RB 3323

Geloofwaardigheid gedaagde in geding bij inbreuk auteursrecht foto

Hof 's-Hertogenbosch 11 juni 2019, IEF 18526, RB 3323; ECLI:NL:GHSHE:2019:2115 (Obscura tegen ID & Concept Styling) Deze zaak gaat over inbreuk op auteursrecht op foto’s. De rechthebbende stelt dat de foto’s in 2011 korte tijd op de website van de gedaagde hebben gestaan en, na een sommatie van de rechthebbende, weer zijn verwijderd. De gedaagde betwist dat de foto’s ooit op haar website hebben gestaan. De stellingen van partijen over de feiten en de door partijen overgelegde bewijsmiddelen, met name verklaringen van getuigen, staan lijnrecht tegenover elkaar. De zaak spitst zich toe op de vraag of partijen hebben voldaan aan hun verplichtingen ingevolge art. 21 Rv. Ten aanzien van gedaagde wordt geconcludeerd dat de geloofwaardigheid van haar stellingen ernstig in het geding is. Het verweer van gedaagde kan niet langer als voldoende onderbouwd worden beschouwd.

6.4.3. Wat betreft de teksten gaat het er bij de vraag of [appellant] de auteursrechthebbende is om of het auteursrecht aan hem is overgedragen, omdat vast staat dat [tekstschrijver] de maker van de teksten is. [appellant] heeft de stelplicht en de bewijslast van deze overdracht. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn stelling volstaan met de verwijzing naar de brief van [tekstschrijver] van 16 november 2011. Van deze brief heeft [appellant] twee versies overgelegd (prod. 21 bij conclusie van repliek). Kennelijk heeft [appellant] het oog op de in de “lange” versie van deze brief toegevoegde zin “Het auteursrecht van deze webteksten is met de betaling van de factuur volledig aan Obscura Fotografie overgedragen.” Op zichzelf heeft [appellant] op vragen van het hof een geloofwaardige verklaring afgegeven voor het naast elkaar bestaan van twee versies van deze brief, namelijk dat [appellant] , nadat [tekstschrijver] hem eerst de korte versie van de brief heeft gestuurd, contact heeft opgenomen met [tekstschrijver] met de opmerking dat in de brief niets was vermeld ten aanzien van het auteursrecht en dat [tekstschrijver] vervolgens de tweede versie heeft gestuurd. Dit doet er evenwel niet aan af dat met deze brief weinig is gezegd over de vraag of het auteursrecht bij akte is overgedragen. Voor zover de brief van [tekstschrijver] aldus moet worden verstaan dat de overdracht van het auteursrecht door de betaling heeft plaatsgevonden heeft dit niet geleid tot een geldige overdracht. Voor zover de brief van [tekstschrijver] aldus moet worden verstaan dat de overdracht, tegelijk met de betaling, is gebeurd door een afzonderlijke akte, had het op de weg van [appellant] gelegen om deze akte over te leggen. Mede gezien de context van deze zaak, en met name de zeer uitvoerige processtukken van [appellant] , waarin hij zich bijzonder kritisch heeft uitgelaten over de (geloofwaardigheid van de) door [geïntimeerde] geproduceerde stukken, had dat van hem mogen worden verwacht. De informatievoorziening door [appellant] over dit punt is te summier en zijn stelling dat hij de auteursrechthebbende is van de teksten daarmee onvoldoende onderbouwd. De slotsom is dat in dit geding niet is komen vast te staan dat [appellant] de auteursrechthebbende op de teksten is en dat, nu [appellant] geen andere gronden heeft aangevoerd voor zijn bevoegdheid tot het doen van de desbetreffende vordering, reeds daarom zijn vordering die betrekking heeft op de teksten, moet worden afgewezen.

6.5.10. Uit het bovenstaande trekt het hof de conclusie dat [geïntimeerde] in meerdere opzichten in ernstige mate haar wederpartij en de rechter onvolledig en onjuist heeft voorgelicht.

Het vervalsen van de mail van [getuige 1] wettigt twijfel over de authenticiteit van andere door [geïntimeerde] overgelegde stukken, waarbij het hof met name het oog heeft op de door [geïntimeerde] gebruikte verklaringen van de getuigen [getuigen 7 en 8] en [getuige 10] . [getuige 7] , [getuige 8] en [getuige 10] zijn, hoewel door [appellant] bij exploot opgeroepen, in het voorlopig getuigenverhoor niet verschenen. Daarbij weegt mee dat [geïntimeerde] voor dat niet verschijnen geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, wat met name in het geval van [getuige 10] , met wie [geïntimeerde] naar haar stellingen nog steeds bevriend is, wel voor de hand had gelegen.

Het overleggen en gebruiken van een verklaring van een niet bestaande persoon, [opgegeven naam getuige 15, achternaam gelijk aan getuige 2] , wettigt twijfel over het bestaan van andere personen van wie [geïntimeerde] bij conclusie van antwoord verklaringen heeft overgelegd, met name van [getuige 11] en [getuige 12] , die [appellant] in het kader van het voorlopig getuigenverhoor ook niet heeft kunnen traceren. Daarbij weegt mee dat [geïntimeerde] ook over deze personen geen informatie heeft gegeven die kan bijdragen aan het achterhalen van hun identiteit.

Het verstrekken van onjuiste informatie over haar contact met Burafo/Pictoright draagt bij aan de algehele twijfel over de geloofwaardigheid van de stellingen van [geïntimeerde] .

6.5.11. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] in ernstige mate tekort geschoten is in haar verplichting op grond van art. 21 Rv. Haar verweer was in belangrijke mate onderbouwd met de door haar overgelegde getuigenverklaringen. Van die onderbouwing is, gezien het bovenstaande, in hoger beroep weinig overgebleven. Dit leidt het hof tot de conclusie dat het verweer van [geïntimeerde] in hoger beroep niet langer voldoende onderbouwd is en dat de stelling van [appellant] dat de foto’s van 18 januari 2011 tot 24 januari 2011 op de website van [geïntimeerde] hebben gestaan, bij gebrek aan een voldoende onderbouwd verweer, is komen vast te staan.

Afbeelding: Pixabay.