RB 3657

Hoge Raad over omvang van processtukken in hoger beroep

HR 3 juni 2022, IEF 20753, IT 3948, RB 3657, LS&R 2070; ECLI:NL:HR:2022:824 (Eiser tegen Staat der Nederlanden) Art. 392 Rv. Beantwoording van prejudiciële vragen over regels in procesregelementen van de hoven over maximale omvang van processtukken in hoger beroep. Is de rechter bevoegd om deze beperkingen te stellen en mag zo’n beperking in procesreglement worden gesteld? Mag in procesreglement worden bepaald dat bij overschrijding van het maximale aantal bladzijden het processtuk wordt geweigerd? Is die weigering een schending van recht op hoor en wederhoor of recht op toegang tot de rechter? Biedt de regeling voldoende rechtsbescherming?

3.3.7 Uit het voorgaande volgt dat het antwoord op de eerste hiervoor in 3.2.2 genoemde vraag is dat de rechter bevoegd is om beperkingen te stellen aan de omvang van processtukken in hoger beroep en dat ook in een procesreglement aan die omvang beperkingen mogen worden gesteld, mits de essentie van het recht op toegang tot de rechter en van het recht op hoor en wederhoor niet wordt aangetast en de voorschriften een legitiem doel dienen en in het licht van dat doel proportioneel zijn.

3.3.8 De tweede in 3.2.2 genoemde vraag heeft betrekking op de processuele gevolgen die verbonden kunnen worden aan de indiening van een processtuk dat de met inachtneming van het procesreglement geldende maximale omvang overschrijdt.

3.3.9 De procesreglementen houden in dat als een memorie het maximumaantal bladzijden overschrijdt zonder dat daarvoor toestemming is gegeven, de memorie wordt geweigerd en dat de partij uiterlijk binnen twee weken een memorie kan indienen die het maximumaantal bladzijden niet overschrijdt. Uit de bevoegdheid van de rechter om grenzen te stellen aan de omvang van processtukken (zie hiervoor in 3.3.1), vloeit voort dat de rechter bevoegd is om stukken die de gestelde omvang overschrijden, te weigeren. De procesreglementen stellen op overschrijding van het maximale aantal bladzijden niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid. Wel kan aan de weigering van het te omvangrijke stuk en het vervolgens uitblijven van een stuk dat wel aan de limiet voldoet, de consequentie verbonden zijn dat het recht vervalt om de desbetreffende proceshandeling te verrichten. Voor de dagvaardingsprocedure volgt dat uit art. 133 lid 4 Rv en geldt dat de appellant in beginsel niet-ontvankelijk is indien geen grieven zijn geformuleerd. Voor de verzoekschriftprocedure volgt uit de wettelijke termijn waarbinnen hoger beroep moet worden ingesteld in samenhang met het voorschrift dat het beroepschrift de gronden van het hoger beroep moet bevatten (art. 359 Rv), dat weigering van een beroepschrift kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van de appellant. Indien de appellant nalaat tijdig een processtuk van toegestane lengte in te dienen, kan dat dus zowel in de dagvaardings- als in de verzoekschriftprocedure leiden tot niet-ontvankelijkheid, maar dat betekent niet dat de bevoegdheid van de rechter om een stuk te weigeren een andere wettelijke grondslag vergt dan de bevoegdheid om grenzen te stellen aan de omvang van processtukken.