RB 2887

CVB: “Scotch Whisky International” op voetbalshirt niet toegestaan

CVB 31 mei 2017 RB 2887; Dossiernr. 2017/00164 - CVB (Voetbalshirt Scotch Whisky International) College bevestigt aanbeveling in strijd met art. 30 lid 1 RvD 2014. Bijzondere reclamecode. Uiting: Uiting 1 (hierna: ‘shirt 1’) betreft een voetbalshirt voor zover daarop staat: “SCOTCH WHISKY INTERNATIONAL- ” Uiting 2 (hierna: ‘shirt 2’) betreft een voetbalshirt voor zover daarop staat: “? INTERNATIONAL investdontdrink.com” Klacht: Klager maakt bezwaar tegen de naamsvermelding van de sponsor (Scotch Whisky International) op de shirts van de (senioren)spelers van HFC. Volgens klager is een shirt met deze opdruk niet toegestaan op grond van artikel 30 lid 1 van de Reclamecode voor Alcoholhoudende Dranken (RvA) 2014.  

 

Ten aanzien van shirt 1

1. De klacht tegen shirt 1 betreft de woorden ‘Scotch Whisky’ die als onderdeel van de gehele sponsorvermelding (“Scotch Whisky -International-“) op dit shirt zijn gedrukt. Beoordeeld dient te worden of op deze uiting de RvA 2014 van toepassing is. SWI stelt dat bij die beoordeling dient te worden uitgegaan van haar bedrijfsactiviteiten. SWI omschrijft deze als ‘beleggingsinstelling in Scotch Whisky’. Volgens SWI is de sponsorvermelding om die reden geen reclame voor alcoholhoudende drank maar uitsluitend reclame voor een beleggingsinstelling in Scotch Whisky.

2. In de RvA 2014 wordt, voor zover hier van belang, het toepassingsgebied van deze code omschreven als ‘reclame voor alcoholhoudende drank’. De code is derhalve van toepassing op uitingen waarin alcoholhoudende drank wordt aangeprezen. Dit wordt in de code als volgt ingevuld: “iedere openbare en/of systematische directe dan wel indirecte aanprijzing van alcoholhoudende drank en van niet-alcoholhoudende drank voor zover deze wordt aangeprezen om te worden gebruikt in combinatie met alcoholhoudende dranken door een adverteerder of geheel of deels ten behoeve van deze, al dan niet met behulp van derden. Onder reclame wordt mede verstaan diensten”. Of een uiting kan worden opgevat als aanprijzing van alcoholhoudende drank, is verder een feitelijke beoordeling. Bij deze beoordeling zijn de inhoud van de uiting en de perceptie van het publiek doorslaggevend, niet de bedoeling van een adverteerder en evenmin de door haar aangeboden producten of diensten. Een uiting dient als reclame voor alcoholhoudende drank te worden aangemerkt als het publiek deze op grond van zijn inhoud opvat als aanprijzing van alcoholhoudende drank. Het effect is dan immers dat de uiting voor het publiek feitelijk alcoholhoudende drank aanprijst waardoor deze onder het toepassingsgebied van de RvA 2014 valt. Uitgaande hiervan oordeelt het College als volgt.

3. Op shirt 1 dienen de woorden ‘Scotch Whisky’ als meest opvallende en beeldbepalende elementen te worden beschouwd. De woorden ‘Scotch Whisky’ zijn prominent in beeld doordat zij een groter lettertype hebben in vergelijking met het woord ‘International’ en ook vet zijn gedrukt. Ook inhoudelijk zullen de woorden ‘Scotch Whisky’ bij het publiek het meest opvallen. ‘Scotch Whisky’ zal door het publiek worden opgevat als aanduiding voor whisky die afkomstig is uit Schotland. Deze woorden laten geen ruimte voor een andere uitleg. Het woord ‘International’ heeft, anders dan de woorden ‘Scotch Whisky’, voor het publiek geen bijzondere betekenis anders dan dat het op een grensoverschrijdend aspect duidt. Dat het woord ‘International’ tussen streepjes staat leidt niet tot een wezenlijk andere totaalindruk. Het ligt op grond van het voorgaande beslist niet voor de hand dat het publiek zal menen dat de woorden ‘Scotch Whisky International’ zijn bedoeld als aanprijzing van een organisatie die zichzelf omschrijft als beleggingsinstelling in Scotch Whisky. In plaats daarvan zal het publiek deze woorden in de context van shirtreclame opvatten als aanprijzing van uit Schotland afkomstige whisky. De uiting dient derhalve te worden opgevat als een feitelijke aanprijzing van deze alcoholhoudende drank. Dit oordeel impliceert dat de uiting onder het toepassingsgebied van de RvA 2014 valt.

