RB 3336

Geen onjuist rechtsopvatting voorbehouden zuivelbenaming

HR 30 augustus 2019, IEF 18655, RB 336; LS&R 1728; ECLI:NL:HR:2019:1293 (Nederlandse zuivelorganisatie tegen Alpro Nederland) Europees recht. NZO is de brancheorganisatie van de Nederlandse zuivelindustrie. Alpro verzorgt op de Nederlandse markt de verkoop en distributie van de sojaproducten, zie ook [LS&R 1707] Deze zaak gaat over de vraag of Alpro op ontoelaatbare wijze een aantal van haar sojaproducten als zuivelproducten heeft aangeduid, althans de indruk heeft gewekt dat het om zuivelproducten gaat - “Schep-yofu” en Mild & Creamy, Alpro’s Cuisine en “Luchtig(Aeré) & Creamy”, en Alpro’s sojadranken. Op grond van Verordening (EU) 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en de voorlopers daarvan is dat verboden. In cassatie is met name aan de orde hoe de verordening moet worden uitgelegd. Of in een concreet geval sprake is van gebruik van een voorbehouden zuivelbenaming ter aanduiding van een niet-zuivelproduct hangt onmiskenbaar af van de omstandigheden van het geval. De opvatting dat het gebruik van een zuivelbenaming bij de verhandeling van een niet-zuivelproduct onder geen enkele omstandigheid is toegestaan, is niet juist.

3.2.6
Ook uit het arrest in de zaak TofuTown (zie hiervoor in 3.2.4) volgt dat het in de eerste alinea van punt III.5 gaat om het gebruik van een voorbehouden benaming ter aanduiding van het betrokken product. Onder meer in de punten 27, 31, 40 en 48 van het arrest spreekt het HvJEU in het kader van punt III.5 immers over “de benamingen (…) om een zuiver plantaardig product aan te duiden”, respectievelijk “de met deze benamingen aangeduide producten.” Mede gelet op de tekst van de relevante bepalingen (zie hiervoor in 3.2.2, 3.2.3 en 3.2.5) is er geen aanleiding te veronderstellen dat het HvJEU zich uitsluitend van deze formuleringen heeft bediend omdat het in de desbetreffende zaak niet ter discussie stond dat het ging om het gebruik van voorbehouden benamingen ter aanduiding van de betrokken producten, zoals in onderdeel 1.5 wordt betoogd. Volgens het HvJEU strookt de gegeven uitleg met de doelstellingen van de verordening (zie de punten 43 en 48 van het arrest).

3.2.7
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval sprake is van gebruik van een voorbehouden zuivelbenaming ter aanduiding van een niet-zuivelproduct als bedoeld in punt III.5 hangt onmiskenbaar af van de omstandigheden van het geval. Daarbij is bijvoorbeeld van belang of de gebruikte benaming deel uitmaakt van een meer omvattende vermelding en hoe een en ander is vormgegeven (bijvoorbeeld de mate waarin de benaming opvalt in de vermelding als geheel). Wanneer geen sprake is van gebruik van de benaming ter aanduiding van het product in de zin van punt III.5, kan het gebruik onder punt III.6 vallen.

Bij de beoordeling of het gebruik van een voorbehouden benaming onder punt III.5 of III.6 moet worden verboden, komt veel gewicht toe aan de doelstelling van de regeling: het vermijden van de suggestie dat het gaat om een zuivelproduct (teneinde verwarring bij de consument te voorkomen en – daarmee – het voorkomen van oneerlijke concurrentie). Dat betekent dat niet juist kan zijn de opvatting dat het gebruik van een zuivelbenaming bij de verhandeling van een niet-zuivelproduct onder geen enkele omstandigheid is toegestaan.

3.2.8
Naar het oordeel van de Hoge Raad kan geen redelijke twijfel bestaan over de juistheid van hetgeen hiervoor in 3.2.5-3.2.7 is overwogen, ook niet in het licht van de rechtspraak hierover in andere lidstaten van de Europese Unie (zie hierover de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.43-3.53). Dat, zoals NZO aanvoert, rechterlijke instanties in de diverse lidstaten soms met betrekking tot een vergelijkbaar soort gebruik van een voorbehouden zuivelbenaming voor een niet-zuivelproduct tot uiteenlopende resultaten komen, is inherent aan het feit dat ook de omstandigheden van het geval een rol spelen (zie hiervoor in 3.2.7). Deze omstandigheden kunnen in de diverse gevallen verschillen en bovendien uiteenlopend worden gewaardeerd. Dat betekent echter niet dat daarmee redelijke twijfel bestaat over de vraag hoe de relevante bepalingen van Verordening 1308/2013 moeten worden uitgelegd. Het is daarom niet noodzakelijk hierover prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU.

3.5.2
Voor zover het onderdeel het hof in algemene zin verwijt bij de toetsing onder punt III.6 te hebben nagelaten het gebruik van voor zuivelproducten voorbehouden bewoordingen te betrekken, mist het feitelijke grondslag. Zo heeft het hof ten aanzien van de producten ‘Schep‑yofu’ en ‘Mild & Creamy’ in rov. 3.9.2 onder (iv) geoordeeld dat Alpro door het gebruik van de bewoordingen ‘mild’, ‘zacht’ en ‘romig’ niet in strijd handelt met punt III.6, ook niet indien deze bewoordingen worden gebruikt in combinatie met de term ‘yoghurtvariatie’. Wat betreft Alpro’s sojadranken heeft het hof in zijn beoordeling betrokken dat in de door het hof onrechtmatig geoordeelde advertentie het woord ‘melk’ wordt gebruikt (zie rov. 3.9.10). Het hof heeft zich bij een en ander terecht gericht naar de omstandigheden die NZO aan haar beroep op punt III.6 ten grondslag heeft gelegd.

3.5.3
Wat betreft de door het onderdeel meer in het bijzonder genoemde schep-yofu is de uitleg die het hof aan de stellingen van NZO heeft gegeven niet onbegrijpelijk. In de door het onderdeel genoemde randnummers van de inleidende dagvaarding en de memorie van grieven worden geen feiten en omstandigheden genoemd die het hof niet in zijn beoordeling onder punt III.6 heeft betrokken. Ook het gebruik van de term ‘yoghurtvariatie’ heeft het hof in zijn beoordeling betrokken (zie hiervoor in 3.5.2).
 

4.1.4
Een procesvolmacht behoeft pas te worden overgelegd indien het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft, zodat – ook naar het in zoverre in cassatie onbestreden oordeel van het hof – NZO een volmacht van haar leden nog bij akte voor pleidooi kon overleggen. Nu Alpro de rechtsgeldigheid van de ondertekening namens de leden pas bij pleidooi aan de orde kon stellen, had het hof NZO nog in de gelegenheid kunnen stellen het bestaan van volmachten van de leden aan haar advocaat te bewijzen. Nu het geding na verwijzing wordt voortgezet in de stand waarin het zich voor de vernietiging en verwijzing bevond, kan NZO daartoe, anders dan Alpro betoogt, ook na verwijzing nog in de gelegenheid worden gesteld.