RB 3288

Ook enkel openbaar maken misleidende mededeling is onrechtmatige daad

Conclusie AG HR 18 januari 2019, RB 3288; ECLI:NL:PHR:2019:244 (Mikas tegen BPD) Misleidende reclame. Leverancier en handelsagent aansprakelijk jegens de projectontwikkelaar die de betreffende producten in zijn bestekken heeft voorgeschreven? Verjaring. Causaal verband.

3.3 Art. 6:194 BW bestempelt het (doen) openbaar maken van misleidende mededelingen in het kader van de beroeps- of bedrijfsmatige aanbieding van goederen of diensten tot een onrechtmatige daad. Oorspronkelijk zag de regeling zowel op de bescherming van consumenten als beroeps- en bedrijfsmatige afnemers en concurrenten van de partij die de misleidende uiting doet. Sinds 15 oktober 2008 is het toepassingsgebied beperkt tot de bescherming van beroeps- en bedrijfsmatige afnemers en concurrenten en is de bescherming van consumenten opgenomen in afdeling 6.3.3A, gewijd aan ‘oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten’.22 De feiten in deze zaak zijn van vóór deze wetswijzing, zodat met een verwijzing naar art. 6:194 BW gedoeld wordt op de bepaling zoals deze voor 15 oktober 2008 luidde. 

3.4 De misleidende mededeling omtrent goederen of diensten staat centraal in de regeling. Art. 6:194 BW bevat een niet-limitatieve opsomming van elementen waaromtrent een misleidende mededeling kan worden gedaan, bijvoorbeeld de aard, samenstelling, hoeveelheid, hoedanigheid, eigenschappen of gebruiksmogelijkheden van het product of de dienst (sub a.) of de prijs of de wijze van berekenen daarvan (sub d.). De wetsbepaling is alleen van toepassing op mededelingen die door, of ten behoeve van, degene die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf openbaar zijn gemaakt. De regeling zag, en ziet, niet alleen op bescherming van (voorheen) consumenten en (thans ook nog) beroepsmatige afnemers tegen schade als gevolg van het afnemen van producten en diensten die als gevolg van misleidende mededelingen worden afgenomen, maar ook op bescherming van concurrenten van de partij die de misleidende mededelingen openbaar maakt (of doet maken) en zich aldus een betere concurrentiepositie verschaft.23 Op grond van art. 6:195 lid 1 BW ligt de bewijslast met betrekking tot de juistheid of volledigheid ten aanzien van de in art. 6:194 BW vermelde feiten of omstandigheden niet bij de eiser, maar bij gedaagde. In zoverre wijkt de regeling af van de algemene regeling van art. 6:162 BW en van de hoofdregel inzake bewijslastverdeling van art. 150 Rv. Ook wat toerekenbaarheid betreft wijkt de regeling af van de ‘gewone’ onrechtmatige daadsregeling: art. 6:195 lid 2 BW bepaalt dat degene die op grond van art. 6:194 BW onrechtmatig heeft gehandeld, aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade, tenzij hij bewijst dat zulks noch aan zijn schuld is te wijten noch op andere grond voor zijn rekening komt.24 Daarmee kom ik nu toe aan de behandeling van de onderdelen in de hiervoor (randnummer 3.2) aangekondigde volgorde.