RB
DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op woensdag 7 oktober 2026
RB 4156
Rechtspraak (NL/EU) ||
23 sep 2026,
Rechtspraak (NL/EU) 23 sep 2026,, RB 4156; C/1 6/61 7764 / KG ZA 26-569 (Wakker Dier tegen NS Stations), https://www.reclameboek.nl/artikelen/ns-stations-moet-wakker-dier-reclame-op-treinstations-toelaten

Uitspraak ingezonden door Victor Bouman en Bo van Maaren, Wieringa Advocaten.

NS Stations moet Wakker Dier-reclame op treinstations toelaten

Rb. Midden-Nederland 23 september 2026, RB 4156; C/1 6/61 7764 / KG ZA 26-569 (Wakker Dier tegen NS Stations). In deze zaak tussen Wakker Dier en NS Stations staat de vraag centraal of NS Stations de reclamecampagne van Wakker Dier voor Werelddierendag mocht weigeren. Wakker Dier wilde twee uitingen tonen op NS-stations, waaronder de boodschap “Zullen we eens een dagje niet 650.000 dieren eten?” en, op Rotterdam Centraal, “Elke dag eten we bijna heel Rotterdam op aan dieren”. NS Stations weigerde de campagne omdat zij de boodschap als een maatschappelijke stelling beschouwde die aanleiding kon geven tot publiek debat. De voorzieningenrechter oordeelt dat NS Stations daarmee onrechtmatig tegenover Wakker Dier heeft gehandeld. Wakker Dier kan zich tegenover NS Stations niet rechtstreeks beroepen op de vrijheid van meningsuiting uit artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet, maar deze grondrechten werken wel indirect door via de open normen van het privaatrecht. Daarom moet het belang van Wakker Dier bij het uitdragen van haar ideële boodschap worden afgewogen tegen het belang van NS Stations om als eigenaar van de reclamedragers te bepalen welke uitingen zij toestaat. 

Volgens de rechtbank mag NS Stations haar eigendomsrecht niet gebruiken om zonder voldoende reden of rechtvaardiging reclame-uitingen te weigeren. Daarbij weegt mee dat NS Stations als monopolist voor reclamedragers op treinstations een zwaardere verantwoordelijkheid heeft en terughoudend moet zijn met het weigeren van advertenties. De rechtbank vindt bovendien onvoldoende verklaard waarom de campagne van Wakker Dier is geweigerd, terwijl andere uitingen die eveneens publiek debat kunnen oproepen, waaronder campagnes over plantaardig eten en politieke campagnes, wel zijn toegestaan.  Ook het unieke en landelijke bereik van de reclamedragers op NS-stations speelt mee. Volgens de voorzieningenrechter zijn deze locaties voor een ideële organisatie als Wakker Dier bij uitstek geschikt om een groot publiek te bereiken. De rechter acht bovendien niet uitgesloten dat een weigering op basis van het criterium dat een uiting geen aanleiding mag geven tot publiek debat een chilling effect heeft op toekomstige campagnes. De vrijheid van meningsuiting van Wakker Dier weegt daarom zwaarder dan de belangen van NS Stations. NS Stations moet de weigering intrekken en ervoor zorgen dat de campagne kan worden verspreid op de stations. Aan de veroordeling is een dwangsom verbonden van € 25.000 per dag, met een maximum van € 100.000.

3.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat NS Stations onrechtmatig tegenover Wakker Dier heeft gehandeld op grond van artikel 6: 1 62 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) door de reclame-uitingen zoals weergegeven in 3.3 te weigeren. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.

3.7. Wakker Dier beroept zich op de vrijheid van meningsuiting zoals vastgelegd in (onder meer) artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 7 van de Grondwet. Deze artikelen hebben geen directe horizontale werking, wat betekent dat Wakker Dier zich niet direct kan beroepen op deze artikelen tegenover NS Stations. Wel werken deze grondrechten indirect door in de verhouding tussen burgers en ondernemingen onderling. De rechter dient namelijk een afweging te maken tussen de vrijheid van meningsuiting en andere belangen,’ via cle open normen van het privaatrecht. Zo moet deze afweging ook worden gemaakt bij de vraag of er onrechtmatig is gehandeld op grond van artikel 6: 162 BW. De voorzieningenrecliter zal in dat kader daarom het grondrecht van vrijheid van meningsuiting van Wakker Dier afwegen tegen de belangen van NS Stations. die er onder meer uit bestaan dat zij als eigenaar van de abris en andere ree lamedragers op de NS treinstations mag bepalen welke reclame-uitingen zij al dan niet toestaat.

3.8. In het kader van de belangenaf\eging en voor het oordeel dat NS Stations onrechtmatig heeft gehandeld spelen oor de voorzieningenrechter de volgende omstandigheden een rol:

- Het belang van Wakker Dier bij het vertonen van de uitingen en daarmee het uitdragen van haar (ideële) boodschap is niet betwist door NS Stations en staat dus niet ter discussie.

- In beginsel geldt dat het eigendomsrecht het meest omvattende recht is. Dit betekent echter niet dat het eigendomsrecht zo ver reikt dat grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting zonder reden of rechtvaardiging mogen worden ingeperlt. Dat NS Stations eigenaar is van de reclamedragers op de NS treinstations maakt dus, anders dan NS Stations meent. niet dat zij het recht heeft om geheel willekeurig en zonder reden reclame-uitingen te weigeren. NS Stations heeft zich tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat zij zelf mag bepalen met wie zij contracteert en in die zin ook volstrekt willekeurig zou mogen oordelen, omdat zij nu eenmaal het eigendomsrecht heeft. De voorzieningenrechter gaat daar, gelet op het voorgaande, aan voorbij. Het is niet aannemelijk dat de bodemrechter NS Stations in dit standpunt zal volgen.

(...)