RB 3485

HvJ EU: verbod op reclame kan in strijd zijn met Unierecht

HvJ EU 3 februari 2021, IEF 19747, RB 3485, IEFbe 3182; ECLI:EU:C:2021:89 (Fussl Modestraße Mayr GmbH tegen SevenOne Media GmbH) Televisieomroep. Gelijke behandeling. Het Hof verklaart dat een volledige verbod, waardoor de inkomsten uit regionale televisiereclame worden voorbehouden aan regionale en lokale zenders, mogelijkerwijs verder dan noodzakelijk is om een gevarieerd televisieaanbod te behouden en kan leiden tot een ontoelaatbare ongelijkheid tussen de landelijke televisieomroepen en de aanbieders van reclamediensten op internet.

Fussl Modestraße Mayr GmbH exploiteert een keten van modewinkels in Oostenrijk en in de deelstaat Beieren. Zij heeft een overeenkomst gesloten met SevenOne Media GmbH, de marketingonderneming van de Duitse televisieomroep ProSiebenSat. Volgens deze overeenkomst zou alleen in de deelstaat Beieren reclame worden uitgezonden bij programma’s van de landelijke televisiezender ProSieben. SevenOne Media heeft evenwel geweigerd deze overeenkomst uit te voeren. Een Staatsvertrag verbiedt televisieomroepen immers om in hun landelijke uitzendingen televisiereclame op te nemen die alleen regionaal kan worden ontvangen. Op dit verbod bestaat een uitzondering: de deelstaten kunnen namelijk toestaan dat bij landelijke uitzendingen regionale reclame wordt uitgezonden. Het Landgericht Stuttgart vraagt zich in die omstandigheden af of dit verbod verenigbaar is met het Unierecht. 

Het Hof merkt in dit verband op dat het verbod inconsistent zou kunnen zijn ten gevolge van het feit dat het enkel geldt voor reclamediensten die door de televisieomroepen worden aangeboden en niet voor internetreclamediensten. Voorts wijst het Hof er met betrekking tot de noodzaak van het verbod op dat een minder beperkende maatregel mogelijk zou zijn indien de deelstaten het in de uitzonderingsbepaling bedoelde vergunningstelsel daadwerkelijk zouden toepassen.

107    Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat:

–        artikel 4, lid 1, van richtlijn 2010/13 en artikel 11 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling die televisieomroepen verbiedt om in hun landelijk uitgezonden programma’s televisiereclame op te nemen die alleen regionaal kan worden ontvangen;

–        artikel 56 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een dergelijke nationale regeling, mits deze geschikt is om de verwezenlijking te waarborgen van het daarmee nagestreefde doel van bescherming van de diversiteit van de regionale en lokale media en niet verder gaat dan nodig is om dat doel te bereiken, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, en

–        artikel 20 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een dergelijke nationale regeling, mits deze niet leidt tot een ongelijke behandeling van landelijke televisieomroepen en aanbieders van internetreclame met betrekking tot het uitzenden van regionale reclame, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.