persoon Verstappen in dit geval voor reclamedoeleinden heeft gecontracteerd, zich mogelijk tegen een dergelijke nabootsing door een concurrerende ondernemer met succes zou kunnen verzetten, maakt de nabootsing nog niet onrechtmatig jegens Verstappen zelf. In dit geval staat bovendien vast dat Jumbo zich niet verzet heeft, omdat zij de humor ervan inzag.