4. Op de inhoud van sponsorvermeldingen die, zoals in dit geval, vallen onder het toepassingsgebied van de RvA 2014, zijn op grond van artikel 19 lid 4 RvA 2014 alle regels van de RvA 2014 van toepassing. In dit geval dient te worden getoetst aan artikel 30 lid 1 RvA 2014 nu het shirt tijdens een voetbalwedstrijd is gedragen door de spelers van HFC. De onderhavige uiting is in strijd met dat artikel nu blijkens het voorgaande sprake is van reclame voor alcoholhoudende drank gevoerd op kleding van individuele sporters. Voor zover ter zitting namens HFC is meegedeeld dat dit artikel enkel betrekking heeft op merkreclame en/of slechts ertoe strekt het aanzetten tot meer drinken te verbieden, overweegt het College dat de tekst van deze verbodsbepaling geen aanleiding geeft voor een dergelijke restrictieve uitleg.

5. De grieven tegen het oordeel van de Commissie over de gewraakte tekst op shirt 1 treffen op grond van het voorgaande geen doel.

Ten aanzien van shirt 2

6. In beroep is niet in geschil dat shirt 2 niet door spelers is gedragen en ook verder niet is gebruikt, zodat het publiek geen kennis van de opdruk op dit shirt heeft kunnen nemen. Daarmee onttrekt de opdruk op shirt 2 zich aan verdere beoordeling in het kader van de onderhavige klachtprocedure. Zowel de Commissie als het College hebben ingevolge het Reglement van de Reclame Code Commissie en het College van Beroep tot taak te beoordelen of reclame wordt gemaakt in overeenstemming met de bepalingen van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Het beoordelen van niet gebruikte reclame-uitingen valt niet onder deze taakomschrijving. De bevoegdheid om reclame ambtshalve te beoordelen, waarnaar SWI ter zitting heeft verwezen in het kader van haar betoog dat de opdruk op shirt 2 alsnog dient te worden beoordeeld, ziet niet op de beoordeling van niet-gebruikte reclame-uitingen, maar op beoordeling van wel gebruikte reclame-uitingen waarover niet is geklaagd. Ook in zoverre bestaat geen grondslag om over de opdruk op shirt 2 te oordelen en heeft de Commissie zich terecht van een inhoudelijk oordeel onthouden.

7. Met haar beslissing dat klager niet ontvankelijk is in zijn klacht voor wat betreft shirt 2 heeft de Commissie tot uitdrukking gebracht dat zij op grond van het voorgaande niet over die uiting kan oordelen. Dat het Reglement in artikel 17 niet met zoveel woorden voorziet in de mogelijkheid een klager niet ontvankelijk te verklaren in zijn klacht, kan SWI verder niet baten. De niet-ontvankelijkverklaring kan worden opgevat als een bijzondere vorm van afwijzing van de klacht als bedoeld in artikel 17 lid 1 aanhef onder f van het Reglement, en valt om die reden onder de reikwijdte van deze bepaling. Dat het tot dit oordeel leidende feit, te weten dat de shirts niet gedragen zijn, het noodzakelijke gevolg is van een dreigende strafoplegging door de KNVB in het kader van tuchtrechtspraak, kan niet tot gevolg hebben dat uiting 2 alsnog kan worden beoordeeld.

8. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

De beslissing van het College van Beroep

Het College bevestigt de bestreden beslissing.