RB 3156

Beleid ING over dierenwelzijn te stellig: geen actie ondernomen om naleving van de vijf vrijheden te controleren

RCC 11 juni 2018, RB 3156; Dossiernr. 2018/00323 (Varkens in Nood tegen ING) Aanbeveling (Misleiding). Het betreft de op 8 februari 2016 op de website www.ing.com geplaatste uiting. Daarin staat - voor zover hier relevant - vermeld: “We hebben beleid gepubliceerd dat van klanten verlangt dat zij voldoen aan de normen op het gebied van dierenwelzijn.(…) Volgens het beleid zullen klanten in de dierhouderij onder meer moeten bewijzen dat dieren worden behandeld volgens de ‘Vijf Vrijheden’ (zie kadertekst).” De klacht wordt als volgt samengevat. ING investeert in de intensieve veehouderij in zowel Nederland als het buitenland en is een van de drie banken die het meeste investeren in de Nederlandse varkenshouderij. Blijkens de uiting verlangt ING van haar klanten dat zij voldoen aan de normen op het gebied van dierenwelzijn. Meer specifiek wordt vermeld dat klanten moeten bewijzen dat dieren worden behandeld volgens de in de uiting aangehaalde ‘Vijf Vrijheden’. Aldus doet ING het voorkomen dat zij alleen bedrijven financiert die de vijf vrijheden in acht nemen en dat bedrijven die dat niet doen, niet welkom zijn bij ING. In de praktijk maakt ING dit niet waar. Varkens in Nood betoogt aan de hand van het door haar overgelegde rapport “120 misstanden in de Nederlandse varkenshouderij anno 2015” dat in de reguliere varkenshouderij veelal niet wordt voldaan aan de vijf vrijheden, die de ondergrens van fatsoenlijk dierenwelzijn vormen. ING financiert veel bedrijven uit de gangbare varkenshouderij, waaronder vier Nederlandse stallen van een (door Varkens in Nood bij naam genoemde) ‘varkensbaron’. De varkens die daar worden gehouden zijn beslist niet vrij van pijn, angst, stress, ongemakken, honger, dorst en onjuiste voeding en zijn niet of nauwelijks vrij om natuurlijk gedrag te vertonen. De uiting op de website is onjuist, misleidend en oneerlijk, aldus Varkens in Nood.

1. In de bestreden uiting kondigt ING het door haar geformuleerde beleid op het gebied van dierenwelzijn aan. Volgens de uiting houdt dit dierenwelzijnsbeleid in dat ING van haar klanten verlangt dat zij voldoen aan de normen op het gebied van dierenwelzijn en dat zij in dat kader (onder meer) zullen moeten bewijzen dat de door hen gehouden dieren worden behandeld volgens de in de uiting opgesomde ‘Vijf Vrijheden’. Gelet op de klacht moet worden beoordeeld of ING in de uiting de gemiddelde consument onjuist informeert over haar in de praktijk gevoerde dierenwelzijnsbeleid ten aanzien van de Nederlandse varkenshouderij, en de uiting om die reden misleidend is als bedoeld in artikel 8.2 van de Nederlandse Reclame Code (NRC).

2. De Commissie volgt ING niet in haar standpunt dat de klacht, gelet op de (afwijzende) beslissing van het College van Beroep in dossier 2015/00788, geen behandeling meer behoeft.

De tekst van de onderhavige uiting van ING verschilt zodanig van de eerder door het College van Beroep beoordeelde uiting van de Rabobank, dat reeds hierom het oordeel van het College van Beroep niet zonder meer heeft te gelden voor de uiting van ING.

3. Ter onderbouwing van haar stelling dat daadwerkelijk sprake is van het in de uiting geformuleerde dierenwelzijnsbeleid en de uiting juist is, voert ING aan dat zij klanten uit de varkenshouderij vraagt of zij in het bezit zijn van de relevante vergunning en klanten in de leningsdocumenten erop wijst dat zij zich moeten houden aan de bestaande wet- en regelgeving, waarin de vijf vrijheden zijn verankerd.

