RB 3487

Conclusie A-G: invoering JA/JA stickers niet onrechtmatig

HR 5 februari 2021, IEF 19754, RB 3487; ECLI:NL:PHR:2021:98 (Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen tegen Gemeente Amsterdam) Sinds 2018 mag in de gemeente Amsterdam ongeadresseerd reclamedrukwerk alleen worden bezorgd indien op de brievenbus een JA/JA sticker is aangebracht. Dit wordt het opt-in-systeem genoemd. Voorheen gold dat ongeadresseerd reclamedrukwerk overal mocht worden bezorgd, tenzij er een NEE/JA of NEE/NEE sticker op de brievenbus was aangebracht. Dit is het zogenaamde opt-out-systeem. Het nieuwe systeem is er voor bedoeld om milieuvervuiling tegen te gaan. Het Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen en de Vereniging Mail Distributie Bedrijven zijn een procedure gestart om schadevergoeding te vorderen van de gemeente Amsterdam, omdat zij door dit nieuwe systeem minder drukwerk kunnen verspreiden. Volgens het hof is het nieuwe systeem niet onrechtmatig. Het hof wees de vordering dan ook af. Tegen deze beslissing is casssatie ingesteld. Aan de orde is of het nieuwe systeem een wettelijke grondslag heeft en of het systeem al dan niet in strijd is met het Europese recht of met de algemene rechtsbeginselen. Advocaat-generaal Wissink adviseert de Hoge Raad in zijn conclusie de beslissing in stand te houden. Volgens hem is het systeem niet onrechtmatig en is de gemeente bevoegd om dit systeem in te voeren, mede omdat de Wet Milieubeheer ruimte laat aan de gemeente regels te stellen hieromtrent. 

5.58 Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden, omdat het oordeel van het hof zelfstandig wordt gedragen door zijn overwegingen dat vaststaat dat een huishouden zich op enig moment van ongeadresseerd reclamedrukwerk zal ontdoen en dat door beperking van de verspreiding van ongeadresseerd reclamedrukwerk voorkomen wordt dat afval ontstaat.

Nu het hof in het midden heeft gelaten op welk moment sprake is van afvalstoffen, behoefde het hof overigens niet afzonderlijk in te gaan op de in nr. 19 van de procesinleiding bedoelde stelling van MailDB c.s. dat voor de vraag of sprake is van afvalstoffen doorslaggevend is de intentie van de houder op het moment van bezorging en niet het opvolgend gebruik van het ongeadresseerd reclamedrukwerk.

Voorts heeft het hof met zijn overweging dat partijen strijden over het exacte percentage van het ongeadresseerd reclamedrukwerk dat ongelezen wordt weggegooid, onderkend dat MailDB c.s. hebben aangevoerd dat de conclusie van Milieu Centraal uit 2014 dat drie op de tien huishoudens reclamefolders ongelezen weggooit, achterhaald en onjuist is (wat de Gemeente op haar beurt overigens heeft bestreden). MailDB c.s. hebben voorts gesteld (memorie van grieven nr. 44) dat 4% tot 10% van de folderontvangers folderpakketten niet leest. Of het hof in het licht van het partijdebat kon komen tot de kwalificatie ‘aanzienlijk’ kan in het midden blijven, omdat dit deel van rov. 3.15 niet dragend is voor de redenering van het hof (zie in 5.52.1).

6.14 Deze klachten gaan niet op. Het hof heeft onderkend dat de economische belangen van MailDB c.s. in het geding zijn (zie rov. 3.32) en aan de hand van de verschillende elementen van het in rov. 3.28 bedoelde toetsingskader in rov. 3.30-3.31 onderzocht of sprake is van eigendom in de zin van art. 1 EP dan wel (slechts) van verlies van toekomstig inkomen.

Naar mijn mening is de conclusie dat sprake is van toekomstig inkomen niet onbegrijpelijk in het licht van de stellingen dat de Gemeente heeft meegewerkt aan het landelijke opt-out-systeem, dat MailDB c.s dit systeem hebben uitgerold en dat verwachtingen bij MailDB c.s. bestaan over het voorgezette gebruik daarvan. Het hof heeft die stellingen beoordeeld in rov. 3.31 en 3.33 en voorts overwogen (in rov. 3.44) dat het opt-out-system in 1993 is ingevoerd en dat MailDB c.s. er in redelijkheid van uit kunnen gaan dat het systeem op enig moment zou wijzigen.