RB 3383

Advies Schouten is geenzins misleidend voor PanterGroep

Rechtbank Rotterdam 19 februari 2020, RB 3383; ECLI:NL:RBROT:2020:1627 (PanterGroep tegen Schouten) PanterGroep is een landelijk werkende arbodienst. Schouten bemiddelt als makelaar in assurantiën in verzekeringen en biedt voor haar klanten aanpalende diensten op collectiviteitsbasis aan. Schouten sluit onder andere dienstverleningsovereenkomsten met diverse brancheverenigingen en stelt voor die branche dan een verzekeringspakket samen, waarvan een verzuimverzekering (met of zonder arbodienstverlening) onderdeel uitmaakt. Schouten bood als gevolmachtigde van een verzekeringsmaatschappij in het kader van de Verzuimdesk Volmachten (VDV) een arbodienst aan PanterGroep op grond van de 'overeenkomst inzake re-integratiediensten' die was gesloten tussen de verzekeringsmaatschappij en Pantergroep voor een bepaalde tijd. Deze overeenkomst is op 1 januari 2019 van rechtswege verlopen. Schouten heeft vervolgens twee andere verzekeraars aan PanterGroep geadviseerd op 31 juli 2018.

PanterGroep stelt dat Schouten onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar op grond van misleidende reclame (artikel 6:194 BW). Daartoe stelt zij dat in het advies passages zijn opgenomen die misleidend zijn, omdat die passages onjuiste en onvolledige mededelingen bevatten. De vordering van PanterGroep wordt afgewezen. Er wordt geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat het advies misleidende mededelingen bevat dan wel anderszins misleidend is. Schouten heeft met het versturen van het advies dus niet onrechtmatig gehandeld jegens PanterGroep.

4.16. Niet valt niet in te zien waarom Schouten in de brief had moeten vermelden dat de overeenkomst tussen werkgevers en hun arbodienst aan bepaalde minimumvereisten dient te voldoen, dat de overstap naar een andere arbodienst inhoudt dat het verzuim op een andere plaats zal moeten worden geregistreerd of dat de overstap een wijziging van bedrijfsarts betekent. Algemeen bekend is dat met het overstappen van de ene dienstverlener naar de andere zekere formaliteiten gepaard gaan en dat in zo'n geval de bij de dienst betrokken personen kunnen wijzigen. Deze kennis mocht Schouten dus ook bekend veronderstellen bij de geadresseerden van de brief.

4.18. Aldus is niet komen vast te staan dat de brief (mailing) van 31 juli 2018 misleidende mededelingen bevat dan wel anderszins misleidend is. Schouten heeft met het versturen van de deze brief dus niet onrechtmatig jegens PanterGroep gehandeld. De vorderingen van PanterGroep komen daarom niet voor toewijzing in aanmerking.