4. Dit verweer kan niet slagen. De Commissie overweegt als volgt.

5. De wetgeving waarop ING blijkens haar verweer doelt, is artikel 1.3 Wet dieren. Hierin is (onder meer) bepaald dat bij het stellen van regels of het nemen van daarop gebaseerde besluiten (zoals het verlenen van vergunningen) de inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren, verder dan redelijkerwijs noodzakelijk, wordt voorkomen en de zorg die de dieren redelijkerwijs behoeven verzekerd is. De opsomming van zorg die dieren in elk geval behoeven, komt (vrijwel) overeen met de vijf vrijheden die in de uiting worden genoemd, maar wordt gevolgd door de toevoeging: “voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd”. Door deze in artikel 1.3 Wet dieren opgenomen voorbehouden is het wetsartikel minder vergaand dan de absoluut omschreven vijf vrijheden. Daaraan gaat ING voorbij. Ter zitting heeft Varkens in Nood aan de hand van voorbeelden en onder verwijzing naar het Auditrapport van de Europese Commissie (DG(SANTE) 2017-6125) aannemelijk gemaakt dat verschillende omstandigheden in Nederlandse varkensbedrijven weliswaar volgens de Nederlandse wet zijn toegestaan, maar in strijd zijn met één of meer van de vijf vrijheden. Dat ING in het kader van haar dierenwelzijnsbeleid van klanten verlangt dat zij bestaande wet- en regelgeving naleven, betekent dan ook niet dat op grond van dit beleid de naleving van de vijf vrijheden door haar klanten is gewaarborgd. Dit wordt in de uiting wel gesuggereerd doordat daarin staat dat bedrijven moeten bewijzen dat dieren volgens de vijf vrijheden worden behandeld. Dit wekt de indruk dat behandeling van dieren overeenkomstig de vijf vrijheden als resultaat wordt bereikt. Daar komt bij dat ING verklaart dat zij wat betreft de controle op de naleving van de wet- en regelgeving door haar klanten (in Nederland) niet zelf actie onderneemt, maar vertrouwt op het handhavingsmechanisme van de overheid.

6. Ook kan niet worden geoordeeld dat ING klanten laat bewijzen dat zij de gehouden dieren behandelen volgens de vijf vrijheden. Het feit dat het betreffende bedrijf wordt gevraagd of het beschikt over de door de overheid verstrekte vergunning(en) voor het exploiteren van de varkenshouderij, kan niet als zodanig bewijs gelden omdat – zoals hiervoor is overwogen – vergunningsverlening niet automatisch met zich brengt dat wordt gehandeld overeenkomstig de vijf vrijheden.

7. Op grond van het voorgaande komt de Commissie tot de conclusie dat in de uiting het beleid van ING op het gebied van dierenwelzijn stelliger wordt gepresenteerd dan in werkelijkheid het geval blijkt te zijn. De uiting suggereert dat ING van varkenshouderijen verlangt dat zij bewijzen dat de in de uiting opgesomde vijf vrijheden worden nageleefd, terwijl daarvan in de praktijk in veel gevallen geen sprake is. Dat alle banken met een dierenwelzijnsbeleid dit beleid baseren op de vijf vrijheden, zoals door ING is betoogd, leidt niet tot een ander oordeel. De beslissing heeft geen betrekking op het feit dat ING in de uiting tot uitdrukking brengt dat zij de vijf vrijheden als basis van haar dierenwelzijnsbeleid heeft genomen, maar op de wijze waarop zij in de uiting beschrijft uitvoering aan dat beleid te geven.

8. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de bestreden uiting gepaard gaat met onjuiste informatie als bedoeld in de aanhef van artikel 8.2 NRC. Omdat de gemiddelde consument hierdoor ertoe gebracht kan worden een besluit te nemen over een transactie – het al dan niet bankieren bij ING – dat hij anders niet had genomen, is de uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.